RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 800926-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 juni 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats], wonende te [adres] raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 mei 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: primair: als bestuurder met een personenauto, onder invloed van alcohol en MDMA/MDA/Amfetamine, een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander om het leven is gekomen; subsidiair: met een personenauto gevaar/hinder voor het overig verkeer heeft veroorzaakt waardoor een ongeval is ontstaan en een ander om het leven is gekomen; tweede subsidiair: met een personenauto, onder invloed van alcohol, als beginnend bestuurder heeft gereden; derde subsidiair: met een personenauto, onder invloed van MDMA/MDA/Amfetamine, heeft gereden; vierde subsidiair: met een personenauto, onder invloed van alcohol, heeft gereden. Feit 2: de plaats van het ongeval heeft verlaten en [initialen] [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna aan te duiden als WVW 1994) en het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft zich de dag na de gebeurtenissen gemeld bij de politie als zijnde de bestuurder van de auto die ’s nachts over [slachtoffer] is heengereden. Uit het rapport van de unit Forensisch Technisch Onderzoek (hierna: FTO) blijkt dat het ten tijde van het ongeval mistig was en er door betrokkene niet is geremd alvorens en nadat het slachtoffer is geraakt. Het betrof een rechte weg. Verdachte heeft verklaard dat hij tussen de 30 en 60 kilometer per uur reed en meteen dacht dat het om die [slachtoffer] ging. Daaruit concludeert de officier van justitie dat verdachte zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de weersomstandigheden. Hij kon immers niet anticiperen op een onverwachte situatie, waarbij zij opmerkt dat verdachte het slachtoffer eerder in de omgeving had zien lopen. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) van 28 maart 2013 blijkt dat verdachte alcohol en drugs in zijn bloed had. Ten aanzien van de mate van schuld heeft de officier van justitie gesteld dat er sprake is geweest van in aanzienlijke mate onvoorzichtig en onachtzaam handelen. Verder is er een causaal verband tussen zowel de gedraging van verdachte en het ongeval als tussen het ongeval en de dood van [slachtoffer]. Met betrekking tot feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van het ongeval terwijl hij wist dat hij iemand in hulpeloze toestand achterliet, nu verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij over iemand heen was gereden, onmiddellijk is doorgereden en zich pas de volgende dag bij de politie heeft gemeld. 4.2 Het standpunt van de verdediging Met betrekking tot feit 1: De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Met betrekking tot de primaire variant heeft de verdediging betoogd dat de snelheid waarmee verdachte heeft gereden niet kan worden vastgesteld, dat er ten tijde van het ongeval dichte mist was en dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte met een te hoge snelheid heeft gereden dan voor het veilig verkeer ter plaatse vereist was. Ook is aangevoerd dat het slachtoffer dwars op de weg lag en dat er de nodige alcohol was gebruikt door het slachtoffer. Voorts is aangevoerd dat er sprake was van slecht zicht door zeer dichte mist en de omstandigheid dat het slachtoffer niet goed zichtbaar was door zijn donkere kleding. Ook was ter plaatse geen straatverlichting aanwezig. Er is op grond van het bloedonderzoek en de aanvullende rapportages van het NFI niet met zekerheid vast te stellen of verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van alcohol en drugs. De verdediging wijst voorts op de omstandigheid dat de berekeningen van het NFI met betrekking tot de alcoholconcentratie in het bloed niet exact zijn, nu het NFI volgens haar rapport niet beschikte over een aantal factoren die van invloed zijn op de alcoholconcentratie in het bloed. Ook is volgens de verdediging door het