← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2014:1911

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 996503-07 vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 24 maart 2014 in de strafzaak tegen Dow Benelux B.V. gevestigd te [adres] raadslieden mrs. Van Liere en Spijkerman, advocaten te ‘s-Gravenhage 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 14, 15, 17 en 21 januari 2014, 4 en 7 februari 2014 en 10 maart 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging Verdachte (hierna: Dow) staat terecht, terzake dat: zaak 1, de spill van benzeen uit slobtank AD-26 1. zij op of omstreeks 13 juni 2005 te Terneuzen in/op de ethyleenbenzeenfabriek EB-4 opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten benzeendamp in de lucht heeft gebracht door vloeibare benzeen vanuit tank A-26 te laten overlopen, waardoor benzeendampen zijn ontstaan, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(

  1. en)te duchten was, te weten explosiegevaar en/of brandgevaar en /of gevaar voor blootstelling aan benzeen voor [werknemer 1] en/of [werknemer 2] en/of [werknemer 3] en/of [werknemer 4] en/of andere werknemers die zich op dat fabrieksterrein bevonden, in elk geval voor één of meer personen die zich op dat fabrieksterrein bevonden; 2. zij op of omstreeks 13 juni 2005 te Terneuzen als degene die een inrichting dreef, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoorde, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij met betrekking tot het overbrengen/overpompen van benzeen van de tank AD-433 naar de tank AD-26 niet, althans onvoldoende de vereiste veiligheidsmaatregelen in acht genomen - door het op onveilige en/of ongecontroleerde wijze overbrengen/overpompen van die benzeen via een niet goed werkende pomp, althans niet via een pomp en/of niet met een veilige vulsnelheid en/of - door het in niet werking hebben van een goed functionerende niveaubeveiligingen tegen het overlopen van de tank AD-26 en/of - door het laten verrichten van werkzaamheden met betrekking tot bovenstaande, door een buitenoperator die daartoe niet was opgeleid en/of niet deskundig was; 3. zij op of omstreeks 13 juni 2005 te Terneuzen, terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 4 juni 1991 een vergunning, thans krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het oprichten en in werking hebben van een Ethyleenbenzeenfabriek, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1, 2, 3, 4, 5 en 27 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers -werden werkzaamheden die gevaar, schade of hinder (inclusief bodemverontreiniging), luchtverontreiniging of geluidhinder konden veroorzaken, te weten werkzaamheden als zelfstandig buitenoperator tijdens de opstartfase van de fabriek, verricht door [werknemer 1] die daartoe niet opgeleid en/of niet terzake deskundig was; (voorschrift I.4) -werd de goede werking van beveiligings- en alarmeringsapparatuur, met inbegrip van veiligheidskleppen, die bij falen gevaar, schade, hinder of luchtverontreiniging konden veroorzaken, te weten de zeer hoog niveau beveiliging van de AD-26, niet regelmatig gecontroleerd. (voorschrift I.5) -verkeerden niet alle installaties en voorzieningen waarop deze vergunning betrekking had in goede staat, immers functioneerden de niveaubeveiligingen tegen het overlopen van de tank AD-26 niet of niet voldoende; (voorschrift I.6); zaak 3, klemband van de thermowell TW-B-016 4. zij in of omstreeks de periode 19 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2006 te Terneuzen in/op de ethyleenbenzeenfabriek EB-4 opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten benzeen(damp), in de lucht heeft gebracht door die benzeen(damp) uit transportleiding AG 01001, in elk geval uit een leiding te laten lekken of ontsnappen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(
