RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Procedurenummer: AWB 11/4322 Uitspraakdatum: 1 februari 2013 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo, de inspecteur. Betreft Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten betreffende het beroep tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PH) over 1991, met aanslagnummer [nummer]. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2013 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde mr. [gem[kantoor], verbonden aan Advocatenkantoor [kantoor] te [plaats], en namens de inspecteur, drs. [gemachtigde] en mr. [gemachtigde]. Gelijktijdig zijn behandeld de zaken met procedurenummers 11/4322 tot en met 11/4327. 1. Beslissing De rechtbank: - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 257,43; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 166,66. 2. Gronden 2.1. Aan belanghebbende is in het kader van het rekeningenproject (KB-LUX) op 30 oktober 2001 door de Belastingdienst/FIOD-ECD een vordering ingevolge artikel 81 van de AWR uitgereikt. Belanghebbende heeft tijdens een telefonisch onderhoud met de Belastingdienst op 7 november 2001 meteen bekend rekeninghouder te zijn bij de KB-LUX alsook rekeninghouder te zijn bij de UBS-bank te Zwitserland. 2.2. Bij brieven van 27 november 2001 en 28 december 2001 heeft belanghebbende informatie verstrekt met betrekking tot de in 2.1 genoemde aangehouden buitenlandse spaartegoeden. 2.3. Op 26 februari 2002 is een ambtsedige verklaring opgemaakt ter zake van de uitgereikte en ingediende aangiften inkomsten- en vermogensbelasting over de jaren 1994 tot en met 1999 van belanghebbende, waarna op 28 februari 2002 het proces-verbaal door de Belastingdienst/FIOD-ECD is opgemaakt inclusief de berekeningen van het te weinig geheven bedrag aan IB/PH en vermogensbelasting (hierna: VB) . 2.4. Met dagtekening 31 december 2002 is de navorderingsaanslag IB/PH over het jaar 1990 evenals de navorderingsaanslag VB over het jaar 1991 opgelegd. 2.5. Bij brief van 17 april 2003 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen over de jaren 1991 tot en met 1993 navorderingsaanslagen IB/PH en VB op te leggen. 2.6. Met dagtekening 31 mei 2003 zijn de navorderingsaanslagen IB/PH over de jaren 1991 tot en met 1993 en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1992 tot en met 1994 opgelegd. 2.7. Belanghebbende heeft bij brief van 2 juni 2003, die door de inspecteur is ontvangen op 5 juni 2003, bezwaar gemaakt tegen de in 2.6 genoemde navorderingsaanslagen. 2.8. Bij brief van 11 juni 2003 heeft de inspecteur de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en in dezelfde brief aan belanghebbende medegedeeld dat de termijn voor afdoening van het bezwaar op grond van het toentertijd geldende artikel 25, eerste lid, van de AWR, een jaar is. Gelijktijdig heeft de inspecteur aangegeven voorlopig nog geen uitspraak te willen doen op het bezwaar, aangezien hij de uitkomst van een aantal relevante procedures af wil wachten. 2.9. Bij brief van 1 juni 2004 heeft de inspecteur aangekondigd de bezwaarschriften af te handelen, tenzij belanghebbende instemt met aanhouding van de bezwaarschriften in afwachting van de beroepsprocedure die op basis van een protocol wordt gevoerd door [X] en de Belastingdienst. 2.10. Bij brief van 3 juni 2004 heeft belanghebbende ingestemd met aanhouding van de bezwaarschriften. 2.11. Op 26 februari 2010 heeft de Hoge Raad de door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) in het arrest Passenheim en Passenheim-van der Schoot gegeven oordeel nader gepreciseerd. Op dat moment was onherroepelijk beslist in het kader van het Nauta-protocol. 2.12. Bij brief van 20 oktober 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld de bezwaarschriften te zullen afhandelen. Bij brief van 29 oktober 2010 heeft belanghebbende op voornoemde brief gereageerd en in die brief het standpunt ingenomen dat de inspecteur niet voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de in 2.6 genoemde navorderingsaanslagen. 2.13. Bij brief van 24 maart 2011 heeft belanghebbende de inspecteur gerappelleerd uitspraak op bezwaar te doen. 2.14. Bij brief van 22 juni 2011 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld ter zake van het niet doen van uitspraak op bezwaar. 