NFI onvoldoende acht geslagen op de door verdachte gegeven verklaringen omtrent tijdstippen van inname van de verdovende middelen en voorts is onduidelijk gebleven wat de concentraties van de werkzame stoffen in de verdovende middelen zijn geweest. Ten slotte moet worden aangenomen dat de psychische aspecten van de laatste pil zijn uitgewerkt op het tijdstip van de aanrijding, aldus de verdediging. Het is mogelijk dat het ongeval, gelet op de mist en het feit dat het slachtoffer op de weg lag, niet te voorkomen was. De verdediging stelt dat het verkeersongeval in redelijkheid niet is toe te rekenen aan verdachte en dat het ongeval voorts niet te wijten is aan roekeloos dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig of onnadenkend gedrag van verdachte. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte onvoldoende heeft geanticipeerd op de weersomstandigheden, zodat de rechtbank ook voor dit feit niet tot een bewezenverklaring kan komen. Het is zeer de vraag in hoeverre verdachte er bedacht op moest zijn dat er iemand op de weg lag. Met betrekking tot het tweede subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging betoogd dat, gelet op de volgens verdachte na het ongeval ingenomen schrikborrel en de ingenomen drugs na de aanrijding, niet kan worden vastgesteld dat hij de auto onder invloed van alcohol heeft bestuurd. Met betrekking tot het derde subsidiair en vierde subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging ter zitting betoogd dat uit het aanvullend NFI rapport van 28 maart 2013, pagina 7, naar voren komt dat het mogelijk is dat verdachte niet onder invloed was van alcohol en/of drugs ten tijde van het ongeval. Die conclusie spoort niet met de eindconclusie van het rapport dat het waarschijnlijker is dat verdachte ten tijde van het ongeval wel onder invloed was van alcohol en/of drugs. Met betrekking tot het derde subsidiair en vierde subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging verwezen naar de hierboven genoemde punten uit het NFI rapport over het niet kunnen vaststellen dat verdachte onder invloed van middelen was Met betrekking tot feit 2: De verdediging stelt dat er geen sprake is van het verlaten van de plaats van het ongeval waarbij iemand is achtergelaten in hulpeloze toestand, nu niet kan worden vastgesteld of het slachtoffer [slachtoffer] nog heeft geleefd na de aanrijding. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken. Niet kan worden uitgesloten dat het slachtoffer direct is overleden, zodat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet. Dan geldt dat strafvervolging op grond van artikel 184 van de Wegenverkeerswet is uitgesloten nu verdachte zich binnen 12 uur na de aanrijding vrijwillig heeft gemeld. Het Openbaar Ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vervolging ter zake van dit feit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 3 september 2011 krijgt de noodhulp Oosterhout, omstreeks 06:00 uur, de melding om naar de Grotewaardweg te Werkendam te gaan, waar zojuist een man liggend op de weg was aangetroffen. De politie komt kort daarna ter plaatse. Om 06.10 uur wordt door de medewerkers van de ambulance geconstateerd dat de man is overleden. Deze man blijkt te zijn [initialen] [slachtoffer], 24 jaar oud. Volgens het sectierapport wordt het intreden van de dood verklaard door functieverlies en directe weefselschade van vitale organen en indirecte weefselschade door fors bloedverlies, alle opgelopen ten gevolge van bij leven opgelopen inwerking van uitwendig hevig botsend geweld, zoals kan ontstaan in het kader van hoog-energetisch trauma, bijvoorbeeld een verkeersongeval. De rechtbank leidt uit de verklaringen van een aantal getuigen af dat het slachtoffer om vijf uur nog in leven was. Verdachte meldt zich op 3 september 2011 om 10:10 uur op het politiebureau en verklaart dat hij die nacht iemand met de Mercedes van zijn ouders heeft aangereden en dat hij vervolgens onmiddellijk is doorgereden. Verdachte verklaart dat hij op stap was, drugs en alcohol