  2. en)te duchten was, te weten explosiegevaar en/of brandgevaar en/of gevaar voor blootstelling aan benzeen voor werknemers van [bedrijf 1] en/of werknemers van verdachte die zich op dat fabrieksterrein bevonden, in elk geval voor één of meer personen die zich op dat fabrieksterrein bevonden; 5. zij in of omstreeks de periode 12 juni 2005 tot en met 28 augustus 2006 te Terneuzen als degene die een inrichting dreef, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoorde, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij met betrekking tot een lekkage van de transportleiding AG 01001 ter plaatse van de thermowell TW-B-016 in de ethylbenzeen-4 fabriek een klemband en/of kopklemmen tegen die lekkage geïnstalleerd of laten installeren en/of gebruikt en/of in stand gehouden als tijdelijke voorziening of noodvoorziening tegen die lekkage terwijl - in strijd met de eigen procedure [procedure 1] geen Management of Change (MOC) procedure was gevolgd voor de plaatsing van die klemband en/of kopklemmen en/of - in strijd met de procedure 02.12 "Hottap, noodreparatie klembeugel injectie afsluiter", de klemband en/of kopklemmen niet waren opgenomen in het GEMST systeem voor een 3 maandelijkse inspectie en/of - geen definitief reparatieplan was opgesteld terwijl de klemband en/of kopklemmen niet als een permanente reparatie konden worden beschouwd en/of - die klemband en/of die kopklemmen meer malen lekkages niet afdoende afdichtte en/of - geen, althans onvoldoende rekening werd gehouden met de gevolgen van de temperatuurwisselingen en/of drukwisselingen van een breakdown en het weer opstarten na die breakdown op het functioneren van de klemband en/of kopklemmen en/of op de staat van die leiding en/of heeft zij in de periode van 19 tot en met 25 augustus 2006, terwijl er ernstige benzeenlekkage ontstond, die fabriek niet stilgelegd en/of medewerkers van [bedrijf 1] werkzaamheden in een brand- en explosiegevaarlijke situatie laten verrichten en/of heeft zij op 28 augustus 2006, terwijl een zwaar ongeval was ontstaan, te weten een brand en/of een zware benzeenemissie, onvoldoende medewerking gegeven aan en/of onvoldoende informatie verstrekt aan de Hoofd officier van dienst van de brandweer Terneuzen; 6. zij in of omstreeks de periode 12 juni 2005 tot en met 28 augustus 2006, althans in of omstreeks de periodes 12 tot en met 17 juni 2005 en/of 4 tot en met 9 augustus 2005 en/of 7 tot en met 21 september 2005 en/of 1 november 2005 tot en met 6 december 2005 en/of 15 tot en met 21 juni 2006 en/of 19 tot en met 28 augustus 2006 te Terneuzen, terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 4 juni 1991 een vergunning, thans krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het oprichten en in werking hebben van een Ethyleenbenzeenfabriek, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1, 2, 3, 4, 5 en 27 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met één of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers -verkeerden niet alle installaties en voorzieningen waarop deze vergunningen betrekking had in goede staat, immers was de transportleiding AG 01001 ter plaatse van de thermowell TW-B-016 lek; (voorschrift I.6); 7. zij in de periode 19 tot en met 25 augustus 2006 te Terneuzen als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, te weten de ethylbenzeen-4 fabriek, dreef, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten een emissie van benzeen in een transportleiding en/of aan de daaraan geïnstalleerde klemband, opzettelijk dat voorval niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bestuursorgaan, dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8 lid 1 van voornoemde wet voor die inrichting te verlenen; zaak 4, de strainer 8. zij op of omstreeks 3 september 2006 te Terneuzen in/op de ethyleen 2 fabriek opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten kraakgas, zijnde een mengsel van propyleen, methaan, butaan, ethaan, waterstof en pentaan, in elk geval een gas bevattende één of meer van deze stoffen, in de lucht heeft gebracht, door die stoffen te laten lekken of ontsnappen uit een strainer in de waterafloop van het knock-out drum FA 207, in elk geval uit een leiding, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was, te weten explosiegevaar en/of brandgevaar en/of gevaar voor blootstelling aan die stoffen voor [operator] en/of voor andere werknemers van verdachte die zich op dat fabrieksterrein bevonden, in elk geval voor (een) perso(o)n(
