RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/810878-12 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 mei 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum] wonende aan de [adres] raadsman mr. Van der Kruijs, advocaat te ’s-Hertogenbosch. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 april 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: samen met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door meerdere schoten op hem te lossen; feit 2: samen met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven door meerdere schoten op hem te lossen; feit 3: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een auto op hem in te rijden. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 en 2 op de tenlastelegging. Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een personenauto op [slachtoffer 1] in te rijden (feit 3). Hij baseert zich daarbij op de camerabeelden en de verklaring van verdachte zelf. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 en 2 op de tenlastelegging. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte, hoewel vaststaat dat hij [slachtoffer 1] heeft aangereden, niet het opzet had om [slachtoffer 1] met zijn auto aan te rijden. Verdachte stelt dat hij [slachtoffer 1] niet tijdig heeft gezien, omdat hij wegdook vanwege schoten die hij op dat moment hoorde. De raadsman heeft betoogd dat, gelet op de wijze en de beperkte snelheid waarmee verdachte reed, niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van de ten laste legde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feiten 1 en 2 Op 19 maart 2012 heeft zich een schietincident voorgedaan in Oisterwijk, waarbij [slachtoffer 1] door vuurwapengeweld om het leven is gekomen en [slachtoffer 2] gewond is geraakt. Verdachte heeft ontkend dat hij op de slachtoffers heeft geschoten. Medeverdachte [naam mededader], de broer van verdachte, heeft verklaard dat hij degene is die de schoten op de slachtoffers heeft afgevuurd. Voorts heeft het NFI geconcludeerd dat alle aangetroffen kogels zeer waarschijnlijk zijn afgevuurd met hetzelfde vuurwapen. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat het vuurwapen is overgedragen tussen verdachte en zijn broer. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op de slachtoffers heeft geschoten. Ook kan op basis van het dossier niet worden aangenomen dat verdachte nauw en bewust met zijn broer heeft samengewerkt. Verdachte zal om die reden van de feiten 1 en 2 worden vrijgesproken. Feit 3 Bij de woning van verdachte aan de [adres] en de woning van zijn broer [naam mededader] aan de [adres] was een camerabeveiligings-systeem geïnstalleerd. In verband met het hierboven beschreven schietincident heeft de politie de beelden van deze camerabeveiligingssystemen van 19 maart 2012 uitgekeken. Om 19.48.23 uur is te zien dat verdachte in een Volkswagen Golf stapt en in de richting van de [adres] rijdt. Om 19.49.47 is te zien dat [slachtoffer 1] over de weg naast de woning aan de [adres] 7 loopt. De Volkswagen Golf rijdt op dat moment ter hoogte van de poort van de [adres] 7 in de richting van [slachtoffer 1]. De Volkswagen Golf rijdt met onverminderde snelheid met de voorzijde van de auto tegen [slachtoffer 1] die hierdoor op de motorkap van de Volkwagen Golf belandt. Op het moment dat de Volkswagen Golf op [slachtoffer 1] in rijdt, lichten de remlichten van de auto niet op. Op het moment dat de auto [slachtoffer 1] raakt, draait hij zich gedeeltelijk op zijn rechterzijde en wordt enkele meters op de motorkap door de auto meegenomen. Tegelijkertijd stuurt de Volkswagen Golf rechtsaf in de richting van de [adres] Hierdoor valt [slachtoffer 1] van de motorkap en valt op straat. Verdachte heeft verklaard dat hij de bestuurder van de Volkswagen Golf is geweest. Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat verdachte met zijn auto tegen [slachtoffer 1] is aangereden. De vraag is of verdachte met zijn handelen het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet heeft gezien. Hij is bij de poort van het huis van zijn broer weggedoken, omdat hij kort daarvoor schoten had gehoord vanuit de richting van die poort. De camerabeelden zijn ter zitting getoond. De rechtbank heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] enkele seconden duidelijk te zien is door het oplichten van de koplampen van de Volkswagen Golf. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat verdachte [slachtoffer 1] heeft moeten zien, indien hij op enigerlei wijze zicht heeft gehad op de weg voor hem. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat de Volkswagen Golf kort voorafgaand aan de aanrijding op een vloeiende wijze een rondje over het parkeerterrein rijdt. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet zodanig was weggedoken, dat hij de weg voor hem niet heeft kunnen zien. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat verdachte wel zicht heeft gehad op de weg voor hem en dat hij [slachtoffer 1] dus heeft gezien. Verdachte is vervolgens met onverminderde snelheid, zonder te remmen, tegen [slachtoffer 1] aangereden. [slachtoffer 1] is enkele meters op de motorkap meegenomen en vervolgens op de grond gevallen. Nu verdachte met een relatief lage snelheid heeft gereden en [slachtoffer 1] na de aanrijding verder is gelopen, acht de rechtbank niet bewezen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] door het handelen van verdachte zou komen te overlijden. Wel heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank passeert dus de verklaring van verdachte dat hij zodanig weggedoken was achter het dashboard dat hij [slachtoffer 1] niet heeft gezien en dat hij om die reden niet tijdig naar links heeft kunnen sturen, waar een bedrijfsbus stond, welke kant hij op moest om het parkeerterrein te verlaten, waarna hij naar rechts stuurde en daarbij [slachtoffer 1] raakte. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.