2.15. Bij brief van 4 juli 2011, met als onderwerp “kennisgeving bij de uitspraak op het bezwaarschrift”, heeft de inspecteur geconcludeerd dat de navorderingsaanslagen ongeveer een jaar na ontvangst van het proces-verbaal zijn vastgesteld en er sprake is van voldoende voortvarendheid. Het door de FIOD-ECD opgemaakte proces verbaal van 28 februari 2002 was niet meteen beschikbaar voor de inspecteur. Volgens de inspecteur duurt het enige maanden voordat het betreffende stuk naar hem wordt doorgestuurd aangezien het proces verbaal eerst naar de Officier van Justitie gaat ter beoordeling voor vervolging van de verdachte. Met dagtekening 30 juli 2011 heeft de inspecteur ten aanzien van de in 2.6 genoemde navorderingsaanslagen uitspraak op bezwaar gedaan. 2.16. Bij brief van 18 augustus 2011, door de rechtbank ontvangen op 19 augustus 2011, heeft belanghebbende beroep ingesteld. 2.17. Bij brief van 22 augustus 2011 heeft de rechtbank aan belanghebbende gevraagd of hij geïnteresseerd is het geschil op te lossen door middel van mediation. Bij brief van 8 september 2011 heeft de rechtbank belanghebbende medegedeeld dat niet door alle partijen is gekozen voor mediation en de behandeling van het beroep derhalve wordt voortgezet. 2.18. Bij brief van 8 september 2011 heeft de rechtbank de inspecteur verzocht binnen vier weken de stukken in te dienen die betrekking hebben op de zaak alsook een verweerschrift in te dienen. 2.19. Bij brief van 19 oktober 2011 deelt de inspecteur de rechtbank mee dat hij afziet van het indienen van een verweerschrift aangezien alsnog aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet wordt gekomen. De betwiste navorderingsaanslagen zullen daarbij ongedaan worden gemaakt. Bij afzonderlijke brief van 19 oktober 2011 heeft de inspecteur het voorgaande eveneens medegedeeld aan belanghebbende en daarbij belanghebbende verzocht de beroepschriften bij de rechtbank in te trekken. De rechtbank heeft voornoemde twee brieven van de inspecteur op 4 november 2011 naar belanghebbende doorgestuurd en een intrekkingsverklaring en een formulier proceskosten als bijlagen bijgevoegd. 2.20. Bij brief van 9 november 2011, door de rechtbank ontvangen op 10 november 2011, heeft belanghebbende de beroepen ingetrokken en daarbij primair verzocht de inspecteur te veroordelen in de werkelijke proceskostenvergoeding. Subsidiair heeft belanghebbende verzocht de inspecteur te veroordelen tot een proceskostenvergoeding volgens het Besluit proceskosten Bestuursrecht (hierna: het Besluit), rekening houdende met een wegingsfactor 2. 2.21. In geschil is: 1. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke kosten? Ter zitting heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten voor het instellen van het beroep. Zo nee, 2. Heeft belanghebbende recht op de forfaitaire proceskostenvergoeding volgens het Besluit met een wegingsfactor 2? 3. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding en zo ja, tot welk bedrag? Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend, de inspecteur ontkennend. Integrale proceskostenvergoeding 2.22.1. Op grond van artikel 2, derde lid van het Besluit kan van de forfaitaire vergoedingsvaststelling worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de Hoge Raad is voor toepassing van het derde lid grond als het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat de beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vergelijk Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41.235, BNB 2007/260). In het onderhavige geval stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur bij het doen van uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslagen tegen beter weten in heeft gehandhaafd aangezien tijdens de bezwaarfase al duidelijk was dat de in 2.6 genoemde navorderingsaanslagen onvoldoende voortvarend waren opgelegd, gelet op de omstandigheid dat de inspecteur in februari 2002 al over alle relevante informatie beschikte voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen. 2.22.2. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, LJN BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.