  3. en)die zich op dat fabrieksterrein bevonden; 9. zij in of omstreeks de periode 3 augustus 2006 tot en met 3 september 2006 te Terneuzen als degene die een inrichting dreef, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoorde, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij -een strainer in de waterafloop van het knock-out drum FA 207 toegepast, terwijl voor het toepassen van die strainer geen veiligheidsstudie was verricht, in elk geval terwijl de risico's van de toepassing van die strainer niet of onvoldoende waren onderzocht en/of geïdentificeerd en/of de beperkingen van die risico's onvoldoende waren geborgd en/of -die strainer toegepast als filter, terwijl die strainer voor dat gebruik niet of onvoldoende geschikt was en/of -die strainer toegepast, terwijl deze onvoldoende gecontroleerd en/of geïnspecteerd en/of onderhouden was en/of terwijl gebruik werd gemaakt van ongeschikte en/of onvoldoende onderhouden draadeinden, moeren en/of bouten en/of -het schoonmaken en/of wisselen van de filters van die strainer in strijd met haar procedure 04.00 "Openen leidingen en apparatuur" niet in een procedure omschreven of vastgelegd en/of -op of omstreeks 3 september 2006 een operator, genaamd [operator] werkzaamheden aan die strainer laten verrichten, terwijl die operator daarvoor onvoldoende opgeleid was en/of onvoldoende deskundig was; 10. zij in of omstreeks de periode 3 augustus 2006 tot en met 3 september 2006 te Terneuzen, terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 10 februari 1998 een vergunning, thans krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in werking hebben van een LHC-complex, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1, 2, 3, 4, 5 en 27 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers -werden op of omstreeks 3 september 2006 werkzaamheden die gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, te weten werkzaamheden aan een strainer in de waterafloop van het knock-out drum FA 207 verricht door [operator], die daartoe niet opgeleid en/of niet ter zake deskundig was (voorschrift A 6) en/of -verkeerden niet alle installaties en voorzieningen waarop deze vergunningen betrekking had, steeds in goede staat en/of functioneerden zij niet naar behoren, zulks terwijl dit voor het vermijden van nadelige gevolgen voor het milieu van belang was, immers werd die strainer toegepast als filter, terwijl die strainer voor dat gebruik niet of onvoldoende geschikt was en/of verkeerde die strainer met betrekking tot de draadeinden, bouten en/of moeren waarmee het deksel gemonteerd was in onvoldoende staat (voorschrift A7); 11. zij op of omstreeks 3 september 2006 te Terneuzen als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer dreef, te weten het LHC-complex, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten een emissie van kraakgas bij een strainer in de waterafloop van het knock-out drum FA207, opzettelijk dat voorval niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bestuursorgaan, dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8 lid 1 van voornoemde wet voor die inrichting te verlenen; zaak 6, de reboiler 12. zij op of omstreeks 19 september 2006 te Terneuzen in/op de ethyleen 2 fabriek opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten een gasmengsel van propeen en/of propaan en/of 1,3-butadieen in de lucht heeft gebracht door die stof(fen) te laten lekken of ontsnappen uit de reboiler EA-360S, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was, te weten explosiegevaar en/of brandgevaar en/of gevaar voor blootstelling aan die stof(fen) voor [werknemer 6] en/of andere werknemers van verdachte die zich op dat fabrieksterrein bevonden, in elk geval voor één of meer personen die zich op dat fabrieksterrein bevonden; 13. zij in of omstreeks de periode juli 2006 tot en met 19 september 2006 te Terneuzen als degene die een inrichting dreef, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoorde, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers -heeft zij de gevaren en risico's van het installeren van de bovencone van reboiler EA-360S niet, althans onvoldoende geïdentificeerd of onderkend en/of heeft zij na die installatie niet of onvoldoende gecontroleerd op de juiste installatie en/of op lekdichtheid van die reboiler en/of de aansluitingen op die reboiler en/of -heeft zij er niet voor gezorgd dat de drainafsluiters naar de flare van de reboilers EA-360S en/of EA-361S en/of EA-361 en/of EA-360 goed functioneerden en/of - heeft zij de gevaren en risico's van het niet goed functioneren van voormelde drainafsluiters niet of onvoldoende geïdentificeerd of onderkend en/of - heeft zij een operator de drainafsluiters naar de flare van de reboiler EA-360S en/of EA-361S laten openen, terwijl hij niet wist dat de centrale drainafsluiter E naar de flare gesloten was en/of -was die centrale drainafsluiter E niet of moeilijk