RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Procedurenummers AWB 12/4397 tot en met 12/4423, 12/4966, 12/4967 en 13/2058 Uitspraak van 22 april 2013 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [Y], wonende te [woonplaats], [X], wonende te [woonplaats], belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg, de inspecteur. Hierna in de uitspraak wordt belanghebbende [Y] nader aangeduid als belanghebbende. Belanghebbende [X] wordt nader aangeduid als de echtgenoot. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende (fiscaalnr. [1111.11.111]) over de jaren 1996 tot en met 1998 de onderstaande nadere navorderingsaanslagen en over 2007 de onderstaande navorderingsaanslag Inkomstenbelasting/ Premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en over de jaren 1997 tot en met 1999 de onderstaande navorderingaanslagen Vermogensbelasting (hierna: VB). Met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2006 en 2008 heeft de inspecteur aanslagen IB/PVV opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur over de aanslagjaren 2008 en 2009 informatiebeschikkingen (hierna: 52a-besch.) in de zin artikel 52a Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan belanghebbende opgelegd. Ten aanzien van de echtgenoot (fiscaalnr. [222.22.222]) heeft de inspecteur over de jaren 1990 tot en met 1993 de onderstaande navorderingaanslagen en over de jaren 2004 tot en met 2006 de onderstaande aanslagen IB/PVV opgelegd, alsmede de navolgende navorderingsaanslagen VB over de jaren 1991 tot en met 1996. Beschikking jaar aanslagnummer datum procedurenr. IB/PVV 1990 [222.22.222]H07 30-12-02 12/4406 IB/PVV 1991 [222.22.222]H17 31-05-03 12/4405 IB/PVV 1992 [222.22.222]H27 31-05-03 12/4404 IB/PVV 1993 [222.22.222]H37 31-05-03 12/4403 IB/PVV 1996 [1111.11.111]H68 31-05-03 12/4423 IB/PVV 1997 [1111.11.111]H78 30-12-02 12/4421 IB/PVV 1998 [1111.11.111]H88 31-05-03 12/4422 IB/PVV 2000 [1111.11.111]H06 30-12-03 13/2058 IB/PVV 2001 [1111.11.111]H16 31-08-05 12/4413 IB/PVV 2002 [1111.11.111]H26 31-08-05 12/4414 IB/PVV 2003 [1111.11.111]H36 30-11-06 12/4415 IB/PVV 2004 [1111.11.111]H46 30-07-07 12/4416 IB/PVV 2004 [222.22.222]H46 30-06-07 12/4407 IB/PVV 2005 [1111.11.111]H56 30-06-08 12/4417 IB/PVV 2005 [222.22.222]H56 30-06-08 12/4408 IB/PVV 2006 [1111.11.111]H66 31-07-09 12/4418 IB/PVV 2006 [222.22.222]H66 31-07-09 12/4409 IB/PVV 2007 [1111.11.111]H77 27-11-10 12/4419 IB/PVV 2008 [1111.11.111]H86 31-01-12 12/4420 VB 1991 [222.22.222]K17 30-12-02 12/4398 VB 1992 [222.22.222]K27 31-05-03 12/4397 VB 1993 [222.22.222]K37 31-05-03 12/4399 VB 1994 [222.22.222]K47 31-05-03 12/4400 VB 1995 [222.22.222]K57 31-05-02 12/4401 VB 1996 [222.22.222]K67 31-05-02 12/4402 VB 1997 [1111.11.111]K77 31-05-02 12/4412 VB 1998 [1111.11.111]K87 31-05-02 12/4411 VB 1999 [1111.11.111]K97 31-05-02 12/4410 52a-besch. 2008 [1111.11.111] 21-11-11 12/4966 52a-besch. 2009 [1111.11.111] 21-11-11 12/4967 1.2. Bij voormelde (navorderings)aanslagen zijn tot en met IB/PVV 1997 en VB1998 100% verhogingen (aangeduid als boetes) opgelegd waarvan bij de navorderingsaanslagen VB 1995 tot en met VB 1999 de helft is kwijtgescholden. Bij voormelde (navorderings)aanslagen voor de latere jaren zijn 100% boetes opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 augustus 2012 de voormelde (navorderings)aanslagen gehandhaafd en de bedragen aan verhogingen na aftrek van het kwijtgescholden gedeelte ervan, alsmede de boetebeschikkingen verminderd tot 80% in verband met undue delay. In de uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2012 heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen 2008 en 2009 ten name van belanghebbende gehandhaafd. 1.4. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 20 augustus 2012, ontvangen bij de rechtbank op 21 augustus 2012, beroep ingesteld tegen de in 1.3 vermelde uitspraken op bezwaar van 15 augustus 2012. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van zowel belanghebbende als de echtgenoot een griffierecht geheven van € 42. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 21 september 2012, ontvangen bij de rechtbank op 24 september 2012, beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2012 aangaande de informatiebeschikkingen over de aanslagjaren 2008 en 2009. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende eveneens een griffierecht geheven van € 42. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Ter zitting zijn de zaken met procedurenummers AWB 12/4397 tot en met 12/4423, 12/4966, 12/4967 en 13/2058 gelijktijdig behandeld, waarbij zij opgemerkt dat het beroep tegen de in 1.1 vermelde aanslag IB/PVV 2000 eerst na afloop van de zitting bij de rechtbank is geregistreerd onder procedurenummer 13/2058. 1.7. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. De Belgische Bijzondere Belastinginspectie heeft bij brief van 27 oktober 2000 aan het Ministerie van Financiën fotokopieën van microfiches verstrekt (hierna: de microfiches). Deze brief vermeldt dat de microfiches gegevens bevatten in verband met rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB Lux). De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij deze bank per 31 januari 1994. Naar aanleiding van de bij deze brief verstrekte gegevens hebben de FIOD-ECD en de belastingdienst een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject. De ontwikkelingen binnen dit project zijn intern door middel van het Draaiboek Rekeningenproject en nieuwsbrieven verspreid. 2.2. Op de microfiches komen de volgende regels voor: [00-123456-00]-0000 00 0040 TER LDO [X - Y] 458.828,28 [01-123456-01]-0000 00 0040 TER LDO [X - Y] 258.901,44 [02-123456-02]-0000 00 0040 VVE [X - Y] 38,22 Hier staan volgens het Draaiboek Rekeningenproject de eerste 10 cijfers voor het rekeningnummer van de rekeninghouder. De 6 cijfers tussen de gedachtestrepen behoren toe aan één enkele rekeninghouder, dit is een uniek nummer. 