RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/810835-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 april 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] raadsman mr. Schönfeld, advocaat te Breda 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 april 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode van 15 juli 2009 tot en met 10 april 2010 meermalen geschriften valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft vervalst, door deze te ondertekenen als ware hij hulpofficier van justitie, terwijl hij deze hoedanigheid in verband met het verstrijken van de geldigheidsdatum van zijn certificaat ‘hulpofficier van justitie’ niet meer had. 3 De voorvragen 3.1 Geldigheid van de dagvaarding. De dagvaarding is geldig. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. De verdediging heeft ter zitting bij wijze van preliminair verweer aangevoerd dat de officier van justitie in de onderhavige zaak niet ontvankelijk is, om reden dat sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. De verdediging stelt dat collega’s van verdachte, die net als verdachte onbevoegd hebben opgetreden als hulpofficier van justitie, niet strafrechtelijk zijn vervolgd. Daarbij komt dat het referentiekader afdoening onbevoegde hulpofficieren pas op 5 oktober 2010 is bekend gemaakt door het College van Procureurs-generaal. De officier van justitie heeft aangegeven dat ten aanzien van negen collega’s van verdachte een dossier is ingediend bij het Openbaar Ministerie. Eén collega heeft een taakstraf van 80 uur gekregen en één collega heeft een boete van € 750,- betaald. De strafzaken van de zeven andere collega’s zijn voorwaardelijk geseponeerd. Geen enkele zaak is gelijk en per zaak is een individuele afweging gemaakt, aldus de officier van justitie. De rechtbank heeft overwogen dat zaken weliswaar vergelijkbaar kunnen zijn, maar dat dat niet tegelijk ook betekent dat sprake is van een identiek geval of van een zodanig vergelijkbaar geval dat een gelijke behandeling in de rede ligt. De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake zou zijn van collega’s van verdachte waarbij vergelijkbare situaties aan de orde zouden zijn, maar heeft dienaangaande geen nadere gegevens aangereikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep van de verdediging op de schending van het gelijkheidsbeginsel of van het verbod op willekeur onvoldoende concreet is onderbouwd. De verwijzing naar het voormelde referentiekader maakt dit niet anders. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. 3.4 Schorsing van de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van het administratief onderzoek waaruit de ongeldigheid van het certificaat ‘hulpofficier van justitie’ van verdachte is gebleken. Daarnaast heeft de officier van justitie in aanmerking genomen de verklaringen van verdachte, die heeft aangegeven dat hij een fout heeft gemaakt en een eigen verantwoordelijkheid heeft om ervoor zorg te dragen dat zijn certificering in orde is. Volgens de officier van justitie heeft verdachte bewust het risico genomen dat de termijn van het certificaat zou verstrijken en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zich schuldig zou maken aan de overtreding van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Zij heeft betoogd dat verdachte er van overtuigd was dat zijn certificaat tot het voorjaar van 2010 geldig zou zijn. Verdachte heeft dan ook niet het oogmerk gehad om geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De verdediging merkt in dit verband op dat, blijkens de Memorie van Toelichting, het oogmerk om het verlopen certificaat als echt en onvervalst te gebruiken, een doelbewustheid behelst, tenminste in de vorm van een zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn. Voorwaardelijk opzet, zoals is aangevoerd door de officier van justitie, is daarbij niet toereikend. Tevens verwijst de verdediging naar de zaak van verdachte bij de bestuursrechter, waarin op 20 juni 2012 uitspraak is gedaan. In deze uitspraak is vermeld dat de rechtbank de verklaring van verdachte niet onaannemelijk acht, dat hij zich er niet van bewust was dat zijn certificaat was verlopen en dat hij onbevoegd was. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat vanaf de periode 2004/2005 de hulpofficieren van justitie tijdig werden gewaarschuwd door de controller in het politiedistrict Oosterhout om zich te laten hercertificeren. Na het vertrek van deze controller in de periode 2006/2009 is dit verlengingssysteem komen te vervallen zonder daarover aan de hulpofficieren van justitie mededeling te doen. Tot slot wijst de verdediging op de uitspraak van de rechtbank Utrecht d.d. 24 januari 2008 (LJN BC3189), waaruit volgt dat het tijdelijk niet beschikken over een certificaat een omissie oplevert en geen juridische consequenties heeft. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het proces-verbaal van bevindingen ter zake van het administratief onderzoek naar geregistreerde ambtshandelingen van niet gecertificeerde hulpofficieren van justitie, worden vastgesteld dat het certificaat ‘hulpofficier van justitie’ van verdachte op 15 juli 2009 zijn geldigheid heeft verloren en dat verdachte vervolgens ambtshandelingen heeft verricht zonder daartoe bevoegd te zijn. Blijkens het relaasproces-verbaal en de verklaring van verdachte tegenover de politie is verdachtes derde certificaat immers geldig geweest van 14 juli 2006 tot en met 14 juli 2009 en heeft zijn vierde certificaat als ingangsdatum 13 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.