bereikbaar en bedienbaar en/of -heeft zij niet conform het eigen bedrijfsnoodplan procedure 37.01 toen er een noodsituatie, te weten een ongecontroleerde ontsnapping van gas plaatsvond, deze noodsituatie tijdig gemeld via het telefoonnummer 2222, in elk geval niet tijdig het noodplan in werking laten treden; 14. zij in of omstreeks de periode juli 2006 tot en met 19 september 2006 te Terneuzen, terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 10 februari 1998 een vergunning, thans krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in werking hebben van een LHC-complex, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1, 2, 3, 4, 5 en 27 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers verkeerden niet alle installaties en voorzieningen waarop deze vergunning betrekking had, steeds in goede staat en/of functioneerden zij niet naar behoren, zulks terwijl dit voor het vermijden van nadelige gevolgen voor het milieu van belang was, immers was de bovencone van reboiler EA-360S niet goed geïnstalleerd en/of lekte bovenflens van die reboiler en/of lekten de drainafsluiters naar de flare van de reboilers EA-360S en/of EA-361S en/of EA-361 en/of EA-360; (voorschrift A7); 15. zij op of omstreeks 19 september 2006 te Terneuzen als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer dreef, te weten het LHC-complex, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten een emissie van een gasmengsel van propeen en/of propaan en/of 1,3-butadieen bij de reboiler EA-360S, opzettelijk dat voorval niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bestuursorgaan, dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8 lid 1 van voornoemde wet voor die inrichting te verlenen; zaak 7, de Biox-installatie 16. zij in of omstreeks de periode 19 maart 2006 tot en met 20 maart 2006 te Terneuzen, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten benzeendampen in de lucht heeft gebracht door in/vanuit de Ethyleen 3 fabriek spoelwater, bevattende benzeen in een (deels) open afvalwatersysteem en/of in de Biox zuiveringsinstallatie te brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was, te weten explosiegevaar en/of brandgevaar en/of gevaar voor blootstelling aan die stof(fen) voor werknemers die werkzaamheden in die fabriek en/of in of nabij dat afvalwatersysteem en/of die Biox zuiveringsinstallaties verrichten, in elk geval voor één of meer personen die zich aldaar bevonden; 17. zij in of omstreeks de periode 19 maart 2006 tot en met 20 maart 2006 te Terneuzen, terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 10 februari 1998 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in werking hebben van een LHC complex (chemisch-petrochemische industrie) zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1, 2, 4 en 5 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, en/of terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 16 augustus 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het wijzigen van voormeld LHC complex, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschrift A2 verbonden aan de vergunning van 10 februari 1998 en/of voorschrift 1.2 verbonden aan de vergunning van 16 augustus 1999, immers heeft zij toen daar niet vooraf melding gemaakt aan de directie Ruimte, Milieu en Water van voormelde Provincie van voorgenomen noodzakelijke bedrijfsactiviteiten, die meer dan nadelige gevolgen voor het milieu konden hebben dan onder normale bedrijfsomstandigheden was toegestaan, te weten het brengen van afvalwater (spoelwater) met monocyclische aromatische koolwaterstoffen (MAK's), in elk geval afvalwater (spoelwater) met een TOC gehalte dat hoger was dan toegestaan volgens het eigen Turnaround Execution Plan Ethyleen-3 turnaround 2006, in het deels open afvalwatersysteem voor niet oliehoudend proceswater; 18. zij op of omstreeks 20 maart 2006 te Terneuzen opzettelijk zich heeft gedragen in strijd met een voorschrift verboden aan de aan haar op 16 maart 2004 door of namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat onder nummer WVO 1937 verleende vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, immers heeft zij toen daar het effluent van de biox via lozingspunt C geloosd, terwijl het gehalte aan MAK's totaal in een willekeurig monster van dat effluent ongeveer 2071 ug/l bedroeg, in elk geval meer dan 250 ug/l; zaak 8, ventgassysteem van de Styrenic Natural Plant 