2.3. De volledige naam van belanghebbende is [Y]. Belanghebbende is gehuwd met [X]. 2.4. In oktober 2001 is in het zogenoemde tripartite overleg besloten tegen belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek in te stellen, omdat het vermoeden was gerezen dat belanghebbende beschikte over drie bankrekeningen bij de KB Lux die niet in de aangiften van belanghebbende en haar echtgenoot waren vermeld. Naar aanleiding daarvan heeft de FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen belanghebbende betreffende haar aangiften IB/PVV 1996 tot en met 1999 en tegen haar echtgenoot betreffende zijn aangiften IB/PVV 1994 en 1995. 2.5. In een bij proces-verbaal van 16 oktober 2001 op ambtseed opgemaakte verklaring van [ambtenaar], als ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de FIOD te Haarlem, is aangegeven hoe de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder bij de KB Lux in zijn werk is gegaan. In dit proces-verbaal is onder meer opgenomen: “Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux). Dit bestand is op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Op deze manier zijn ruim 2000 rekeninghouders vermoedelijk geïdentificeerd en is voornoemd cliëntenbestand KB Lux onder meer aangevuld met de sofinummers van de vermoedelijke rekeninghouders. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen. Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen zijn opgenomen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand). (…) Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, : 1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor: [X - Y]; 2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt als enige hit naar voren: [X], gehuwd met [Y], sofinr. [222.22.222]; 3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux inclusief sofinummer met het RDW-bestand komt de volgende hit naar voren: JOSEPHUS VAN AAKEN.” 2.6. Eveneens op 30 oktober 2001 heeft er op het woonadres van belanghebbende en haar echtgenoot te [woonplaats] en op het bedrijfsadres van het café van belanghebbende aan de [adres] te [plaats B] een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking zijn afschriften van bankrekeningen van de Belgische Bank Cera en de NMS Bank op naam van belanghebbende aangetroffen. Ter zake van deze bankrekeningen heeft belanghebbende op 17 december 2001 tijdens een verhoor aan de FIOD verklaard dat zij de NMS bankrekening nooit heeft aangegeven in haar aangiften IB/PVV en VB, omdat zij deze bankrekening beschouwde als een “oude sok”. 2.7. De FIOD heeft ter zake van de aangetroffen bankrekeningen van de Cera en NMS bank en het fiche van de KB Lux de volgende berekeningen (in guldens) gemaakt met betrekking tot de ontvangen rente op deze bankrekeningen, waarbij de FIOD voor de KB Lux-rekening is uitgegaan van de 3 maands termijndeposito rentes: 2.8. Naar aanleiding van het op 7 maart 2002 naar de inspecteur verzonden proces-verbaal van de FIOD, waarvan het in 2.7. vermelde overzicht deel uitmaakt, heeft de inspecteur bij brief van 25 maart 2002 de navorderingaanslagen IB/PVV 1994 en 1995 en VB 1995 en 1996 aangekondigd aan de echtgenoot en aan belanghebbende, voor zover hier van belang, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 1999 en VB 1997 tot en met 1999. Ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PVV heeft de inspecteur geen verhogingen aangekondigd in verband met het nog lopende strafrechtelijk onderzoek. Ter zake van de navorderingsaanslagen VB heeft hij verhogingen/boeten van 50% wegens het opzettelijk niet dan wel onjuist indienen van aangiften VB aangekondigd. Voorts heeft de inspecteur verzocht om bescheiden waaruit de volgende onverklaarbare vermogenstijgingen blijken: “Blijkens de saldi van de bankrekeningen per 31 december 1995 en 31 december 1996 zijn de saldi, naast de ontvangen rente, gestegen met tenminste fl. 83.506. In 1997 is het saldo van de bankrekeningen, naast de ontvangen rente, gestegen met tenminste fl. 84.732 en de hypotheek afgelost ter grootte van fl. 93.000. In 1998 is het saldo van de bankrekening, naast de ontvangen rente, gestegen met tenminste fl. 84.605 en een vordering op andere banken ontstaan ad fl. 108.799.” Bij het uitblijven van de bescheiden heeft de inspecteur aangekondigd met omkering van de bewijslast de onverklaarbare vermogenstijgingen over de jaren 1996 tot en met 1998 als andere inkomsten uit arbeid aan te merken. 2.9. Na het uitblijven van een verklaring van belanghebbende voor de onverklaarbare vermogensstijgingen heeft de inspecteur met dagtekening 31 mei 2002 navorderingsaanslagen VB 95 tot en met 1999 aan de echtgenoot danwel belanghebbende opgelegd, telkens inclusief een verhoging van 100%, waarvan de helft is kwijtgescholden. De navorderingsaanslagen zijn als volgt vastgesteld: Vermogensbelasting 1995 ten name van de echtgenoot Verzwegen vermogen fl. 787.647 Overige bankrekeningen fl. 355 Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 788.002 Vermogensbelasting 1996 ten name van de echtgenoot Verzwegen vermogen fl. 813.512 Overige bankrekeningen fl. 663 Woning fl. 83.436 Af: Hypotheek fl. 100.000 Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 797.611 Vermogensbelasting 1997 ten name van belanghebbende Verzwegen vermogen fl. 920.245 Woning fl. 83.436 Af: Hypotheek fl. 93.000 Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 910.681 Vermogensbelasting 1998 ten name van belanghebbende Verzwegen vermogen fl. 1.033.239 Woning fl. 203.000 Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 1.236.239 Vermogensbelasting 1999 ten name van belanghebbende Verzwegen vermogen fl. 1.160.681 Overige bankrekeningen fl. 108.799 Woning fl. 203.000 Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 1.472.480 2.10. Bij brief van 11 juni 2002, ontvangen door de inspecteur op 12 juni 2002, hebben belanghebbende en haar echtgenoot bezwaar aangetekend tegen de opgelegde navorderingsaanslagen VB 1995 tot en met 1999, alsmede tegen de boete. 