Uitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: AWB 12/3582 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2013 in de zaak tussen (naam persoon), te (woonplaats), eiser, gemachtigde: mr. A.M.T.A. Verhagen, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Werkendam, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: (naam persoon), te (woonplaats), vergunninghouder. Procesverloop Op 6 december 2011 heeft vergunninghouder aan verweerder gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een hoofdgebouw. Verweerder heeft het voornemen tot toewijzing van de aanvraag van 6 december 2011 en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage gelegd, met de mededeling dat belanghebbenden tot 6 april 2012 zienswijzen naar voren kunnen brengen. Op 4 april 2012 heeft eiser een schriftelijke zienswijze naar voren gebracht. Bij besluit van 11 juni 2012 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder de op 6 december 2012 gevraagde vergunning verleend. Op 18 juli 2012 heeft eiser beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Op 12 oktober 2012 heeft eiser tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek staat bekend onder zaaknummer 12/5331 VV. In zijn uitspraak van 6 november 2012 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, door het bestreden besluit te schorsen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. De gemachtigde van eiser was daarbij aanwezig. Verweerder liet zich vertegenwoordigen door ing. (naam persoon) en (naam persoon). Ook vergunninghouder voerde ter zitting het woord. Overwegingen 1. Vergunninghouder heeft de eigendom van een perceel aan de (adres) te (woonplaats). Op dit perceel staan twee woningen, nummer 42 en 44. Vergunninghouder wil het pand (adres) uitbreiden in de richting van de dijk. Met het oog hierop heeft hij op 6 december 2011 aan verweerder gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Verweerder heeft de aanvraag tevens aangemerkt als een verzoek om verlening van een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, en voor het verstoren van een beschermd monument. Daartoe heeft hij verwezen naar het indertijd ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kern Hank”, en naar het gegeven dat het pand (naam adres) is aangewezen als beschermd rijksmonument. Verweerder heeft ervoor gekozen om toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Daarom heeft hij de beslissing op de aanvraag van 6 december 2011 – gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo – voorbereid met behulp van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (hierna: uov) als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De zienswijze van eiser heeft voor verweerder geen aanleiding gevormd om af te wijken van zijn voornemen tot het honoreren van de aanvraag van 6 december 2011. Dit heeft geleid tot het bestreden besluit, waarbij verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a (bouwen van een bouwwerk), c (gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan) en f (verstoren van een beschermd monument), van de Wabo heeft verleend. Aan deze vergunning zijn vijf nader omschreven voorschriften verbonden. 2. Eiser woont op het perceel (adres) te (woonplaats), en kan vanuit zijn woning zowel het bestaande hoofdgebouw van (adres) als de beoogde uitbreiding ervan (hierna: de uitbreiding) zien. Eiser vreest dat zijn woongenot door de uitbreiding zal worden aangetast, en met name dat zijn uitzicht onevenredig zal worden beperkt. Daarom streeft hij naar vernietiging van het bestreden besluit en uiteindelijk de definitieve afwijzing van de aanvraag. Eiser ondersteunt zijn standpunt dat het bestreden besluit rechtens geen stand kan houden in hoofdzaak met het betoog dat de door verweerder toegestane afwijking van het bestemmingsplan “Kern Hank” zich niet verdraagt met een goede ruimtelijke onderbouwing, en met het argument dat het bouwplan van 6 december 2011 in strijd komt met redelijke eisen van welstand. 3. De rechtbank oordeelt allereerst ambtshalve dat verweerder ten onrechte artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 3, van de Wabo heeft gebruikt als grondslag voor de afwijking van het bestemmingsplan “Kern Hank”. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Partijen zijn het erover eens – en ook de rechtbank constateert – dat het bouwplan van 6 december 2011 in strijd komt met het bestemmingsplan “Kern Hank”, en dat verweerder de aanvraag – ingevolge artikel 2.10, tweede lid,van de Wabo – terecht tevens heeft aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 2.12, eerste lid, van die wet. De rechtbank kwalificeert de uitbreiding als een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van bijlage II die behoort bij het Besluit omgevingsrecht. Zij neemt – onder verwijzing naar de uitspraak van 22 september 2010 met zaaknummer 09/4506, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend – namelijk als vaststaand aan dat het pand (adres) is gelegen binnen de bebouwde kom. Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder op zichzelf bevoegd is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 2, van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan. Op basis van die conclusie oordeelt de rechtbank dat verweerder artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 3, van de Wabo niet had mogen gebruiken als grondslag voor afwijking van het bestemmingsplan “Kern Hank”. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beslissing tot toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 2, van de Wabo moet worden voorbereid met behulp van een reguliere procedure als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wabo, en dat het niet tijdig beslissen op een aanvraag met zo’n strekking – gelet op het bepaalde in artikel 3.9 van de Wabo – kan leiden tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De rechtbank voelt zich in het zojuist geformuleerde oordeel gesteund door de (indertijd) vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) over de verhouding tussen de artikelen 19, eerste, tweede en derde lid, van de (inmiddels vervallen) Wet op de Ruimtelijke Ordening. In zoverre verwijst de rechtbank onder meer naar de uitspraak van de ABRvS van 21 januari 2004 (LJN: AO1988). De rechtbank ziet reden om die jurisprudentie van (overeenkomstige) toepassing te achten op het regime van de Wabo. 4. Vervolgens oordeelt de rechtbank ambtshalve dat verweerder de beslissing op de aanvraag ten onrechte met behulp van de uov heeft voorbereid. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Uit zowel het stelsel als de parlementaire geschiedenis van de Wabo moet redelijkerwijs worden geconcludeerd dat de reguliere procedure verplicht tot het nemen van een primair besluit en het volgen van een bezwaarschriftprocedure als bedoeld in afdeling 7.2 van de Awb. Ter ondersteuning van die conclusie wijst de rechtbank erop dat het volgen van de reguliere procedure krachtens artikel 3.9 van de Wabo kan leiden tot een omgevingsvergunning van rechtswege, terwijl artikel 3:10, vierde lid, van de Awb juist uitsluit dat een met behulp van de uov voorbereide vergunning van rechtswege ontstaat. Het voorbereiden van een beslissing op een verzoek om toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder s sub 2 met behulp van de uov leidt dus mogelijkerwijs tot verwarring, en tot de onjuiste gedachte dat met het volgen van de uov valt te ontkomen aan de consequenties die artikel 3.9 van Wabo aan het niet tijdig beslissen op aanvragen verbindt. Op basis van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit een gebrek kent. Daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. 5. In het verlengde van rechtsoverweging 4 oordeelt de rechtbank ambtshalve dat verweerder niet tijdig op de aanvraag van 6 december 2011 heeft beslist. Daartoe overweegt de rechtbank dat tussen de ontvangst van de aanvraag door verweerder en de bekendmaking van het bestreden besluit een periode van meer dan acht weken zit, en dat geen aanleiding bestaat tot de veronderstelling dat de termijn voor het beslissen op de aanvraag tijdig is opgeschort of verlengd. Op basis hiervan concludeert de rechtbank het volgende. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was verweerder niet langer bevoegd om inhoudelijk op de aanvraag van 6 december 2011 te beslissen. Dit vloeit voort uit vaste jurisprudentie van de ABRvS over de situatie na het ontstaan van een besluit van rechtswege, en uit de parlementaire geschiedenis van artikel 4:20b van de Awb. De bekendmaking van het bestreden besluit kan worden aangemerkt als de bekendmaking van het feit dat de op 6 december 2011 gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven. In zoverre verwijst de rechtbank naar het bepaalde in artikel 3.9, derde en vierde lid, van de Wabo en artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het bestreden besluit ook in een huis-aan-huisblad – overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wabo – is gepubliceerd. Eiser heeft de rechtmatigheid van de zojuist aangeduide omgevingsvergunning van rechtswege (hierna: vergunning van rechtswege) binnen de zeswekentermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb ter discussie gesteld. Het beroepschrift is immers binnen zes weken na 11 juni 2012 ter post bezorgd. 6. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb moet eiser tegen de vergunning van rechtswege eerst bezwaar maken, alvorens hij beroep bij de rechtbank kan instellen. Alle partijen hebben de rechtbank ter zitting echter – onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:1a van de Awb – verzocht om het op 18 juli 2012 door eiser ingestelde rechtsmiddel aan te merken als een ontvankelijk rechtstreeks beroep. De rechtbank honoreert het verzoek van partijen. De rechtbank acht de zaak namelijk geschikt voor beroep, en overweegt daartoe het volgende. Het bestreden besluit is voorbereid met een procedure die qua strekking identiek is aan de bezwaarschriftprocedure, nu ook de uov is bedoeld om het bestuursorgaan zijn oorspronkelijke standpunt volledig en ex nunc te laten heroverwegen op grondslag van kritiek van belanghebbenden op dat standpunt. In het verlengde hiervan acht de rechtbank niet aannemelijk dat belanghebbenden door de handelwijze van verweerder zijn benadeeld. Het volgen van de uov heeft omwonenden van het pand (adres) immers geen kansen ontnomen om ten overstaan van verweerder te betogen dat de aanvraag moet worden afgewezen. 7. De rechtbank oordeelt op grondslag van de door eiser aangevoerde beroepsgronden of de vergunning van rechtswege stand kan houden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De vergunning van rechtswege wordt niet gedragen door een voor derden kenbare motivering. Dit gegeven klemt temeer, aangezien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.