RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Procedurenummer AWB 12/4744 t/m 12/4752, 12/4754 t/m 12/4764 en 12/4766 uitspraak van 30 augustus 2013 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd: Procedurenummer Belastingsoort Belastingjaar Aanslagnummer Dagtekening 12/4744 IB/PVV 1991 [nummer].H18 30-06-03 12/4745 IB/PVV 1992 [nummer].H28 30-06-03 12/4746 IB/PVV 1993 [nummer].H38 30-06-03 12/4747 IB/PVV 1994 [nummer].H48 30-06-03 12/4748 IB/PVV 1995 [nummer].H57 30-10-04 12/4749 IB/PVV 1996 [nummer].H67 16-07-03 12/4750 IB/PVV 1997 [nummer].H77 16-07-03 12/4751 IB/PVV 1998 [nummer].H87 16-07-03 12/4752 IB/PVV 1999 [nummer].H97 16-07-03 12/4754 IB/PVV 2000 [nummer].H07 16-07-03 12/4755 IB/PVV 2002 [nummer].H26 04-11-05 12/4756 IB/PVV 2003 [nummer].H36 30-10-06 12/4757 VB 1992 [nummer].K28 30-06-03 12/4758 VB 1993 [nummer].K38 30-06-03 12/4759 VB 1994 [nummer].K48 30-06-03 12/4760 VB 1995 [nummer].K58 30-06-03 12/4761 VB 1996 [nummer].K67 04-07-03 12/4762 VB 1997 [nummer].K77 01-07-03 12/4763 VB 1998 [nummer].K87 01-07-03 12/4764 VB 1999 [nummer].K97 01-07-03 12/4766 VB 2000 [nummer].K08 01-07-03 1.2. Daarbij zijn voor de jaren tot en met 1997 verhogingen vastgesteld en voor de latere jaren boetes opgelegd (daar waar hierna gesproken wordt over boetes is ook bedoeld verhogingen). Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.3. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.4. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 juli 2012 de (navorderings)aanslagen verminderd evenals de boetes en de heffingsrente. 1.5. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 10 september 2012, ontvangen bij de rechtbank op 10 september, beroep ingesteld. 1.6. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. 1.7. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.8. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. 1.9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2013 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de inspecteur, [verweerder]. Het beroep met procedurenummer 13/1869 is gelijktijdig behandeld. 1.10. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. 1.11. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak is verzonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende is in 1967 in Duitsland gehuwd met [Y], die zich in Nederland heeft in laten schrijven onder de naam van haar man. Een van de kinderen van belanghebbende en zijn vrouw is [zoon]. 2.2. Op 27 oktober 2000 zijn kopieën van microfiches met gegevens over rekeningen die in 1994 werden gehouden bij de Kredietbank Luxemburg te Luxemberg (hierna: KBL) verstrekt door de Belgische autoriteiten op basis van richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen aan het ministerie van Financiën. Het betrof informatie van Nederlandse rekeninghouders bij KBL en het saldo van door hen daar aangehouden rekeningen op 31 januari 1994. 2.3. De FIOD-ECD en de Belastingdienst zijn vervolgens een onderzoek gestart dat later bekend is geworden onder de naam Rekeningenproject. 2.4. Twee van de afdrukken van genoemde microfiches vermelden het volgende: 55-[rekeningnummer 1]-0000 00 0060 TER LDO [X - Y] OU [zoon] 122.185,82 55-[rekeningnummer 2]-0000 00 1001 VUE [X - Y] OU [zoon] -6.332,00 2.5. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 14 november 2002 belanghebbende geïnformeerd dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat belanghebbende houder is (geweest) van een buitenlandse bankrekening. De inspecteur heeft belanghebbende voorts gevraagd opgave te doen van de door hem na 1 januari 1990 aangehouden bankrekeningen middels een bijgesloten “verklaring buitenlandse bankrekeningen”. De inspecteur heeft daarbij belanghebbende gewezen op diens informatieplicht en op de sanctie van omkering van de bewijslast indien niet volledig aan de verplichting tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen wordt voldaan. 2.6. Belanghebbende heeft deze verklaring met dagtekening 21 november 2002 oningevuld naar de inspecteur retour gezonden. Deze verklaring is op 22 november 2002 bij de inspecteur binnengekomen. 2.7. De inspecteur heeft bij brief van 27 november 2002 belanghebbende nogmaals verzocht opgave te doen van in het buitenland aangehouden rekeningen. Belanghebbende heeft met dagtekening 2 december 2002 de inspecteur medegedeeld vóór en na 1990 geen bankrekeningen in het buitenland te hebben aangehouden. Deze verklaring is op 4 december 2002 bij de inspecteur binnengekomen. 2.8. De inspecteur heeft bij brief van 4 december 2002 belanghebbende medegedeeld belastingaanslagen op te gaan leggen vanwege in het buitenland aangehouden rekeningen. 