2.11. Met dagtekening 17 september 2002 heeft de inspecteur naar aanleiding van de eerdere aankondiging navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 1998 met aanslagnummers [1111.11.111]H. 67,77 en 87 aan belanghebbende opgelegd, zonder verhoging. In deze navorderingsaanslagen zijn de verzwegen rente inkomsten overeenkomstig de berekening van de FIOD (onderdeel 2.7.) over deze jaren alsnog in aanmerking genomen, waardoor het nieuwe belastbare inkomen over deze jaren is vastgesteld op fl. 29.201, fl. 37.892 en fl. 86.327. Belanghebbende heeft bij brief van 23 oktober 2002, ontvangen door de inspecteur op 25 oktober 2002, bezwaar gemaakt tegen de onderhavige aanslagen. 2.12. Met dagtekening 22 november 2002 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 ten name van de echtgenoot aangekondigd en een nadere navorderingsaanslag IB/PVV 1997 ten name van belanghebbende. Daarnaast heeft de inspecteur boeten van 100% aangekondigd wegens het opzettelijk nalaten deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. De inspecteur heeft voor het jaar 1997 een nadere navorderingsaanslag IB/PVV aangekondigd naar een belastbaar inkomen van fl. 122.614 (fl. 37.892 + fl. 84.722), omdat belanghebbende geen verklaring heeft gegeven voor de onverklaarbare vermogenstijging van fl. 84.722, zodat hij dit bedrag alsnog als andere inkomsten uit arbeid heeft aangemerkt. Ten aanzien van de echtgenoot zijn navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 aangekondigd, uitgaande van een rendement van 6% terugrekenend vanaf een saldo van € 757.885 per 1 januari1994. Voormeld saldo per 1 januari 1994 is bepaald aan de hand van de berekening van de FIOD (onderdeel 2.7.) door het vermelde saldo per 31 december 1994 van fl. 787.647 te verminderen met het vermelde rentebedrag over 1994 van fl. 29.761 (waarbij een verschil resteert van fl. 1). Het saldo per 1 januari 1990 en 1 januari 1991 is daarbij vastgesteld op fl. 600.314 respectievelijk fl. 636.333. De ontvangen rente in 1990 is berekend op fl. 36.019. Het belastbaar inkomen van de navorderingaanslag IB/PVV 1990 en VB 1991 van de echtgenoot is inclusief het reeds eerder aangegeven belastbaar inkomen vastgesteld op fl. 54.840 (fl. 18.821 + fl. 36.019) respectievelijk fl. 636.333. 2.13. De inspecteur heeft met dagtekening 30 december 2002 conform de aankondiging de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 opgelegd ten name van de echtgenoot en een navorderingsaanslag IB/PVV 1997 ten name van belanghebbende. Belanghebbende en de echtgenoot hebben tegen deze navorderingsaanslagen, alsmede de daarin gegrepen verhogingen en de daarbij berekende heffingsrente, bij brieven van 17 december 2002, ontvangen door de inspecteur op 18 december 2002, bezwaar gemaakt. 2.14. Bij brieven van 25 maart 2003 heeft de inspecteur aangekondigd de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar tegen de in de onderdelen 2.9, 2.11 en 2.13 vermelde navorderingsaanslagen, zonder de toestemming van belanghebbende en de echtgenoot, met ten minste een jaar uit te stellen. Bij brief van 27 mei 2003 heeft de inspecteur de Minister van Financiën op grond van artikel 25, lid 2 (oud) van de AWR verzocht om de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de bezwaren tegen in 2.9 vermelde navorderingsaanslagen voor ten hoogste een jaar te verdagen. De minister heeft bij brief van 11 juni 2003 toestemming gegeven de termijn tot het doen van uitspraak op bezwaar met betrekking tot die navorderingaanslagen te verlengen tot uiterlijk 31 juli 2004. 2.15. De inspecteur heeft bij brief van 8 mei 2003 de navorderingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994 ten name van de echtgenoot aangekondigd, alsmede verhogingen van 100% wegens het opzettelijk niet aangeven van de tegoeden van de KB Lux rekening en het rendement daaruit in de aangiften IB/PVV en VB. Vermeld is dat de correcties zijn gebaseerd op de in 2.12 beschreven systematiek en dat deze bedragen: IB 1991 fl. 38.181 IB 1992 fl. 40.471 IB 1993 fl. 42.900 VB 1992 fl. 674.514 VB 1993 fl. 714.985 VB 1994 fl. 757.885 Ten aanzien van belanghebbende heeft de inspecteur in voornoemde brief voorts nadere navorderingaanslagen IB/PVV 1996 en 1998 aangekondigd, omdat belanghebbende geen verklaring heeft gegeven voor de onverklaarbare vermogenstijgingen in die jaren. Daarbij zijn verhogingen van 100% aangekondigd. Voor de motivering wordt verwezen naar de brief van 17 december 2002. In die brief heeft de inspecteur belanghebbende voor het eerst in kennis gesteld van zijn voornemen nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1998 met 100% boete aan haar op te leggen. Als reden is vermeld dat belanghebbende niet heeft kunnen verklaren hoe de vermogensstijging in 1996 en 1998 van fl. 83.506 en fl. 108.799 zijn ontstaan en dat deze bedragen worden aangemerkt als belastbare andere inkomsten uit arbeid. In die brief is voorts uiteengezet dat belanghebbende wordt verweten dat zij opzettelijk heeft nagelaten de tegoeden en inkomsten daaruit op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. 2.16. Met dagtekening 31 mei 2003 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994, alsmede verhogingen van 100%, aan de echtgenoot opgelegd. Aan belanghebbende zijn nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1998, alsmede verhogingen van 100%, opgelegd. Hierbij is, conform de brief van 25 maart 2002 (zie onderdeel 2.8), het belastbaar inkomen in 1996 en 1998 gecorrigeerd met bedragen aan andere inkomsten uit arbeid van fl. 83.506 respectievelijk fl. 193.404 (fl. 84.605+ fl. 108.799). Dit heeft geresulteerd in nader vastgestelde belastbare inkomens van fl. 112.707 respectievelijk fl. 279.731. 2.17. Bij brieven van 4 juni 2003 hebben belanghebbende en de echtgenoot bezwaar gemaakt tegen de in 2.16 vermelde navorderingsaanslagen. 2.18. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 23 juni 2003 voor het eerst alle voormelde bezwaarschriften nader gemotiveerd. 