RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/810865-12 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 mei 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende aan de [adres] thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda, raadsman mr. Van Wijk, advocaat te Eindhoven. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 april 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: samen met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door meerdere schoten op hem te lossen; feit 2: samen met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven door meerdere schoten op hem te lossen; feit 3: een semi-automatisch pistool en munitie voorhanden heeft gehad. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, op 19 maart 2012 te Oisterwijk, [slachtoffer] heeft vermoord (feit 1) en dat hij geprobeerd heeft [slachtoffer 2] te vermoorden (feit 2) door met een vuurwapen meerdere schoten op deze personen te lossen. De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wapen en munitie voorhanden heeft gehad (feit 3). Hij baseert zich daarbij op de verklaring van aangever [slachtoffer 2], de bij [slachtoffer 2] geconstateerde schotwonden, het sectieonderzoek dat is verricht bij het slachtoffer [slachtoffer], de bevindingen van de politie, het technisch onderzoek van de unit FTO en het NFI, de verklaringen van buurtbewoners, de camerabeelden van de woning van verdachte en zijn bekennende verklaring. De officier van justitie is van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen en in vereniging met een of meer anderen heeft gehandeld. Wel is hij van mening dat met voorbedachten raad is gehandeld en dat verdachte zich aldus schuldig heeft gemaakt aan moord en poging tot moord. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2 niet tot een bewezenverklaring kan komen van de impliciet primair ten laste gelegde moord en poging tot moord, maar wel van de ten laste gelegde doodslag en poging tot doodslag. De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet met voorbedachten raad heeft gehandeld, omdat sprake was van een hevige, aanhoudende gemoedsopwelling waardoor er geen gelegenheid bestond om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn (voorgenomen) besluit en uiteindelijke handelen. De raadsman heeft verder betoogd dat verdachte niet met een of meer anderen heeft samengewerkt, zodat hij moet worden vrijgesproken van het onderdeel ‘medeplegen’. Ten aanzien van feit 3 op de tenlastelegging, het voorhanden hebben van een wapen en munitie, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 19 maart 2012 waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer] in Nederland. Zij brachten een bezoek aan de woningen van verdachte en zijn broer in Oisterwijk. Volgens [slachtoffer 2] moest er gepraat worden over ‘verdwenen goederen en/of geld’, terwijl verdachte op zijn beurt ter zitting heeft verklaard dat hij nergens iets vanaf weet. Wel zegt hij dat er bij eerdere bezoeken werd gevraagd naar ‘money’ en merchandise’. Hoewel de exacte aanleiding onduidelijk is gebleven, staat vast dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op 19 maart 2012 omstreeks 19:42 uur over de [adres] liepen. Zij kwamen aan bij de woning van de broer van verdachte, gelegen[adres]res]. Zij stonden korte tijd voor de voordeur, maar deze werd niet geopend. Vervolgens liepen zij verder. Om circa 19:45 uur kwamen zij aan bij de woning van verdachte, gelegen [adres]s]. [slachtoffer 2] belde aan, terwijl [slachtoffer 1] achter hem stond. De voordeur werd niet geopend. Er werd nog twee keer aangebeld. De deur werd wederom niet geopend. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] liepen hierop weg langs de zijkant van de woning in de richting van de achterzijde. Verdachte en zijn gezin bevonden zich op dat moment in de woning. Op de camerabeelden zagen zij dat er twee mannen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], rondom hun huis liepen. Verdachte vertrouwde de situatie niet en vroeg zijn vrouw 112 te bellen. Zijn vrouw deed dit en kreeg de meldkamer aan de lijn. Zijn vrouw vertelde dat er twee mannen voor de woning stonden en dat er sprake was van ‘bedreigingen’. Zij vroeg de politie om hulp ter plaatse. Het gesprek verliep niet soepel en duurde lang. Door de meldkamer werden diverse vragen gesteld, maar op de vraag of de politie ter plaatse zou komen, kreeg de vrouw van verdachte geen antwoord. Er ontstond paniek in de woning. Op enig moment schreeuwde verdachte: “Oké nou dan ga ik er nu achteraan. Ik ben het kotsbeu. En nou godverdomme komen!”. Zijn vrouw riep hierop paniekerig: “Komen jullie alsjeblieft… Doe nou niet!” en “Ja, ik moet heel de tijd naar u luisteren mevrouw. Ik heb hier weinig zin in. Ik ben hartstikke bang!”. De telefoniste van de meldkamer zei uiteindelijk: “Dan ga ik de verbinding verbreken. Dag mevrouw”. De verbinding werd verbroken. Inmiddels waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aangekomen aan de achterzijde van de woning. De achterzijde, de tuin behorend bij de woning, is geheel afgesloten door een berging, een muur en een poort. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bevonden zich nabij deze poort. Op dat moment kwam verdachte naar buiten rennen. Hij rende door de achtertuin in de richting van de poort. In zijn linkerhand had hij een wapen vast. Met zijn rechterhand haalde hij de poort van het slot. Hij opende de poort, strekte zijn linkerarm en begon direct met schieten. Hierop deed hij de poort kort dicht en vervolgens weer open. Hij schoot opnieuw diverse keren met het wapen. [slachtoffer 2] rende weg in de richting van de [adres] en vluchtte door een brandgang in de richting van de [adres] terwijl [slachtoffer 1] zich schuilhield bij een haag aan de zijkant van de woning van verdachte. Verdachte sloot om omstreeks 19.49.41 uur de poort en rende met het wapen door zijn achtertuin terug naar de woning. De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat verdachte de poort heeft vergrendeld. In de woning verwisselde verdachte het magazijn van het wapen. [slachtoffer 1] kwam tevoorschijn, van achter de haag, en liep terug in de richting van de achterzijde van de woning. Op dat moment werd hij aangereden door een passerende auto. Hij belandde op de motorkap van de auto en viel op de straat. De betreffende auto reed het pleintje rond en reed weg. [slachtoffer 1] stond op. Hij vervolgde zijn weg, langs de zijkant van de woning, over de [adres] en vervolgens rechtsaf in de richting va[adres]] [slachtoffer 1] liep weg van de woning. Om ongeveer 19.50.40 uur ging de voordeur van de woning weer open. Verdachte stapte naar buiten en hield een wapen in zijn hand. Hij ging in de voortuin staan en schoot tweemaal in de richting van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] liep op dat moment nog in de [adres], op een afstand van circa 20 meter van de woning van verdachte. [slachtoffer 1] vervolgde zijn weg in de richting va[adres]] Verdachte pakte zijn wapen met beide handen vast en rende [slachtoffer 1] achterna, in de richting van het plantsoen bij de [adres] Op de camerabeelden zijn omstreeks 19:51 uur 2 lichtflitsen waarneembaar ter hoogte van dit plantsoen. Deze lichtflitsen lijken op mondingvuur. [slachtoffer 2] kwam, via de [adres] aan op de [adres] Ter hoogte van [adres] werd hij opnieuw beschoten. Een buurtbewoner is hiervan getuige geweest. [slachtoffer 2] vluchtte over het veldje in de richting van een steeg gelegen tussen [adres] en [adres]. Hij hield zich daar korte tijd schuil. Op het moment dat de politie was gearriveerd, liep [slachtoffer 2] terug naar het veldje. Hij ging naast [slachtoffer 1] liggen, die aldaar was neergeschoten. De politie trof de twee mannen met verwondingen aan op het plantsoen van de [adres] [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] werden vervolgens door een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. [slachtoffer 1] overleed uiteindelijk aan zijn verwondingen. Uit het sectieonderzoek is gebleken dat sprake was van 7 bij leven opgelopen perforaties met het aspect van een schotverwonding. Het overlijden was het gevolg van massaal bloedverlies met daardoor zuurstofgebrek op weefselniveau. [slachtoffer 1] werd door maximaal 4 en minimaal 3 kogels getroffen. [slachtoffer 2] overleefde het incident. Bij hem werden schotverwondingen geconstateerd in zijn linkerborstkas, linkerbovenarm, rechteronderarm, rechterflank en linkerbovenbeen/bil. In zijn rug werd een projectiel aangetroffen dat tijdens de medische behandeling niet kon worden verwijderd. Voorts was sprake van ernstig uitwendig bloedverlies. Na het schietincident werd door de unit FTO uitvoerig technisch onderzoek verricht. In de nabijheid van de plaats delict werd diverse kogels, of delen daarvan, en ook kogelhulzen aangetroffen, namelijk aan de achterzijde van de woning van verdachte, aan de voorzijde van de woning van verdachte en tevens op en nabij het plantsoen aan de [adres] Vastgesteld is dat er in totaal minimaal 20 schoten zijn afgevuurd. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de hulzen, kogels en manteldelen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan met andere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De onderzochte hulzen zijn vermoedelijk verschoten met een semi-automatisch pistool van het merk Beretta, model 9000S, kaliber 9mm Parabellum. De geconstateerde afvuursporen van de onderzochte kogels en het manteldeel passen eveneens bij dit type vuurwapen. Een semi-automatisch pistool van het merk Beretta, model 9000S, kaliber 9mm Parabellum, is een vuurwapen van de categorie II als bedoeld in de Wet wapens en munitie. Aan de achterzijde van de woning van verdachte werd een kogelpunt aangetroffen met een biologisch spoor, terwijl ter hoogte van de [adres] een huls werd gevonden met een bloedspoor. Beide sporen werden veiliggesteld en vergeleken met het DNA-profiel van [slachtoffer 2]. Ten aanzien van beide sporen was sprake van een match. Het NFI berekende de frequentie van het DNA-profiel van [slachtoffer 2]. Deze frequentie bleek minder dan 1 op 10 miljard te zijn. De politie heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] minimaal één keer door een kogel moet zijn geraakt in de nabijheid van de plaats waar hij op het plantsoen bij de [adres] werd aangetroffen. De betreffende kogel kwam uiteindelijk terecht in de achterklep van een geparkeerde auto. Op deze kogel werd een biologisch spoor aangetroffen dat is vergeleken met het DNA-profiel van [slachtoffer 1]. Er was sprake van een match. De berekende frequentie van het DNA-profiel van [slachtoffer 1] was minder dan 1 op 10 miljard. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij die avond ‘een paar keer op de ene man en een paar keer op de andere man heeft geschoten’. Het magazijn van het wapen verwisselde hij in de woning. Hierna is hij weer met het wapen door de voordeur naar buiten gelopen. Een week eerder had hij het wapen aangeschaft. Ter zitting heeft verdachte verklaard ‘dat hij de man met het wapen is, op de getoonde camerabeelden’. Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, op 19 maart 2012 te Oisterwijk, meermalen met een vuurwapen op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft geschoten. Zij is van oordeel dat verdachte, gelet op de wijze waarop hij te werk ging, ook het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Hij heeft immers meermalen gericht op hen geschoten aan de achterzijde van zijn woning, aan de voorzijde van zijn woning en op/nabij het plantsoen aan de [adres] De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of bij verdachte sprake was van de voor (poging tot) moord vereiste voorbedachten raad of dat zijn handelen moet worden gekwalificeerd als (poging tot) doodslag. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten raad is vereist dat komt vast te staan dat zijn handelen het gevolg is geweest van een genomen besluit en dat verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Niet van belang daarbij is of verdachte zich daadwerkelijk heeft beraden, maar wel dat hij hiervoor tijd en gelegenheid heeft gehad. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte met de voor (poging tot) moord vereiste voorbedachten raad heeft gehandeld. Zij overweegt daartoe als volgt. Op het moment dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich rondom de woning begaven, wat verdachte waarnam via de bewakingscamera’s, en de vrouw van verdachte nog in gesprek was met de meldkamer, riep verdachte: “Oké nou dan ga ik er nu achteraan. Ik ben het kotsbeu!”. Vervolgens pakte verdachte zijn vuurwapen, welk wapen hij eerder had aangeschaft en in zijn woning bewaarde. Met dit vuurwapen rende verdachte door zijn achtertuin, in de richting van de poort. Hij deed de poort van de achtertuin van slot en grendel, opende de poort en begon direct met schieten in de richting waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden. Nadat verdachte bij de poort diverse malen had geschoten, besloot hij de poort te sluiten en te vergrendelen, terug te rennen naar zijn woning en het vuurwapen door te laden. Na ruim 1 minuut kwam verdachte door zijn voordeur weer naar buiten. Vervolgens begon hij vanuit zijn voortuin wederom te schieten, in de richting van [slachtoffer 1] die op dat moment al wegliep. Verdachte zette de achtervolging in en rende achter [slachtoffer 1] aan, met zijn vuurwapen in de hand, in de richting van het plantsoen aan de [adres] Daarna heeft verdachte nog meermalen geschoten in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Uit voornoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte zich wel degelijk heeft kunnen beraden op zijn genomen besluit om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven te beroven en dat hij niet (louter) heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Voor verdachte heeft er, in ieder geval in de tijdspanne dat hij zijn vuurwapen opzocht, dit ter hand nam en ermee in de richting van de poort van zijn achtertuin liep, voldoende tijd en gelegenheid bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde tijd en gelegenheid er ook was in de tijdspanne dat verdachte terugliep naar zijn woning, binnen zijn wapen doorlaadde en na ruim 1 minuut opnieuw met het wapen naar buiten liep en wederom begon te schieten. Ook daarna maakt verdachte de keuze om de achtervolging in te zetten en weer schoten te lossen. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel voorstelbaar is dat verdachte op dat moment angstig was en mogelijk uit paniek handelde, niet kan worden gezegd dat hij zich op geen enkel moment rekenschap kon geven van de betekenis en de gevolgen van het besluit om te (blijven) schieten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zij is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte gedurende het schietincident (louter) handelde vanuit een hevige, ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank acht daarom de impliciet primair ten laste gelegde moord van [slachtoffer 1] (feit 1) en de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord van [slachtoffer 2] (feit 2) wettig en overtuigend bewezen. Zij is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte nauw en bewust met een of meer anderen heeft samengewerkt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde ‘medeplegen’ van (poging tot) moord. De rechtbank acht voorts wettig en overtuigen bewezen dat verdachte in de periode van 11 tot en met 19 maart 2012 een wapen, te weten een semi-automatisch pistool van het merk Beretta, kaliber 9mm Parabellum, met munitie voorhanden heeft gehad (feit 3). 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.