2.9. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 10 december 2002 de inspecteur medegedeeld dat hij vermoedt dat sprake is van een persoonsverwisseling en heeft de inspecteur verzocht om opheldering. 2.10. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 18 december 2002 medegedeeld dat de gegevens waarover de inspecteur beschikt opnieuw onderzocht zullen worden. 2.11. [verbalisant], verbalisant van de FIOD-ECD/kantoor Haarlem, heeft op 3 maart 2003 een proces-verbaal opgesteld waarin hij ambtsedig heeft verklaard (voor zover hier van belang): “Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende: 1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam: [X - Y] OU [zoon]. 2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [X], gehuwd met [Y]. 3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [X], geboren op [datum]-1940, met sofinummer [sofinummer 1], op hetzelfde adres woont als [moeder Y], geboren op [datum]-1911. Volgens informatie van de Belastingdienst is [moeder Y] de moeder van mevrouw [Y]. [Y] heeft bij haar huwelijk in Duitsland haar meisjesnaam laten vervallen en heeft zich in Nederland laten inschrijven onder de naam van haar man [X]. [Y] ([X]) is geboren op [datum]-1940 en heeft sofinummer [sofinummer 2]. 4. [X - Y] hebben een kind met de naam [zoon], geboren op [datum]-1969, met sofinummer [sofinummer 3]. Hij is vermoedelijk de 3e rekeninghouder. 5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per [datum] 1969.” 2.12. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 2 april 2003 medegedeeld dat uit voornoemd onderzoek (opnieuw) is gebleken dat belanghebbende in het buitenland spaartegoeden heeft of heeft aangehouden. 2.13. De inspecteur heeft bij brief van 29 april 2003 belanghebbende in kennis gesteld van het voornemen navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting 1991 tot en met 2000 en vermogensbelasting 1992 tot en met 2000. De inspecteur heeft tevens boetes aangekondigd van 100% van de na te vorderen belasting. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld op de brief te reageren. Bij de brief was een overzicht gevoegd met daarin vermeld de correctiebedragen, de bedragen aan heffingsrente en de boetebedragen. 2.14. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 11 juni 2003 belanghebbende medegedeeld dat hij de navorderingsaanslagen en boetes over de jaren 1991 tot en met 2000 zou opleggen (zie 2.13). 2.15. Met dagtekening 30 juni 2003 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1994 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1995 opgelegd. Op 3 juli 2003 is het door belanghebbende zelf opgestelde bezwaarschrift daartegen bij de inspecteur binnengekomen. 2.16. Met dagtekening 1 juli 2003 zijn de navorderingsaanslagen VB 1997 tot en met 2000 opgelegd, met dagtekening 4 juli 2003 is de navorderingsaanslag VB 1996 opgelegd en met dagtekening 16 juli 2003 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 2000 opgelegd. Het door belanghebbende zelf opgestelde bezwaar daartegen is bij de inspecteur binnengekomen op 24 juli 2003. 2.17. De navorderingsaanslag IB/PVV 1995 is opgelegd met dagtekening 30 oktober 2004 en het bezwaar daartegen is ontvangen door de inspecteur op 5 november 2004. Ook dit bezwaar is door belanghebbende zelf opgesteld. 2.18. De inspecteur heeft in een brief met dagtekening 2 november 2005 belanghebbende medegedeeld af te wijken van diens aangifte IB/PVV over 2002 in verband met een correctie van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De aanslag is met dagtekening 4 november 2005 opgelegd. Namens belanghebbende is hiertegen bij brief van de gemachtigde van 17 november 2005 bezwaar gemaakt. 2.19. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 7 september 2006 belanghebbende medegedeeld af te wijken van dienst aangifte IB/PVV 2003 in verband met een correctie van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gemachtigde heeft namens belanghebbende bij brief van 18 september 2006 met verzoek tot toepassing van artikel 6:10 van de Awb bezwaar gemaakt tegen de aanslag 2003. Deze aanslag is met dagtekening 30 oktober 2006 opgelegd. 2.20. Belanghebbende is akkoord gegaan met de door de inspecteur voorgestelde aanhouding van de bezwaren tot op de zogenoemde NautaDutilh procedures onherroepelijk is beslist. 2.21. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 1 mei 2012 bericht de bezwaren af te gaan wikkelen. 2.22. Belanghebbende is in het bijzijn van de gemachtigde op 24 mei 2012 gehoord. De inspecteur heeft van dit gesprek een verslag opgesteld. 