2.19. De inspecteur heeft bij brief van 31 juli 2003 aangekondigd over een jaar, eventueel te verlengen met nog een jaar, uitspraak op bezwaar te doen op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994 ten name van de echtgenoot en de nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1998 ten name van belanghebbende. 2.20. Bij de brieven van 14 november en 2 december 2003 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2000 aan belanghebbende aangekondigd, alsmede een boete van 100%, wegens het opzettelijk niet aangeven van het rendement uit de banktegoeden in de aangifte IB/PVV. Het in de aangifte IB/PVV 2000 aangegeven stipinkomen van fl. 73.968 is met omkering van de bewijslast verhoogd met een bedrag aan niet aangegeven rente uit het verzwegen vermogen voor een bedrag van fl. 49.236 tot fl. 123.204. 2.21. Met dagtekening 30 december 2003 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2000 naar een belastbaar inkomen van fl. 123.204 aan belanghebbende opgelegd almede een boete van 100%. 2.22. Belanghebbende heeft bij brief van 15 december 2003, ontvangen door de inspecteur op 16 december 2003, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2000. 2.23. De inspecteur heeft bij brief van 29 juni 2004 aangegeven dat op korte termijn uitspraak zal worden gedaan op de in 2.10, 2.11, 2.13 en 2.22 vermelde bezwaren en dat in verband hiermee de gemachtigde van belanghebbende en haar echtgenoot (hierna: gemachtigde) gelegenheid wordt geboden om gehoord te worden. 2.24. Gemachtigde heeft bij brief van 6 juli 2004 aangevoerd eerst de in België door de FIOD bij de huiszoeking in beslag genomen bescheiden en een inhoudelijke reactie op de stellingname van belanghebbende en haar echtgenoot te willen ontvangen. Aangegeven is dat de inspecteur daarna zal worden bericht of belanghebbenden prijs stellen op een hoorzitting. 2.25. De inspecteur heeft op 24 september 2003 de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2001 ontvangen. Bij brief van 4 oktober 2004 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht te bevestigen dat voor de indiening van de aangifte IB/PVV 2001 14 maanden uitstel is verzocht en verleend, zodat de uiterlijke termijn voor het opleggen van de aanslag IB/PVV 2001 eindigt op 1 maart 2006. De gemachtigde heeft namens belanghebbende door ondertekening van voormelde brief het uitstel bevestigd. 2.26. Bij brieven van 7 juni 2005 heeft de inspecteur aangekondigd aanslagen IB/PVV 2001 en 2002 aan belanghebbende op te leggen waarbij zal worden afgeweken van de door haar ingediende aangifte IB/PVV. In deze brieven is vermeld dat correctie verband houdt met het verzwegen banksaldo per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709) op de KB Lux bankrekening [123456]. Daarbij is een vergrijpboete van 100% aangekondigd wegens het opzettelijk niet aangeven van dit verzwegen banktegoed in de aangifte IB/PVV. Vermeld is dat de aangegeven gemiddelde rendementsgrondslag in 2001 van € 302.951 zal worden verhoogd met € 534.927 (het gemiddelde – omgerekend naar euro’s – van fl. 1.140.848 per 1 januari 2001 en fl. 1.216.799 per 31 december 2001) tot € 837.878. Voor het jaar 2002 is vermeld dat de aangegeven gemiddelde rendementsgrondslag van € 289.443 verhoogd wordt met € 552.159 (fl. 1.126.799) tot € 841.602. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal volgens de aankondigingen over de jaren 2001 en 2002 worden vastgesteld op € 33.515 respectievelijk € 33.664. 2.27. Met dagtekening 31 augustus 2005 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2001 en 2002 overeenkomstig de brieven van 7 juni 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 3 van € 33.515 respectievelijk € 33.664, beide verhoogd met een vergrijpboete van 100%. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 18 juli 2005, ontvangen door de inspecteur op 19 juli 2005, bezwaar aangetekend. 2.28. Bij brief van 1 februari 2006 heeft de inspecteur (onder meer) wederom verzocht om alle gegevens met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen, waaronder de afschriften vanaf 1990 van de KB Lux bankrekening en de Belgische bankrekeningen, te overleggen. 2.29. Bij brief van 9 oktober 2006 wijst de inspecteur erop dat gemachtigde heeft toegezegd dat belanghebbenden alsnog een deel van hun bankbescheiden zullen overleggen, maar dat hij nog niets heeft ontvangen. De inspecteur heeft voorts aangekondigd dat de bezwaarschriften van belanghebbenden in principe zullen worden aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad inzake de proefprocedure van Nauta Dutilh. 2.30. Bij brief van 25 oktober 2006 heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij niet weet welke stukken hij nog moet overleggen, aangezien de inspecteur na de huiszoeking in België reeds beschikt over alle Belgische bankrekeningafschriften. 2.31. De inspecteur heeft bij brief van 22 december 2006 aangegeven dat eerder is toegezegd dat alle bescheiden met betrekking tot de Belgische bank- en girobescheiden zouden worden overgelegd en dat hij niet over de Belgische bankafschriften van de CERA- en de NMS Bank vanaf 2000 beschikt. De inspecteur heeft in deze brief de gemachtigde opnieuw verzocht alle bank- en girobescheiden betreffende de buitenlandse bankrekeningen over de jaren 2000 tot en met 2004 te overleggen. 2.32. Met betrekking tot de ingediende aangifte IB/PVV 2003 heeft de inspecteur bij de brieven van 14 juni en 3 juli 2006 belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de niet in de aangifte vermelde tegoeden van de buitenlandse bankrekeningen. Na het uitblijven van een reactie van belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 27 september 2006 aangekondigd te zullen afwijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2003 van belanghebbende in verband met het aanhouden van de KB Lux bankrekening [123456], alsmede een vergrijpboete van 100% op te leggen wegens het opzettelijk niet aangeven van de buitenlandse banktegoeden in de aangifte IB/PVV. Aangegeven is dat de reeds aangegeven rendementsgrondslag van € 161.000 zal worden verhoogd met € 552.159 tot € 713.159, zodat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal worden vastgesteld op € 28.526. 