19. zij in of omstreeks de periode 29 augustus 2007 tot en met 5 september 2007, te Terneuzen, terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 7 maart 2001 een vergunning, krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in werking hebben van een fabriek voor de productie van hard plastic en ABS, de Styrenic Naturals Plant , zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1, 2, 3, 4, 5 en 27 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers verkeerden niet alle installaties en voorzieningen waarop deze vergunningen betrekking had, steeds in goede staat en/of functioneerden zij niet naar behoren, terwijl dit voor het vermijden van nadelige gevolgen voor het milieu van belang was, immers was het ventgassysteem van de trein 5 voedingstanks geheel of gedeeltelijk verstopt (voorschrift 1.7); 20. zij in of omstreeks de periode 31 augustus 2007 tot en met 5 september 2007, te Terneuzen, als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 1 .1 van de Wet milieubeheer dreef, te weten de Styrenic Naturals Plant, waarin zich een ongewoon voorval voordeed of had voorgedaan, te weten de gehele of gedeeltelijke verstopping van het ventgassysteem van de trein 5 voedingstanks, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, niet onmiddellijk de maatregelen heeft getroffen, die redelijkerwijs van haar konden worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis, te weten de emissie van acrylonitril, te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet konden worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken; en voor zover terzake het onder 20 tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat zij in of omstreeks de periode 31 augustus 2007 tot en met 5 september 2007, te Terneuzen, terwijl aan haar door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland bij besluit van 7 maart 2001 een vergunning, krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in werking hebben van een fabriek voor de productie van hard plastic en ABS, de Styrenic Naturals Plant , zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1, 2, 3, 4, 5 en 27 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers heeft zij er niet continu naar gestreefd om de emissie van acrylonitril in trein 5 te reduceren, immers werd - terwijl voormeld ventgassysteem door voormelde verstopping niet meer (volledig) functioneerde - de productie voortgezet en werd geaccepteerd dat daarbij emissies van acrylonitril naar de atmosfeer plaatsvonden; 21. zij in of omstreeks de periode 31 augustus 2007 tot en met 3 september 2007, te Terneuzen, als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer dreef, te weten de Styrenic Naturals Plant, waarin zich een ongewoon voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten de gehele of gedeeltelijke verstopping van het ventgassysteem van de trein 5 voedingstanks, aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet te verlenen, niet zodra zij bekend waren, de gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan en/of de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen en/of andere gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het milieu van het voorval te kunnen beoordelen en/of de maatregelen die zijn genomen of werden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken; de knock-out drum FA 953 22. zij op of omstreeks 5 en/of 6 juli 2008 te Terneuzen als degene die een inrichting dreef, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoorde, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij met betrekking tot het stoppen van de styreen-4 plant en/of het gebruiken van het fakkelsysteem -de risico's als gevolg van het onbedoeld inbrengen van zuurstof in het fakkelsysteem onvoldoende geïnventariseerd en/of onderkend en/of -in strijd met de procedure "stopverhaal cracker 4 2008" zuurstof in de reactor gebracht, terwijl de afsluiter van de drukregeling van de CT-7 naar de atmosfeer niet open was gezet en/of de blokklep DO-215 naar het fakkelsysteem niet dicht was gezet, waardoor zuurstof in het fakkelsysteem kon komen en/of -het uitvoeren van voornoemde maatregelen uit voormelde procedure onvoldoende geborgd en/of gecontroleerd en/of -niet of onvoldoende gereageerd op het zuurstofalarm van de drum AD-196 en/of -niet of onvoldoende gecommuniceerd over dat zuurstofalarm met de LHC 2 area, alwaar dat fakkelsysteem werd beheerd en/of -geen althans onvoldoende automatisch werkende technische voorzieningen aangebracht welke waarschuwen en/of ingrijpen bij de introductie van zuurstof in het fakkelsysteem. 