2.23. De inspecteur heeft bij de uitspraken belanghebbende deels in het gelijk gesteld en alle (navorderings)aanslagen, boetes en de heffingsrente verminderd. De betreffende aanslagen en beschikkingen luidden na bezwaar: Belastingsoort Jaar Aanslag Vastgesteld belastbaar inkomen/vermogen Boete Heffingsrente IB/PVV 1991 [nummer].H18 f 151.814 f 13.137 f 6.420 IB/PVV 1992 [nummer].H28 f 158.963 f 13.066 f 5.413 IB/PVV 1993 [nummer].H38 f 143.839 f 12.954 f 4.551 IB/PVV 1994 [nummer].H48 f 120.042 f 9.391 f 2.778 IB/PVV 1995 [nummer].H57 f 115.703 f 9.449 f 2.478 IB/PVV 1996 [nummer].H67 f 132.342 f 11.503 f 2.927 IB/PVV 1997 [nummer].H77 f 129.431 f 11.690 f 2.755 IB/PVV 1998 [nummer].H87 f 137.941 f 11.043 f 2.154 IB/PVV 1999 [nummer].H97 f 159.264 f 17.051 f 2.687 IB/PVV 2000 [nummer].H07 f 150.967 f 15.188 f 1.705 IB/PVV 2002 [nummer].H26 € 12.481 (box 3) € 2.613 € 346 IB/PVV 2003 [nummer].H36 € 13,662 (box 3) € 2.686 € 391 VB 1992 [nummer].K28 f 397.000 f 1.773 f 866 VB 1993 [nummer].K38 f 378.000 f 1.619 f 670 VB 1994 [nummer].K48 f 394.000 f 1.651 f 580 VB 1995 [nummer].K58 f 374.000 f 1.370 f 405 VB 1996 [nummer].K67 f 375.000 f 1.357 f 355 VB 1997 [nummer].K77 f 419.000 f 1.619 f 381 VB 1998 [nummer].K87 f 505.000 f 1.478 f 288 VB 1999 [nummer].K97 f 556.000 f 1.736 f 273 VB 2000 [nummer].K08 f 447.000 f 1.103 f 123 3Geschil 3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de (navorderings)aanslagen, de boetes en de heffingsrente terecht en tot op de juiste bedragen zijn opgelegd. 3.2. Meer in het bijzonder zijn de volgende vragen in geschil: 3.2.1. Heeft de inspecteur bij het doen van de uitspraken op bezwaar voldoende zorgvuldig gehandeld? 3.2.2. Is het gebruik van de microfiche rechtmatig? 3.2.3. Is belanghebbende terecht als rekeninghouder geïdentificeerd? 3.2.4. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen? 3.2.5. Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en zo ja, is er sprake van een redelijke schatting? 3.2.6. Zijn de boetes terecht opgelegd en tot het juiste bedrag vastgesteld? Is er reden tot matiging van de boete? 3.2.7. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van geleden immateriële schade? 3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen ter zitting en in de van hen afkomstige stukken zijn aangevoerd. 3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, vermindering van de aanslagen 2002 en 2003, vernietiging dan wel vermindering van de beschikkingen heffingsrente en vernietiging van de boetebeschikkingen. 3.5. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar tegen de boetebeschikkingen, vermindering van de boetes en handhaving van de (navorderings)aanslagen en van de beschikkingen heffingsrente. 4Beoordeling van het geschil Zorgvuldigheid bij de uitspraken op bezwaar 4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur onzorgvuldig is geweest bij het doen van uitspraken op bezwaar door deze te vervatten in standaardbrieven waarbij geen sprake was voor persoonlijke afdoening. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraken van de inspecteur voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de inspecteur, alvorens uitspraken te doen, belanghebbende een concept van de voorgenomen uitspraken heeft toegezonden en dat belanghebbende op zijn verzoek is gehoord, waarvan ook een verslag is gemaakt. Dat de uitspraken grotendeels standaardoverwegingen bevatten, leidt niet tot het oordeel dat belanghebbende hierdoor in zijn belangen is geschaad. Belanghebbende stelling faalt. Rechtmatig gebruik van de microfiche 4.2.1. Belanghebbende stelt dat het door de inspecteur gebezigde bewijs waaruit is afgeleid dat belanghebbende beschikt over bankrekeningen bij KBL, ontoelaatbaar is en dat de (navorderings)aanslagen en beschikkingen om die reden dienen te worden vernietigd. Hiertoe voert belanghebbende – zakelijk weergegeven – het volgende aan. Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel om belanghebbende op basis van die gegevens aan te slaan nu in België het gebruik daarvan voor belastingaanslagen onrechtmatig is verklaard en Belgische ingezetenen daarom niet aangeslagen worden. Voorts voert belanghebbende aan dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nu belanghebbende geschaad wordt door het gebruik van bedoeld bewijsmateriaal dat is verkregen door normschendingen die niet tegen hem waren gericht. 