2.33. Met dagtekening 30 november 2006 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.526, alsmede een vergrijpboete van 100%. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 22 november 2006, ontvangen door de inspecteur op 30 november 2006, bezwaar gemaakt. Daarbij is tevens aangegeven dat belanghebbende zich niet kan verenigen met aanhouding van het bezwaar. 2.34. Bij brief van 9 februari 2007 heeft de gemachtigde nogmaals bevestigd dat hij niet instemt met aanhouding van het in 2.33 vermelde bezwaar tot dat in de procedure van Nauta Dutilh onherroepelijk uitspraak is gedaan. 2.35. In de brieven van 4 april 2007 heeft de inspecteur aangekondigd bij de oplegging van de aanslagen IB/PVV 2004 af te wijken van de door belanghebbenden ingediende aangiften IB/PVV 2004, alsmede een vergrijpboete van 100% op te leggen wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. De inspecteur heeft aangegeven dat derhalve bij ieder de helft van het saldo van € 562.540 (het gemiddelde van € 552.159 per 1 januari 2004 en € 572.920 per 31 december 2004) tot de rendementsgrondslag zal worden gerekend, zodat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bij de echtgenoot zal worden vastgesteld op € 12.090 en bij belanghebbende op € 21.470. 2.36. Gemachtigde heeft in zijn brieven van 20 april 2007 erop gewezen dat belanghebbenden ontkennen houder te zijn (geweest) van de door de inspecteur bedoelde KB Lux rekening en voorts aangevoerd dat niet duidelijk is hoe de inspecteur de voorgenomen correctie heeft vastgesteld, zodat geen sprake is van een redelijke schatting. 2.37. De inspecteur heeft bij brieven van 8 mei 2007 aangevoerd dat de brieven van gemachtigde van 20 april 2007 geen aanleiding geven om zijn standpunt te wijzigen. 2.38. Met dagtekeningen 30 juni 2007 en 30 juli 2007 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2004 ten aanzien van belanghebbende en haar echtgenoot opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.470 respectievelijk € 12.090, alsmede vergrijpboeten van 100%. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 13 juli 2007, ontvangen door de inspecteur op 16 juli 2007, bezwaar gemaakt en haar echtgenoot bij brief van 5 juli 2007, ontvangen door de inspecteur op 6 juli 2007. 2.39. In de brief van 17 juli 2007 heeft de inspecteur verzocht om aanhouding van het in 2.38 vermelde bezwaarschrift in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad in de proefprocedure bij Nautha Dutilh. In antwoord hierop heeft de gemachtigde bij brief van 20 juli 2007 verklaard hiermee niet in te stemmen. De inspecteur heeft in zijn brief van 30 juli 2007 verzocht om een opgave van alle binnenlandse- en buitenlandse bankrekeningen en aangegeven dat hij de uitspraaktermijn eenzijdig heeft verlengd tot 15 september 2007. 2.40. In de brieven van 11 maart 2008 heeft de inspecteur aangekondigd bij de oplegging van de aanslagen IB/PVV 2005 te zullen afwijken van de door belanghebbenden ingediende aangiften IB/PVV 2005 en voorts dat er een vergrijpboete van 100% opgelegd zal worden wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. In de brief is verder vermeld dat bij ieder de helft van het saldo van € 581.800 (het gemiddelde van € 572.920 per 1 januari 2005 en € 590.680 per 31 december 2005), zijnde € 290.500 tot de rendementsgrondslag zal worden gerekend, zodat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bij de echtgenoot zal worden vastgesteld op € 12.076 en bij belanghebbende op € 21.513. 2.41. Met dagtekening 30 juni 2008 heeft de inspecteur aan belanghebbende en de echtgenote een aanslag IB/PVV 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.513 respectievelijk € 12.076, telkens met een vergrijpboete van 100%. Hiertegen hebben belanghebbenden bij brieven van 1 juli 2008, ontvangen door de inspecteur op 2 juli 2008, bezwaar gemaakt. 2.42. De inspecteur heeft bij brief van 14 juli 2008 de ontvangst van de in 2.41 vermelde bezwaarschriften bevestigd. Voorts heeft hij verzocht om instemming voor het verlengen van de termijn voor de afwikkeling van die bezwaarschriften tot 1 januari 2009. 2.43. Bij brief van 11 december 2008 heeft de inspecteur verzocht om aanhouding van alle ingediende bezwaarschriften van belanghebbenden, in verband met nog lopende procedures. Het betreffen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1990 tot en met 2005 en VB 1991 tot en met 2000. Belanghebbenden zijn bij brief van 9 april 2009 hiermee akkoord gegaan, met “dien verstande dat belanghebbenden geen afstand doen van beroep op termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM”. 2.44. Bij brieven van 17 december 2008 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbenden met betrekking tot de ingediende aangiften IB/PVV 2006. Bij brieven van 17 maart 2009 heeft de inspecteur aangekondigd te zullen afwijken van de ingediende aangiften IB/PVV 2006. Voorts heeft hij aangekondigd dat er aan hen een vergrijpboete van 100% opgelegd zal worden wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. In de brieven van 17 december 2008 is aangegeven dat bij ieder de helft van het saldo van € 599.936 (het gemiddelde van € 590.680 per 1 januari 2006 en € 608.991 per 31 december 2006), zijnde € 299.918 tot de gemiddelde rendementsgrondslag zal worden gerekend. 2.45. Met dagtekening 31 juli 2009 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2006 aan zowel belanghebbende als haar echtgenoot opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld met inbegrip van de in 2.44 vermelde correcties. Hiertegen hebben belanghebbende en haar echtgenoot bij brieven van 6 augustus 2009 bezwaar gemaakt. 