RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/810673-11 Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] raadsman: mr. Anker, advocaat te Breda 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 april 2013. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. Speekenbrink, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 februari 2011 mevrouw [slachtoffer] heeft aangerand. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte [slachtoffer], de foto’s van het letsel [slachtoffer], het NFI-rapport en de ter zitting gegeven toelichting door de deskundige [naam deskundige]. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit, omdat geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe voert de raadsman aan dat verdachte zich niet kan herinneren het feit te hebben gepleegd en dat de aangifte en het NFI-rapport tezamen onvoldoende bewijs opleveren, nu ander tactisch of technisch bewijs ontbreekt. Daar komt bij dat het openbaar ministerie en de politie in strijd hebben gehandeld met de geldende regels voor het veiligstellen van sporen, welke omstandigheid niet genegeerd mag worden, aldus de raadsman. Daarnaast betoogt hij dat alternatieve scenario’s niet zijn uit te sluiten. Gelet op dit alles meent de raadsman dat er een te grote kans bestaat dat zijn cliënt onschuldig is en dat hij om die reden vrijgesproken dient te worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 9 februari 2011 omstreeks 6:40 uur verlaat [slachtoffer] via de achterzijde haar woning gelegen aan het adres [adres]. Zij pakt haar fiets uit de schuur en loopt met de fiets door de tuinpoort naar de brandgang. In de brandgang stapt zij op haar fiets en fietst weg. Vervolgens ziet zij in de brandgang een man met zijn rug en armen tegen de muur aan staan. Bij het voorbij fietsen van deze man voelt [slachtoffer] dat de man aan haar sjaal trekt. Vervolgens voelt zij dat de man haar op haar rug vastpakt bij haar jas. De man rukt [slachtoffer] van haar fiets, waardoor zij met haar hoofd tegen de muur aanklapt. De man staat achter haar en omklemt haar met beide armen. Hij betast het lichaam [slachtoffer] met zijn rechterhand. Hij wrijft gedurende 15 tot 30 seconden hardhandig over haar buik, alsmede over de binnen- en buitenkant van haar bovenbenen en haar kruis. [slachtoffer] heeft ten gevolge van de val tegen de muur letsel opgelopen boven haar oog. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat [slachtoffer] op 9 februari 2011 te Etten-Leur is aangerand door een man, op de wijze als hiervoor omschreven. De vervolgvraag is of verdachte degene is geweest die de aanranding heeft gepleegd. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende. Op 9 februari 2011 is onder meer de zwarte broek [slachtoffer], die zij droeg ten tijde van de aanranding, in beslag genomen door de politie voor nader onderzoek. Aan deze broek is door de politie het voorwerpnummer eindigend op 461563 gekoppeld. De broek is vervolgens op 16 februari 2011 afgegeven bij de Unit Forensisch Technisch Onderzoek (FTO) en is daar voorzien van het unieke SIN-zegel AADA2129NL. De broek is hierna op 15 september 2011 overgebracht naar het NFI voor DNA-onderzoek. Het NFI heeft de buitenzijde van het kruis van deze broek bemonsterd en heeft het afgeleide onvolledige DNA-profiel van het celmateriaal opgenomen in de DNA-databank. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. Het NFI heeft geconcludeerd dat de matchkans tussen de beide profielen kleiner is dan één op één miljard. Gelet op de hierboven aangehaalde inhoud van de NFI-rapportage en de daarop ter zitting gegeven toelichting door deskundige [naam deskundige], concludeert de rechtbank dat het DNA dat op de broek van aangeefster is aangetroffen, van verdachte is. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] is aangerand door verdachte. Het verweer dat de aangifte en het DNA-onderzoek tezamen niet kunnen leiden tot een bewezenverklaring, omdat ander tactisch en technisch bewijs ontbreekt, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman dat behoedzaam moet worden omgegaan met DNA-bewijs, zeker indien er geen ander steunbewijs is. Ook in het NFI-rapport is opgenomen dat de wetenschappelijke bewijswaarde van een databankmatch met een onvolledig DNA-profiel lager is dan een databankmatch met een volledig DNA-profiel en dat om die reden, om in te schatten of de databankmatch op toeval berust, van belang is of er andere technische of tactische aanwijzingen zijn die de verdachte in verband brengen met het delict. Desondanks acht de rechtbank het aanwezige bewijs niet alleen voldoende wettig, maar ook overtuigend. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen. Ondanks dat sprake is van een zogenoemd afgeleid onvolledig DNA-profiel, is de matchkans met een willekeurig gekozen persoon vastgesteld op kleiner dan één op één miljard, zijnde de grootst mogelijke zekerheid die het NFI geeft. De deskundige heeft ter zitting toegelicht dat dit kan worden verklaard door de mate van zeldzaamheid van de aangetroffen DNA-kenmerken. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat de bron van het DNA-materiaal geen bloed of sperma betreft en waarschijnlijk afkomstig is van materiaal dat minder makkelijk overdraagbaar is. De rechtbank heeft daarnaast in aanmerking genomen dat verdachte en [slachtoffer] beiden afkomstig zijn uit Etten-Leur. Voorts heeft [slachtoffer] bij haar aangifte te kennen heeft gegeven, dat zij de bewuste ochtend een schone broek heeft aangetrokken en geen contact met anderen heeft gehad, uitgezonderd het moment dat zij kort in het bijzijn verkeerde van haar zoon. Tot slot wijst de rechtbank op de plaats waar het DNA-spoor is aangetroffen en bemonsterd: het kruis van de broek [slachtoffer], hetgeen de mogelijkheid van een toevallig contactspoor naar het oordeel van de rechtbank in aanzienlijke mate verkleint. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is verwaarloosbaar klein en de kans op een toevallig contactspoor van verdachte op het kruis van de broek [slachtoffer] zeer onaannemelijk. Op grond van het voorgaande merkt de rechtbank de uitslag van het DNA-onderzoek aan als betrouwbaar en acht zij aanvullend tactisch of technisch bewijs in dit geval niet noodzakelijk. De opmerking van deskundige [naam deskundige] dat er aanwijzingen zijn, dat er ook DNA-materiaal is achtergebleven van een derde persoon op de broek [slachtoffer], doet niet af aan voormeld oordeel. Door de deskundige is immers ook te kennen gegeven dat niet kan worden uitgesloten dat sprake is van een artefact. Bovendien blijft voormelde matchkans overeind, ook wanneer sprake is van aanwezigheid van DNA-materiaal van een derde persoon. Gelet op de inhoud van het NFI-rapport is de rechtbank van oordeel dat van verdachte verwacht had mogen worden dat hij een verklaring zou afleggen aangaande de vraag hoe het mogelijk is dat zijn DNA is aangetroffen op de broek [slachtoffer]. Dit heeft hij niet gedaan. De raadsman stelt dat alternatieve scenario’s niet uitgesloten kunnen worden, maar deze alternatieve scenario’s zijn niet c.q. onvoldoende door hem onderbouwd en ook overigens zijn deze niet aannemelijk geworden, zodat ook dit verweer faalt. Het door de raadsman aangedragen verweer dat de politie en het openbaar ministerie hebben gehandeld in strijd met de geldende regels voor het veiligstellen van sporen, waarmee hij kennelijk wil betogen dat het DNA-onderzoek niet goed is uitgevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel omtrent de betrouwbaarheid van het DNA-bewijs. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de politie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het versturen van het sporenmateriaal, maar door de raadsman is niet aannemelijk gemaakt dat het sporenmateriaal zelf op enigerlei wijze is aangetast door deze handelwijze dan wel afdoet aan de conclusies van het NFI. De deskundige heeft desgevraagd aangegeven dat er van de zijde van het NFI geen reden was voor twijfel aan de juiste wijze van verpakking van het stuk van overtuiging; dat dit langere tijd heeft geduurd, kan nadelige invloed hebben op de kwaliteit van het DNA, maar – zo concludeert de rechtbank – niet op de betrouwbaarheid van het aangetroffen DNA. Het vorenstaande in ogenschouw nemend, acht de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna wordt weergegeven onder rechtsoverweging 4.4. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 09 februari 2011 te Etten-Leur, door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het hardhandig meermalen wrijven over en betasten van de buik en de (buiten- en binnenzijde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.