heeft gebruikt, dat hij in de nacht samen met zijn vriend [vriend van verdachte] door de Biesbosch is gaan rijden en daar toen “die [slachtoffer]” zag lopen met een wit shirt. Enige tijd later zag verdachte ergens op de weg vanaf de rotonde van de Dijkgraaf den Dekkerweg richting Nieuwendijk in een flits iets wits op de weg liggen en terwijl hij dit zag reed hij er overheen. Verdachte keek gelijk [vriend van verdachte] aan en heeft gezegd dat hij dacht dat het [slachtoffer] was. Verdachte heeft verklaard dat het erg mistig was en hij in een heel dichte mist reed toen hij over het slachtoffer heen reed. Hij verklaart dat hij ongeveer tussen de 30 en 60 kilometer per uur reed. De politie heeft een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het verkeersongeval. Door dit onderzoek is het volgende vast komen te staan. De Grotewaardweg was aangeduid als 60 km zone weg. Voor de bestuurder van de Mercedes was derhalve een maximumsnelheid van kracht van 60 km per uur. De Mercedes is over de Grotewaardweg vanuit de richting Werkendam in de richting van Hank gereden. Het slachtoffer lag dwars op de rijrichting van de Mercedes. De Mercedes heeft, gezien het sporenbeeld, het slachtoffer een aantal meters voortgeduwd. Op enig moment reed de Mercedes over het slachtoffer heen. Hierbij verbrijzelde het linkerbovenbeen van het slachtoffer. Vermoedelijk op het moment dat het rechtervoorwiel van de Mercedes grip kreeg en over dat been heen reed. Nadat de Mercedes letterlijk over het slachtoffer gereden was, waarbij het lichaam van het slachtoffer als het ware onder de Mercedes gemangeld werd, kwam de onderzijde van de Mercedes met een klap op het wegdek terecht. Over de oorzaak van het ongeval is het volgende in het rapport opgenomen. Met onbekende oorzaak is het slachtoffer liggend op de rijbaan van de Grotewaardweg terechtgekomen. Uit toxicologisch onderzoek is gebleken dat het slachtoffer onder invloed van alcohol en THC (cannabis) verkeerde. De bestuurder is met de Mercedes door onbekend gebleven oorzaak over het slachtoffer heengereden. Ten tijde van het ongeval was het mistig. De mate van mist was achteraf niet te achterhalen, doch heeft vermoedelijk meegespeeld in de zichtbaarheid van het slachtoffer. Het slachtoffer was gekleed in donkere kleding en ter plaatse was geen straatverlichting aanwezig. Verdachte heeft over zijn middelengebruik de navolgende verklaringen afgelegd. Op 2 september 2011, rond 16:30 uur was verdachte klaar met werken en heeft hij op het werk 2 flesjes bier gedronken . Thuis heeft verdachte een half flesje bier gedronken en is toen naar het verjaardagsfeest van [vriend 2 van verdachte] in Nieuwendijk gegaan. Hij was daar rond 19:00 uur. Op dat verjaardagsfeest heeft verdachte een XTC pil in de vorm van een hartje gebruikt. Op het feestje heeft verdachte voorts een biertje gedronken en op enig moment is verdachte [vriend van verdachte] gaan halen. Vervolgens zijn ze weer naar de verjaardag van [vriend 2 van verdachte] gegaan waar verdachte nog een paar biertjes heeft gedronken. Toen verdachte [vriend van verdachte] had opgehaald, zijn ze eerst nog naar Het Honk in Sleeuwijk gegaan en daar heeft verdachte een lijntje speed gebruikt. Bij de shoarmatent heeft verdachte vervolgens een biertje en twee shotglaasjes Sambuca gedronken. Ook heeft verdachte daar een XTC pil gebruikt. Op het feest van [vriend 2 van verdachte] heeft verdachte MDMA, crystalvorm en één of twee lijntjes coke gebruikt. Op het feest van [vriend 2 van verdachte] heeft verdachte bier gedronken. Verdachte denkt dat hij voor het ongeval, vanaf 16:30 uur op 2 september 2011 in totaal 12 of 13 flesjes bier gedronken heeft. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij vermoedt dat hij ongeveer twee uur voorafgaand aan het ongeval geen alcohol meer heeft gedronken. De shoarmatent sluit volgens de eigenaar om 02:00 uur. Verdachte heeft verklaard dat hij na het ongeval en voor het tijdstip van de bloedafname thuis nog 4 of 5 biertjes heeft gedronken en speed heeft gebruikt. Ook heeft hij een XTC pil gebruikt. Op 3 september 2011 om 11:35 uur is door een arts bloed afgenomen bij verdachte teneinde het alcoholgehalte in het bloed te bepalen en een toxicologisch onderzoek te verrichten. Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie: 0,67 milligram ethanol per milliliter bloed. De resultaten van het toxicologisch onderzoek in het bloed van verdachte zijn als volgt: MDMA (0,32 mg/l), MDA (0,020 mg/l), Amfetamine (0,076 mg/l), Methylecgonine (0,018 mg/l), Benzoylecgonine (0,20 mg/l). De conclusie van het toxicologisch onderzoek is dat in het bloed van verdachte de volgende (omzettingsproducten van) drugs en/of geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden zijn aangetoond: MDMA, MDA en amfetamine. Daarnaast zijn onwerkzame omzettingsproducten van cocaïne (benzoylecgonine en methylecgonine) aangetoond. Op grond van de concentraties van MDMA en amfetamine in het bloed van verdachte kan worden geconcludeerd dat ten tijde van de bloedafname de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloed was. De rechtbank heeft het NFI verzocht, met inachtneming van de voorgaande verklaring van verdachte, zich uit te laten over de vraag of verdachte op 3 september 2011, tussen 05:00 uur en 06:00 uur, zodanig onder invloed is geweest van alcohol en/of verdovende middelen dat zijn rijvaardigheid hierdoor nadelig werd beïnvloed. Het NFI heeft bij aanvullende rapportage d.d. 28 maart 2013 gerapporteerd. Het NFI heeft twee benaderingen gehanteerd om de mogelijke negatieve beïnvloeding van de rijvaardigheid in te schatten, benadering 1 (door het inschatten van het onder invloed zijn van verdachte op basis van zijn verklaringen over de inname) en benadering 2 (door het terugrekenen van gemeten concentraties). Beide benaderingen hebben als uitgangspunt de verklaringen van verdachte over zijn middelengebruik als opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van 27 november 2012. Benadering 1: Alcohol: Het NFI heeft aangegeven dat, indien de alcohol min of meer gelijkmatig verdeeld over de tijd is ingenomen, genoemde 14 of 15 alcoholische consumpties in een tijdsbestek van 11-20 uur worden omgezet en uitgescheiden. In dat geval is, gerekend vanaf 2 september 16:30 uur, de omzetting en uitscheiding van de 14 tot 15 alcoholische consumpties volledig op 3 september tussen 03:30 uur en 12:30 uur. In dit scenario is het mogelijk dat verdachte op het moment van het ongeval niet onder invloed was van alcohol. In het scenario dat de genoemde hoeveelheden alcohol vooral aan het einde van de avond/nacht zijn gedronken, is het waarschijnlijker dat verdachte op het moment van het ongeval tussen 05:00 uur en 06:00 uur onder invloed was van alcohol. MDMA en amfetamine: Afgaande op de verklaring van verdachte dat hij vanaf 2 september 19:00 uur 2 XTC pillen (MDMA), een lijntje speed (amfetamine) en MDMA crystalvorm, aldus 4 werkzame doseringen amfetamine-achtigen, heeft ingenomen, is beoordeeld door het NFI of er sprake is geweest van het onder invloed zijn van enige stof door verdachte ten tijde van het verkeersongeval. Volgens het NFI hebben genoemde amfetamine-achtigen (amfetamine en MDMA) negatieve effecten op de rijvaardigheid. Het gebruik van deze stoffen kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden door onder andere vermindering van oplettendheid en van onjuiste risico-inschatting. Het NFI heeft verklaard dat na inname van een werkzame dosis amfetamine of MDMA doorgaans na ongeveer 2 uur een maximale bloedconcentratie is bereikt waarna de concentraties in het bloed weer afnemen. De snelheid waarmee dit gebeurt, is gerelateerd aan de halfwaardetijd (tijd waarmee de concentratie van een stof in bloed afneemt tot de helft). De halfwaardetijden van amfetamine en MDMA bedragen respectievelijk 7 tot 34 uur en 5 tot 9 uur. Het NFI is bij de beoordeling uitgegaan van een korte halfwaardetijd van 5 uur en een gelijke werkzaamheid van amfetamine en XTC. In het scenario waarbij 4 werkzame doses amfetamine-achtigen min of meer