2.46. Bij brief van 21 juli 2009, aangevuld bij brief van 21 augustus met de in 2.45 vermelde bezwaarschriften, heeft de inspecteur verzocht om aanhouding van alle bezwaarschriften van belanghebbenden tot twee maanden na de uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie inzake de 12-jaarstermijn. Belanghebbenden zijn bij brief van 20 augustus 2009 hiermee akkoord gegaan, onder de uitdrukkelijke verklaring dat zij daarbij geen afstand doen van het beroep op termijnoverschrijding ex artikel 6, lid 1 EVRM. 2.47. Op 23 september 2009 heeft de gemachtigde inzage gehad in het dossier van belanghebbenden. In een op dezelfde dag gedagtekende brief heeft de inspecteur aangegeven dat uit het contact met gemachtigde is gebleken dat de bankrekeningen bij Cera wel bij belanghebbenden bekend zijn en dat zij alsnog alle bankstukken van de Cera bank zullen overleggen. Met betrekking tot de bankgegevens van de Cera-bank heeft gemachtigde namens belanghebbenden bij brief van 8 oktober 2009 verklaard dat deze gegevens reeds in hun aangiften IB/PVV zijn vermeld, zodat de inspecteur reeds bekend is met het verloop van de bankrekening bij de Cera-bank. In navolgende correspondentie heeft belanghebbende verklaard niet meer over de bankafschriften van de Cera-bank te beschikken omdat deze tijdens de huiszoeking in beslag zijn genomen. 2.48. Bij de brieven van 18 oktober 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbenden aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV 2007 te gaan opleggen, alsmede vergrijpboetes van 100% wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. Vermeld is dat bij ieder de helft van het saldo van € 621.170 (het gemiddelde van € 608.991 per 1 januari 2007 en € 633.350 per 31 december 2007), zijnde € 310.585 tot de gemiddelde rendementsgrondslag zal worden gerekend. 2.49. Met dagtekening 27 november 2010 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 2007 ten aanzien belanghebbenden opgelegd overeenkomstig voormelde aankondiging. Hiertegen hebben belanghebbenden bij brieven van 6 december 2010 bezwaar gemaakt. 2.50. In de brief van 3 januari 2011 heeft de inspecteur aangegeven alle bezwaarschriften op korte termijn te willen gaan afhandelen, aangezien inmiddels alle formele vragen met betrekking tot de KB Lux-problematiek door de rechter zijn beantwoord. Voorts heeft hij gemachtigde in deze brief uitgenodigd voor een hoorgesprek op woensdag 26 januari 2011. Bij brief van 10 januari 2011 heeft de gemachtigde aangegeven dat zijn cliënt de hoorzitting in persoon wil bijwonen en dat zijn cliënt eind januari wordt opgenomen in het ziekenhuis. 2.51. Op 15 maart 2011 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigde en twee inspecteurs die ook bij de besluitvorming betrokken zijn geweest. De gemachtigde heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. 2.52. De inspecteur heeft bij brieven van 4 juli 2011 belanghebbenden verzocht om alle informatie betreffende de buitenlandse bankrekeningen te overleggen. In deze brieven is voorts vermeld dat indien deze informatie niet wordt overgelegd, de inspecteur voornemens is een kort geding aanhangig te maken waarbij de betreffende informatie op straffe van een dwangsom zal moeten worden overgelegd. 2.53. Bij brief van 11 oktober 2011 heeft gemachtigde verklaard dat hij niet begrijpt dat de inspecteur een inkeer uitsluit nu inkeer door belanghebbenden volgens de gemachtigde nog steeds mogelijk zou moeten zijn. 2.54. Naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV 2008 en 2009 heeft de inspecteur bij brief van 18 oktober 2011 aan belanghebbende verzocht om op grond van artikel 47, lid 1, AWR, alsnog alle gevraagde informatie met betrekking tot het buitenlands vermogen te verstrekken voor 1 november 2011. 2.55. Nadat belanghebbende niet de verzochte informatie heeft verstrekt, heeft de inspecteur, informatiebeschikkingen over het jaar 2008 en 2009 opgelegd, beide met dagtekening 21 november 2011. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 1 december 2011, ontvangen door de inspecteur op 5 december 2011 bezwaar gemaakt. 2.56. Bij brief van 21 november 2011 heeft de inspecteur met betrekking tot de ingediende aangiften IB/PVV 2008 en 2009 van belanghebbende aangekondigd, hiervan te zullen afwijken omdat belanghebbende het tegoed van de KB Lux bankrekening [123456] niet in de aangiften heeft vermeld. Voorts is aangekondigd dat er een vergrijpboete van 100% opgelegd zal worden wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo. Vermeld is dat bij zowel belanghebbende als haar echtgenoot de helft van het saldo van deze bankrekening in 2008, derhalve van € 337.223 (het gemiddelde van € 330.287 per 1 januari 2008 en € 344.159 per 31 december 2008) en in 2009 bij elk de helft van € 350.491 (het gemiddelde van € 344.159 per 1 januari 2009 en € 356.824 per 31 december 2009) tot de gemiddelde rendementsgrondslag zal worden gerekend. 2.57. Met dagtekening 31 januari 2012 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2008 opgelegd naar (onder meer) een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.915. Daarbij is een vergrijpboete van 100% opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. 2.58. Bij uitspraken op bezwaar van 15 augustus 2012 heeft de inspecteur alle in het geding zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV en VB van belanghebbenden met toepassing van artikel 25, derde lid, van de AWR gehandhaafd. De bedragen aan verhogingen na aftrek van het kwijtgescholden gedeelte ervan, alsmede de boetebeschikkingen zijn verlaagd tot 80% in verband met undue delay. De uitspraken op bezwaar zijn bij brieven van 18 juli 2012 en 31 juli 2012 nader door de inspecteur gemotiveerd. 2.59. Bij uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2012 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de informatiebeschikkingen 2008 en 2009 ongegrond verklaard, aangezien belanghebbende niet de verzochte informatie heeft overgelegd. 