RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 666127/11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 augustus 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] wonende te[woonplaats] raadsman mr. Van der Borst, advocaat te Etten-Leur 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 13 augustus 2012 en 23 juli 2013, waarbij respectievelijk de officieren van justitie, mr. Van der Linden en mr. Huizenga, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: meermalen met een persoon tussen de 12 en de 16 jaar, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, dan wel dat hij meermalen met die persoon, die toen nog geen zestien jaar was, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd; meermalen met een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige ontucht heeft gepleegd; meermalen met een persoon beneden de 16 jaar, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd; 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie, mr. Huizenga, is gebleven bij het standpunt dat de officier van justitie op de zitting van 13 augustus 2012 had ingenomen en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair en feit 3 heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. De officier van justitie is de mening toegedaan dat de verhoormethode van de politie niet de schoonheidsprijs verdient en op punten onjuist is geweest, Zij stelt zich echter op het stand-punt dat uit deze omstandigheden niet de conclusie kan worden getrokken dat de verklarin-gen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daarom onbetrouwbaar zijn. Het rapport van dr. Wolters kan naar de mening van de officier van justitie niet in stand blijven, aangezien er vraagtekens zijn te plaatsen bij een aantal argumenten en conclusies en het rapport op punten oppervlak-kig is. Zij acht de eindconclusies die de deskundige trekt met betrekking tot de betrouwbaar-heid van de aangevers dan ook onjuist. De officier van justitie acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wel betrouwbaar. Het feit dat [slachtoffer 2] eerst heeft ontkend dat er met hem ontucht is gepleegd en pas later is gaan verklaren en aangifte heeft gedaan, doet daar, wat haar betreft, niets aan af. Voor de overtuiging acht de officier van justitie zich gesteund in haar standpunt door de manier waarop verdachte [slachtoffer 2] heeft aangesproken toen hij een vermoeden had dat [slachtoffer 1] aangifte zou gaan doen, de inhoud van het sms-je dat verdachte op 12 november 2010 aan [slachtoffer 1] gezonden heeft en de reactie van verdachte tegen de moeder van [slachtoffer 1] toen zij verdachte de brief van [slachtoffer 1] had laten lezen, hetgeen, naar de mening van de officier van justitie, meer een reactie is van iemand die door de mand is gevallen dan van iemand die onschuldig zou zijn. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 1 primair, omdat [slachtoffer 1] wisselend verklaard heeft over het pijpen, en voor feit 2, omdat de tenlastegelegde periode niet juist is. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij -kort gezegd- op het volgende. De informatieve gesprekken met en verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet volgens de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik plaatsgevonden. Na het beluisteren en het bekijken van deze verhoren is de verdediging van mening dat er van neutraliteit en zorgvuldigheid bij de verhoorders geen sprake was. Het opsporingsonderzoek was summier, gebrekkig en onvolledig en de verhoorders waren vooringenomen. De aangevers zijn woorden in de mond gelegd en er zijn suggestieve vragen gesteld. Daarnaast bevatten de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op zich en in onderling verband aantoonbare onjuistheden en tegenstrijdigheden. Op grond hiervan komt de verdediging tot de conclusie dat de verklaringen van de aangevers ongeloofwaardig zijn. De verdediging acht zich hierin gesterkt door het rapport van dr. Wolters die op dezelfde gronden tot deze conclusie is gekomen. De verdediging is van mening dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dan ook niet mogen meewerken tot het bewijs. Dit leidt ertoe dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om de tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren, zodat verdachte van die feiten integraal moet worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank In het procesdossier bevinden zich de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en de verklaring van verdachte. De rechtbank heeft geconstateerd dat in deze zaak door de politie niet volgens de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik is gehandeld. Zo is het informatief gesprek met [slachtoffer 2] niet auditief geregistreerd en is het verhoor van [slachtoffer 1] niet in de vraag en antwoord stijl gerelateerd. De rechtbank hecht juist in dit soort zaken erg aan zorgvuldigheid en genoemde aanwijzing is niet voor niets opgesteld. Voorts blijkt uit de processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat maar beperkt kritische vragen zijn gesteld door de verhorende verbalisanten en dat tijdens het verhoor van [slachtoffer 1] in vergaande mate gebruik is gemaakt van sturende vragen. Met name gelet op dit laatste, vindt de rechtbank het onbegrijpelijk dat de officier van justitie - die ook heeft erkend dat de verhoormethode door de politie niet juist is geweest - geen gevolgen heeft verbonden aan de fouten die zijn gemaakt of op zijn minst nader onderzoek heeft laten verrichten zoals ook door de officier van justitie op de zitting van 13 augustus 2012 gesuggereerd. Wat daarvan zij, de rechtbank komt in ieder geval tot een andere conclusie dan de officier van justitie met betrekking tot de geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Na uitgebreide bestudering van die verklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat die verklaringen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en goeddeels tot stand zijn gekomen op basis van voornoemde onjuiste en sturende verhoortechnieken. Zonder daarbij uitputtend te zijn, geeft de rechtbank hierna enige representatieve voorbeelden op grond waarvan zij mede tot dat oordeel is gekomen. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] komt naar voren dat hij niet kan aangeven hoe vaak het misbruik heeft plaatsgevonden en zelfs niet of het één of zeven keer in de week gebeurd is. Daarnaast weet hij niet meer of hij verdachte gepijpt heeft, maar hij denkt dat het misschien één keer is gebeurd. Er zou sprake zijn van verdringing bij [slachtoffer 1], maar dat acht de rechtbank onaanne-melijk. [slachtoffer 1] kan zich immers, volgens zijn verklaring, wel een specifieke uitspraak van verdachte (“kom maar lekker klaar in mijn mondje”) herinneren en een gebeurtenis in Frankrijk, waarbij verdachte geprobeerd zou hebben zijn penis in de kont van [slachtoffer 1] te duwen. [slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat hij verdachte na het seksueel misbruik in 2005 niet meer aan keek en dat hij verdachte zoveel mogelijk negeerde. Deze verklaring wordt op geen enkele wijze bevestigd in het dossier. De moeder van [slachtoffer 1] heeft over een verandering in het gedrag van [slachtoffer 1] richting verdachte na 2005 niets opgemerkt in haar verklaring. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hem nadat zij naar Frankrijk op vakantie waren geweest niets is opgevallen en dat hij het pas wist sinds eind
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.