gelijkmatig verdeeld over de tijd zijn ingenomen (om 19:00 uur, 22:00 uur, 01:00 uur en 4:00 uur), kan uitgerekend worden dat op 3 september om 06:00 uur nog minstens 2,4 werkzame doses amfetamine-achtigen in het lichaam moeten zijn over geweest. In een ander (onwaarschijnlijker scenario) dat de 4 werkzame doses amfetamine-achtigen gelijktijdig rond 19:00 uur zijn ingenomen is er dus om 06:00 uur nog minstens sprake van 1,2 werkzame dosis. Het NFI heeft geconcludeerd dat verdachte op 3 september 2011, tussen 05:00 uur en 06:00 uur waarschijnlijk onder invloed was van amfetamine-achtigen (MDMA en/of amfetamine). Over cocaïne is door het NFI geconcludeerd dat, nu verdachte 1 of 2 lijntjes cocaïne heeft gebruikt en cocaïne een korte halfwaardetijd heeft (0,7 -1,5 uur) het goed mogelijk is dat er op 3 september 2011, tussen 05:00 uur en 06:00 uur, geen werkzame hoeveelheid cocaïne meer in het bloed van verdachte meer aanwezig was. Benadering 2: Alcohol: Indien uitgegaan wordt van de verklaring van verdachte dat hij 5 flesjes bier heeft gedronken na het voorval, kan het gemeten alcoholgehalte van 0,67 mg/ml worden verklaard door na het ongeval ingenomen alcohol. MDMA: Uitgaande van de verklaring dat verdachte een XTC-pil zou hebben gebruikt na het ongeval, heeft het NFI onderzoek gedaan naar de gemiddelde milligrammen per tablet. In de medische literatuur worden doseringen genoemd van 50 tot 110 mg MDMA. Op internet (Wikipedia) wordt vermeld dat de hoeveelheid werkzame stof per tablet varieert van 40 tot 196 mg MDMA met een gemiddelde van 80 mg. In 2011 bevatten bij het DIMS (Drugs Informatie en Monitoring Systeem) in Nederland aangeleverde XTC-tabletten gemiddeld 100 mg MDMA in een tablet en 15% van de geanalyseerde tabletten bevatte meer dan 140 mg MDMA. Indien uitgegaan wordt van 100 mg MDMA per tablet zou de vastgestelde concentratie MDMA in het bloed van 0,32 mg/l MDMA kunnen worden verklaard door inname van meer dan 1 XTC pil van 100 mg na het ongeval. Inname van 1 pil van 150 mg is ook mogelijk. Amfetamine: Het NFI heeft geconcludeerd, op grond van gemiddelde piekconcentraties, dat de met het toxicologisch onderzoek vastgestelde concentratie amfetamine in het bloed van verdachte kan worden verklaard door inname van een dosis amfetamine van 30 mg na het ongeval. Niet bekend is echter hoeveel amfetamine verdachte heeft ingenomen na het ongeval. De samenvattende conclusie van het rapport van het NFI luidt dat “uitgaande van de verklaringen van verdachte over zijn middelengebruik het waarschijnlijker is dat verdachte op 3 september 2011 tussen 05:00 uur en 06:00 uur zodanig onder invloed van alcohol en/of verdovende middelen verkeerde en dat zijn rijvaardigheid hierdoor nadelig werd beïnvloed dan dat dit niet het geval is.” Aan de rechtbank ligt de vraag ter beantwoording voor of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Of er sprake is van zodanige schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. In dat kader zal de rechtbank allereerst vast dienen te stellen of verdachte gelet op zijn alcohol- en verdovende middelen gebruik die nacht, op het tijdstip van het ongeval daarvan onder invloed was. Het NFI heeft in haar aanvullende rapportage van 28 maart 2013 diverse conclusies getrokken over het middelengebruik van verdachte en de invloed daarvan ten tijde van het ongeval op 3 september 2011, tussen 05:00 uur en 06:00 uur. De rechtbank is van oordeel dat de door het NFI gekozen benadering 1 het meest recht doet aan de werkelijke gang van zaken die nacht en daarmee als meest betrouwbare benadering moet worden aangemerkt, nu die uitgaat van de verklaring van verdachte over zijn feitelijke inname van verdovende middelen. Het NFI heeft met betrekking tot benadering 1 geconcludeerd dat verdachte op het tijdstip van het ongeval waarschijnlijk onder invloed van amfetamine-achtigen (MDMA en/of amfetamine) was. Dit zowel in het scenario dat 4 werkzame doses min of meer gelijkmatig verdeeld over de avond zijn ingenomen als in het zeer onwaarschijnlijke, en niet met het verklaring van verdachte strokende scenario, dat verdachte de door hem genoemde 4 doses MDMA gelijktijdig al om 19:00 uur in de avond ervoor zou hebben ingenomen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte onder invloed was van MDMA en amfetamine ten tijde van het ongeval. Wat betreft de overige drugs en de alcohol kan de rechtbank op grond van het NFI rapport onvoldoende de mogelijkheid uitsluiten dat deze stoffen ten tijde van het ongeval uitgewerkt waren. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het ongeval plaats heeft gevonden, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij tussen de 30 en 60 kilometer per uur reed. Ter plaatse gold volgens het FTO rapport een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur en was er geen straatverlichting aanwezig. Verdachte heeft voorts verklaard dat er sprake was van zeer dichte mistbanken en dat hij groot licht voerde. Hij denkt dat het vanaf 04:00 uur mistig was. Verdachte heeft het latere slachtoffer eerder in de omgeving zien lopen, half op de weg. Die omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat van verdachte extra oplettendheid verwacht mocht worden ten aanzien van hetgeen zich voor hem op de weg afspeelde. Verdachte diende zijn rijgedrag zodanig aan te passen dat hij voldoende maatregelen kon nemen om een aanrijding te voorkomen. Dat heeft hij niet gedaan. Nergens is te herleiden dat verdachte heeft geremd en verdachte heeft zelf verklaard dat hij ook nooit op de rem heeft kunnen trappen. Hij is over het slachtoffer heengereden. Dit terwijl verdachte zelf heeft verklaard in een flits iets wits gezien te hebben waarna het was gebeurd. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte onvoldoende heeft geanticipeerd op de genoemde weersomstandigheden ter plaatse. Weliswaar droeg het slachtoffer donkere kleding, maar gelet op de verklaring van verdachte dat hij iets wits zag en direct dacht aan [slachtoffer], leidt de rechtbank af dat het slachtoffer wel zichtbaar was. Deze vaststelling in combinatie met het feit dat verdachte onder invloed was van MDMA en amfetaminen, waarvan algemeen bekend is dat die stoffen de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden en waarover het NFI heeft verklaard dat die nadelige beïnvloeding onder andere de vermindering van de oplettendheid en onjuiste risico-inschatting betreft, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het rijgedrag van verdachte moet worden aangemerkt als in hoge mate onvoorzichtig en dat als gevolg daarvan het ongeval is veroorzaakt. Ten aanzien van feit 2: Niet ten laste gelegd is artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Immers, de tenlastelegging is geënt op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank zal het verweer van de verdediging, dat ziet op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, dan ook onbesproken laten. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij [initialen] [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Verdachte heeft verklaard dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zich te bekommeren om de persoon waar hij met zijn auto overheen is gereden. Door de verdediging is betoogd dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Uit het dossier kan naar de mening van de verdediging niet worden vastgesteld of [initialen] [slachtoffer] gelijk na de aanrijding of pas enige tijd daarna is komen te overlijden, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [initialen] [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. De rechtbank heeft bij haar beoordeling of er sprake is geweest van een plicht van verdachte om te stoppen na het ongeval, acht geslagen op de Memorie van Toelichting, teneinde te bezien welk belang de wetgever heeft beoogd te beschermen in artikel 7, eerst lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeersweg 1994. De Memorie van Toelichting (Tweede kamer vergaderjaar 1990-1991, Kamerstuk 22030, nr. 3, blz. 69
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.