3. Geschil 3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: 1. Zijn de gegevens waarop de (navorderings)aanslagen en de boetes zijn gebaseerd (microfiches) rechtmatig verkregen en betrouwbaar? 2. Waren belanghebbenden op 31/1/94 rekeninghouder van een drietal bankrekeningen bij de KB Lux met een saldo van in totaal f. 717.676? 3. Zijn de navorderingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1993, 1996 en VB 1991 tot en met 1996 met toepassing van de verlengde navorderingstermijn voortvarend opgelegd? 4. Zijn de nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1997, IB/PVV 1998 voldoende voortvarend opgelegd? 5. Zijn de aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2008 ten name van belanghebbende binnen de aanslagtermijn opgelegd? 6. Zijn de (navorderings)aanslagen en de vergrijpboeten terecht en naar een juist bedrag vastgesteld? 7. Zijn de informatiebeschikkingen 2008 en 2009 terecht aan belanghebbende opgelegd? 8. Kan toekenning van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbenden achterwege blijven? Belanghebbenden beantwoorden voormelde vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede op hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen, de kwijtscheldingsbesluiten, de beschikkingen heffingsrente alsmede de informatiebeschikkingen en voorts tot vergoeding van de immateriële schade. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep betreffende de informatiebeschikking over 2008 en voor het overige tot ongegrondverklaring van het beroep. 4. Beoordeling van het geschil Voorafgaand: aanslagen IB/PVV 2001 t/m 2003 ten name van belanghebbende 4.1.1. De inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat de correcties IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2003, ten onrechte geheel bij belanghebbende zijn aangebracht en derhalve met de helft dienen te worden verminderd. Naar het oordeel van de rechtbank is in zoverre het beroep van belanghebbende gegrond. 4.1.2. Bij gebrek aan een verstrekte cijfermatige uitwerking van het in 4.1.1. vermelde heeft de rechtbank de verminderingen als volgt berekend: IB/PVV 2001: 4% over de helft van € 534.927 (correctie gemiddelde rendementsgrondslag) = € 10.699 IB/PVV 2002: 4% over de helft van € 552.159 (correctie gemiddelde rendementsgrondslag) = € 11.043 IB/PVV 2003: 4% over de helft van € 552.159 (correctie gemiddelde rendementsgrondslag) = € 11.043 4.1.3. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen komt daarmee uit op: IB/PVV 2001: € 22.816 (= € 33.515 vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen min € 10.699) IB/PVV 2002: € 22.621 (= € 33.664 vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen min € 11.043) IB/PVV 2003: € 17.483 (= € 28.526 vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen min € 11.043) De (on)rechtmatigheid van het bewijs 4.2.1. Belanghebbenden stellen dat het door de inspecteur gebezigde bewijs, omtrent het door belanghebbenden beschikken over bankrekeningen bij KB Lux, onrechtmatig is verkregen en dat de (navorderings)aanslagen en beschikkingen om die reden dienen te worden vernietigd. Hiertoe voeren belanghebbenden – heel kort samengevat – het volgende aan. De Belgische autoriteiten hebben ten onrechte verzuimd uit eigen beweging de Nederlandse autoriteiten te informeren over het sinds 1998 lopende onderzoek in België tegen opsporingsambtenaren en onderzoeksrechter [onderzoeksrechter]. De Nederlandse autoriteiten hadden op hun beurt reeds in 1998, gelet op publicaties over dat onderzoek in de Belgische media, waarvan afschriften tot de gedingstukken behoren, op eigen initiatief gebruik kunnen en moeten maken van de hun ten dienste staande mogelijkheden om geïnformeerd te worden over de wijze waarop de Belgische overheid de renseignementen heeft verkregen. Voormeld overheidsoptreden, dat van Nederland in het bijzonder, achten belanghebbenden strijdig met het recht van belanghebbenden op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek: het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play. Voorts hadden de renseignementen volgens belanghebbenden niet mogen worden uitgewisseld op basis van de goede trouw in de zin van het Verdrag met Wenen, het internationale vertrouwensbeginsel, het Belastingverdrag met België en de zogeheten Bijstandsrichtlijn. 4.2.2. De rechtbank stelt voorop dat uitwisseling van informatie die in een voorafgaande fase onrechtmatig in andere handen is overgegaan, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen strijd oplevert met enig door belanghebbenden aangehaald verdrag, richtlijn of rechtsbeginsel. 4.2.3. Vaststaat dat het bewijs afkomstig is van de Belgische overheid en is verstrekt op grond van de Richtlijn 77/799/EEG van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG) (hierna: de Richtlijn), met verwijzing naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 19 oktober 1970. 4.2.4. De Richtlijn is uitsluitend gericht tot de lidstaten. Belastingplichtigen, zoals belanghebbenden, kunnen daaraan dus geen rechten ontlenen. Reeds hierom faalt de stelling van belanghebbenden dat de renseignementen wegens schending van de Richtlijn in deze procedure als non existent gelden danwel anderszins buiten beschouwing moeten worden gelaten. Deze stelling faalt ook om de volgende reden. In de onderhavige zaken is geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen de fiscale autoriteiten van Luxemburg en Nederland of van Luxemburg en België, maar van het (spontaan) overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. Daarom is geen sprake van gevallen zoals bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, en artikel 8, derde lid, van de Richtlijn, waar belanghebbenden, naar de rechtbank begrijpt, op doelen. De Richtlijn mist derhalve in zoverre toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137). 