4.2.2. De rechtbank stelt voorop dat het gelijkheidsbeginsel, zoals zich dat ontwikkeld heeft in de jurisprudentie, niet inhoudt dat in Nederland wonende belastingplichtigen door de Nederlandse fiscus op gelijke wijze dienen te worden behandeld als in het buitenland wonende belastingplichtigen door de buitenlandse fiscus. Iedere staat is autonoom in de wijze waarop hij vormgeeft aan de belastingheffing van haar ingezetenen. In die zin kan in het onderhavige geval geen sprake zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel. 4.2.3. De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 maart 2008 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BA8179) bevestigd dat de michrofiches, ook indien zij in België onrechtmatig zouden zijn verkregen, in de Nederlandse fiscale procedures mogen worden gebruikt. De rechtbank ziet geen reden om in dit geval van dat arrest af te wijken. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de inspecteur, zoals blijkbaar de Belgische overheidsdienaren, op enigerlei wijze direct of indirect betrokken is geweest bij de diefstal of de verduistering van microfiches van KBL of op enige andere wijze frauduleus gedrag van ex-werknemers van KBL heeft geïnitieerd of gefaciliteerd (vergelijk Hof Amsterdam 23 september 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BN8625). 4.2.4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat aan belanghebbende het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door de Nederlandse belastingautoriteiten en de Nederlandse rechter is ontnomen of dat zodanig in strijd is gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur dat het gebruik van de verkregen gegevens ontoelaatbaar is. Belanghebbendes stelling faalt derhalve. De identificatie 4.3.1. De rechtbank stelt voorop dat de op de microfiches vermelde informatie omtrent de rekeninghouder zeer summier is. De informatie is zo summier dat naar het oordeel van de rechtbank extra zorgvuldigheid geboden is bij de identificatie van de vermelde rekeninghouders. Voorkomen moet immers worden dat personen, wier gegevens wel overeenkomen met de vermelde informatie maar die met KBL niets van doen hebben, met aanslagen en boeten worden geconfronteerd. 4.3.2. Belanghebbende heeft ontkend en blijft ontkennen rekeninghouder te zijn (geweest) van de bankrekening. Volgens hem is de identificatie onjuist geweest en berust die op een persoonsverwisseling. De inspecteur op wie de bewijslast rust de juistheid van de identificatie aannemelijk te maken heeft verwezen naar het ambtsedig opgestelde proces-verbaal bedoeld in 2.11. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van achternamen tezamen met de voorletter van belanghebbende en de medevermelding van de voorletter en achternaam van een van belanghebbendes kinderen zo specifiek is dat de inspecteur daarmee in zijn bewijslast is geslaagd. Er is geen reden om aan te nemen dat de vermelding op het microfiche op enig andere persoon dan belanghebbende of diens echtgenote (en hun kind) kan slaan. Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbendes echtgenote zich in Nederland niet onder haar meisjesnaam maar onder de naam Van den Berg heeft laten inschrijven. Dit brengt immers niet automatisch met zich mee dat belanghebbendes echtgenote zich bij KBL niet met haar meisjesnaam heeft bekend kunnen maken. Aan dit oordeel doet ook niet af dat de schoonmoeder van belanghebbende, [moeder Y], vanaf 1999 ook op belanghebbendes adres in Nederland was ingeschreven. Zij droeg immers niet de naam [X] dus er is geen enkele reden om aan te nemen dat de rekening feitelijk van haar zou zijn. 4.3.3. Belanghebbende heeft ten aanzien van de identificatie nog gesteld dat KBL desgevraagd geweigerd heeft hem inlichtingen over de bankrekening te verschaffen. Hij heeft daar echter geen bewijs voor bijgebracht. Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat hij bij de dossierinzage bij de inspecteur meer afdrukken van de microfiche heeft gezien met de naam [X] en dat mogelijk sprake is van identiteitsfraude. De rechtbank acht niet aannemelijk dat van identiteitsfraude sprake is. Daarvoor is, zoals hiervoor is overwogen, de naamsvermelding op de microfiche te specifiek. Aan dit oordeel doet niet af dat er mogelijk meer personen zijn met de naam [X] die een bankrekening aanhielden bij KBL en op de microfiches zijn vermeld. 4.3.4. Al het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat belanghebbende of zijn echtgenote op 31 januari 1994 houder is geweest van de vermelde bankrekeningen bij KBL. Voortvarendheid 4.4.1. Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen IB over 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1997, niet met de vereiste voortvarendheid heeft gehandeld. Immers, zo voert belanghebbende aan, de inspecteur beschikte al in november 2002 over de benodigde gegevens en heeft pas vanaf 30 juni 2003 de navorderingsaanslagen opgelegd. 4.4.2. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.