RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 13/2935 VV en BRE 13/2936 WSFBSF uitspraak van 18 juli 2013 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [naam verzoekster], te [woonplaats], verzoekster, gemachtigde: mr. E.M.A. Leijser, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (Dienst Uitvoering Onderwijs; DUO), verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 mei 2013 van de DUO (bestreden besluit) inzake de omzetting van haar recht op studiefinanciering van de norm van een uitwonende studerende naar de norm van een thuiswonende studerende. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 juli 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De DUO heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam persoon]. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster volgt een opleiding tot pedagogisch medewerkster in Tilburg. Verzoekster staat vanaf 1 april 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) inschreven op het adres [adres + plaatsnaam], niet zijnde het adres van (één van) haar ouders. Naar aanleiding van een namens de DUO verrichte controle is bij besluit van 8 februari 2013 (Bericht Studiefinanciering 2013, nr. 2, primair besluit) de uitwonendenbeurs van verzoekster vanaf 1 januari 2012 herzien, omdat zij volgens de DUO niet op het GBA-adres woonachtig zou zijn. Bij dit besluit is door de DUO gesteld dat verzoekster in het jaar 2012 een bedrag van € 2.286,48 te veel studiefinanciering heeft ontvangen en in het jaar 2013 een bedrag van € 195,-. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van verzoekster hiertegen ongegrond verklaard. Bij beschikking van 31 mei 2013 is aan verzoekster tevens een bestuurlijke boete ten bedrag van € 1.046,97 opgelegd. Ter zitting is door de gemachtigde van verzoekster desgevraagd medegedeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening voor zover dat ziet op de opgelegde boete wordt ingetrokken en dat thans alleen de omzetting van de studiefinanciering aan de orde is. 2. Verzoekster heeft in haar verzoek- en beroepschrift, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit de rapportage naar aanleiding van de controle blijkt niet dat de jongere broer van verzoekster heeft verklaard dat er zich geen spullen van verzoekster in de woning zouden bevinden, maar dit is een constatering van de controleurs. De jongere broer heeft expliciet verklaard dat verzoekster wel degelijk woonachtig is op het GBA-adres, maar dat zij momenteel elders verblijft in verband met de verbouwing. Er zijn in totaal drie slaapkamers, waarvan er één toebehoort aan verzoekster. Het is onjuist dat er voor verzoekster geen ruimte zou zijn, nu de controleurs rapporteren dat er drie slaapkamers aanwezig zijn. Voor het huisbezoek was de kamer van verzoekster ingericht en zij verbleef vanaf april 2011 in deze woning. De controleurs hebben nagelaten de overige ruimtes, de gemeenschappelijke ruimte en badkamer, te bekijken. In deze ruimtes bevonden zich wel spullen van verzoekster. De jongere broer van verzoekster kampt met PDD-NOS, waardoor hij moeite heeft met het onderhouden van sociale contacten. Hij neemt vragen letterlijk en heeft moeite met het leggen van verbanden. Aan zijn verklaring kan volgens verzoekster dan ook geen absolute waarde worden gehecht. Daarnaast is de oudere broer van verzoekster,[naam broer verzoekster], niet gehoord door de controleurs, terwijl hij onderdak aan verzoekster verleent. Verzoekster stelt twee tot drie weken elders te hebben verbleven tot haar kamer was gerenoveerd. Verzoekster verzoekt om schorsing van het bestreden besluit tot zes weken na de verzending van uitspraak in de beroepsprocedure en bij wege van voorlopige voorziening met ingang van 1 januari 2012 aan haar een uitwonendenbeurs toe te kennen. Tevens wordt verzocht om een proceskostenveroordeling. 3.1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. 3.2. In artikel 1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder thuiswonende studerende wordt verstaan: studerende die niet een uitwonende studerende is. Onder uitwonende studerende wordt verstaan: studerende die voldoet aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. In artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking komt, de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen: a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, en b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven. In artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 is bepaald dat de DUO een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend kan herzien. In het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is bepaald dat herziening plaats vindt op grond van het feit dat een beschikking is genomen waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was. In het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is bepaald dat herziening plaats vindt op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a. In artikel 7.4, eerste, lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat, indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de artikelen 3.27, tweede lid, en 3.29, eerste lid, van de Wsf 2000. 4. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij kampt met financiële problemen als gevolg van de intrekking van haar uitwonendenbeurs. Zij stelt dat zij haar vaste lasten en verdere kosten niet kan voldoen en dat familieleden thans moeten bijspringen. De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk. Ter zitting is voorts door verzoekster voldoende aannemelijk gemaakt dat het maandelijks bij de DUO extra te lenen bedrag van € 168,05, zoals door de DUO voorgesteld, ontoereikend is om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien en dat familieleden dan alsnog zouden moeten bijspringen. De voorzieningenrechter is voldoende gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster heeft studiefinanciering ontvangen naar de norm van een uitwonende student. De DUO is een onderzoek gestart naar verzoeksters feitelijke woonsituatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport Misbruik uitwonendenbeurs (hierna: het rapport) van 22 november 2012. Uit dit rapport blijkt dat de Gemeente Tilburg op 22 november 2012 namens de DUO een huisbezoek heeft verricht op het adres [adres + plaatsnaam]. Voorts heeft [naam medebewoner], medebewoner van dit adres, tijdens dit huisbezoek een verklaring afgelegd. Door de controleurs wordt in hun rapport het volgende gerapporteerd. [naam medebewoner] opent de deur en gaat de controleurs voor in de woning. Het valt op dat er op de trap allemaal potten met verf en klusspullen staan. [naam medebewoner] vertelt dat zijn broer (de hoofdbewoner) bezig is met het opknappen van de woning. Het is inderdaad duidelijk dat er in de woning wordt geklust, want[naam medebewoner] laat twee kamers op de eerste etage zien, maar hierin staan geen meubels en zijn helemaal kaal. [naam medebewoner] verklaart dat zijn broer deze kamers aan het opknappen is en dat hij daarom even tijdelijk bij zijn broer in bed slaapt. De derde kamer mogen de controleurs niet zien, want daar ligt de hoofdbewoner nu nog te slapen. In de kamer van belanghebbende staan geen meubels, maar liggen her en der wel wat kledingstukken van hem en ook hangt er aan de waslijn kleding van mannen. Er hangt nergens vrouwenkleding, er zijn geen vrouwelijke verzorgingsspullen of andere persoonlijke items van belanghebbende aanwezig. Het gesprek wordt beneden aan de eetkamertafel in de woonkamer voortgezet. Ten aanzien van zijn zus, verzoekster, verklaart[naam medebewoner], voor zover van belang, blijkens de rapportage het volgende: “Mijn zus woont hier wel, maar vanwege de verbouwing is zij hier nu niet. Ik denk dat zij bij mijn moeder is. (…) Het klopt dat mijn zus hier nu geen spullen heeft liggen. Ik denk dat mijn zus ongeveer een maand geleden is vertrokken, naar mijn moeder dus. Of het echt een maand geleden is weet ik niet zeker.” In het rapport zijn daarnaast door de controleurs een 17-tal vragen met ‘ja’, ‘nee’, ‘n.v.t.’ of ‘behoeft toelichting’ beantwoord, te weten: 1) Kent de (hoofd en/of mede)bewoner de student?; (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.