4.2.5. Op grond van het internationale vertrouwensbeginsel mag de Nederlandse belastingdienst ervan uitgaan dat in België de daar geldende voorschriften zijn nageleefd die het doorzenden van de door de Belgische belastingdienst verkregen informatie naar de Nederlandse belastingdienst regelen. Een schending van die voorschriften is overigens evenmin aannemelijk gemaakt en zou, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet tot gevolg hebben dat de door België verstrekte informatie in deze zaak niet als bewijs zou mogen worden gebruikt. 4.2.6. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het tussen Nederland en België geldende verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten of de goede verdragstrouw in de zin van het Verdrag van Wenen zich tegen verzetten tegen gebruikmaking van de renseignementen in de onderhavige procedure. 4.2.7. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanwijzing dat Belgische of Nederlandse overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of indirect betrokken zijn geweest bij de onrechtmatige verkrijging van de informatie van KB Lux of op enigerlei andere wijze frauduleus gedrag van ex-werknemers van KB Lux hebben geïnitieerd of gefaciliteerd. 4.2.8. De rechtbank is verder van oordeel dat de Nederlandse fiscale en justitiële autoriteiten op geen enkel tijdstip de verplichting hadden om zelfstandig een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de Belgische autoriteiten de informatie in handen hebben gekregen. Wetenschap omtrent die verkrijging acht de rechtbank in deze ook niet van belang. 4.2.9. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat in enig stadium van de verkrijging van de informatie, vanaf de verkrijging in Luxemburg tot en met de verkrijging van de informatie door de Nederlandse belastingdienst, onrechtmatig of onzorgvuldig is gehandeld tegenover belanghebbenden zelf, laat staan dat op zo ernstige wijze een tot bescherming van het belang van belanghebbenden strekkende norm zou zijn geschonden, dat de microfiches zouden dienen te worden uitgesloten van het bewijs tegen belanghebbenden in de onderhavige procedure. 4.2.10. Verder acht de rechtbank, anders dan belanghebbenden, de inhoud en herkomst van de renseignementen voldoende controleerbaar. 4.2.11. Er zijn de rechtbank geen feiten aannemelijk geworden waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat aan belanghebbenden het recht op een eerlijke behandeling van hun zaak door de Nederlandse belastingautoriteiten en de Nederlandse rechter wordt ontnomen danwel dat zodanig in strijd is gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur dat het gebruik van de verkregen gegevens ontoelaatbaar is. 4.2.12. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inspecteur de renseignementen mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde (navorderings)aanslagen en beschikkingen. De identiteit van de rekeninghouder 4.3.1. De rechtbank stelt voorop dat de op de microfiches vermelde informatie omtrent de rekeninghouder zeer summier is. De informatie is zo summier dat naar het oordeel van de rechtbank extra zorgvuldigheid geboden is bij de identificatie van de vermelde rekeninghouders. Voorkomen moet immers worden dat personen, wier gegevens wel overeenkomen met de vermelde informatie maar die met de KB Lux niets van doen hebben, met aanslagen en boeten worden geconfronteerd. 4.3.2. De voornaam van de echtgenoot van belanghebbende is [voornaam X], zijn achternaam is [achternaam X]. Hij is gehuwd met [Y]. Uit het identificatieproces kwam, naar de heer [ambtenaar] geloofwaardig heeft verklaard, slechts één hit naar voren waarin “[X]” een partner heeft met de achternaam “[Y]”. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van achternamen tezamen met de voornaam van de echtgenoot zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding op het microfiche op enig andere persoon dan belanghebbenden kan slaan. De door de inspecteur gehanteerde identificatiemethode, zoals onder 2.5 is opgenomen, acht de rechtbank derhalve - anders dan belanghebbenden - betrouwbaar. 4.3.3. Ter zitting hebben belanghebbenden nog gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat personen met een verkeerde naam staan vermeld op het fiche. Aannemelijk is dat KB Lux bij de tenaamstelling van de rekening is uitgegaan van een identiteitsbewijs. Situaties waarin een onjuiste overname van de daarop vermelde naam niet bij een controle bij de bank of door de rekeninghouder zou zijn opgemerkt en tot rechtzetting van de fout zou hebben geleid, zullen zich echter naar het oordeel van de rechtbank niet voordoen. Ook de eerst ter zitting door belanghebbenden aangevoerde omstandigheid dat er gevallen van misidentificatie bekend zijn, rechtvaardigt geen ander oordeel. 4.3.4. Gelet op het onder 4.3.2. overwogene acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende en haar echtgenoot per 31 januari 1994 beschikten over de onderhavige bankrekeningen bij de KB Lux en gerechtigd waren tot de op de microfiches onder de naam “[X - Y]” vermelde bedragen. 4.3.5. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 4.3.4. en de hoogte van de gerenseigneerde saldi, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbenden ook voor en gedurende de jaren na 1994 beschikte over aanzienlijke bedragen aan (en inkomsten uit) vermogen die niet in de aangiften zijn vermeld. Voortvarendheid: twaalfjaarstermijn 4.4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ter zake van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR (de twaalfjaarstermijn) niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1996 en VB 1991 tot en met 1996 met toepassing van de twaalfjaarstermijn zijn opgelegd. Voor wat betreft de IB/PVV 1994 en 1995 heeft de rechtbank bij uitspraak van 4 januari 2013 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, zodat deze navorderingsaanslagen geen deel uitmaken van deze procedure. Voor wat betreft de resterende genoemde navorderingsaanslagen overweegt de rechtbank als volgt. 4.4.2. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.