3De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding 3.1.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding op onderdelen nietig moet worden verklaard. Daartoe heeft zij gesteld dat de verdediging niet duidelijk is wat de opsteller van de tenlastelegging Dow precies verwijt, waardoor zij niet met voldoende mate van nauwkeurigheid verweer kan voeren. Meer in het bijzonder heeft de verdediging in zaak 1, ten aanzien van de feiten 2 en 3, aangevoerd dat de tenlastelegging op twee gedachten lijkt te hinken. De feitelijke uitwerking lijkt – kort samengevat – zich niet alleen te kunnen richten op voorschriften krachtens de Wet milieubeheer (Wm), maar lijkt ook te kunnen zien op de strafbaarstelling via de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Verder is aangevoerd dat de uitwerking als normadressaat van de Wm onder feit 2 cumuleert met de afzonderlijk onder feit 3 tenlastegelegde overtredingen van de Wm. Een verweer van gelijke strekking is gevoerd in zaak 3, ten aanzien van de feiten 5 en 6, in zaak 4, ten aanzien van de feiten 9 en 10, in zaak 6 ten aanzien van de feiten 12 en 13 (bedoeld zal zijn de feiten 13 en 14) en ten aanzien van feit 22. 3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, nu in alle zaken waarin artikel 5 Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) is tenlastegelegd opzettelijk handelen verweten wordt, het onmiskenbaar is dat het misdrijf van artikel 8.40 Wm ten laste is gelegd. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal moeten beoordelen of het voor Dow duidelijk is geweest waartegen zij zich heeft moeten verdedigen. Onder feit 2 is verdachte tenlastegelegd dat zij opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Dit is feitelijk uitgewerkt met het verwijt dat niet of onvoldoende de juiste veiligheidsmaatregelen in acht zijn genomen bij het overbrengen van benzeen van tank AD-433 naar tank AD-26. Daarbij is genoemd het op onveilige en/of ongecontroleerde wijze overbrengen van die benzeen, het niet in werking hebben van een goed functionerende beveiliging tegen het overlopen van de tank en het laten verrichten van werkzaamheden door niet opgeleid of niet deskundig personeel. Eenzelfde verwijt is verdachte onder feit 5 gemaakt. Feitelijk is dit uitgewerkt met het verwijt dat Dow een klemband en kopklemmen heeft laten installeren tegen een lekkage terwijl onder meer in strijd werd gehandeld met de eigen Dow-regels. De klemband dichtte de lekkages niet afdoende af en geen rekening werd gehouden met de gevolgen van temperatuurwisselingen en/of drukwisselingen. Onder feit 9 is hetzelfde verwijt gemaakt. Daarbij is Dow verweten dat zij in de waterafloop van de knock-out drum een strainer heeft toegepast, terwijl daarvoor geen veiligheidsstudie is verricht en die strainer voor dat gebruik niet of onvoldoende geschikt is. In dit kader wordt Dow verder verweten dat de strainer onvoldoende is gecontroleerd en/of geïnspecteerd en dat de strainer is schoongemaakt op een wijze die in strijd is met de eigen Dow-regels. Tenslotte wordt Dow in dit kader verweten dat de operator onvoldoende opgeleid en deskundig is. Het opzettelijk niet alle maatregelen treffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken is eveneens onder feit 13 tenlastegelegd. Daarbij is Dow het verwijt gemaakt dat zij de gevaren en risico’s van het installeren van de bovencone van de reboiler niet of onvoldoende heeft onderkend en de reboiler niet of onvoldoende heeft gecontroleerd op de juiste installatie en lekdichtheid. Verder is het verwijt gemaakt dat zij er niet voor gezorgd heeft dat de drainafsluiters naar de flare van de reboilers goed functioneerden. Evenmin heeft Dow de gevaren en risico’s van het niet goed functioneren daarvan onderkend. Daarnaast wordt nog een aantal concreet genoemde verwijten genoemd. Tenslotte is Dow ook onder feit 22 eenzelfde verwijt gemaakt. Met betrekking tot het stoppen van de styreen-plant en het gebruik van het fakkelsysteem heeft zij de risico’s als gevolg van het onbedoeld inbrengen van zuurstof in het fakkelsysteem onvoldoende geïnventariseerd of onderkend. Daarnaast is Dow verweten dat zij in dit kader in strijd heeft gehandeld met de eigen procedure en dat zij onder meer onvoldoende gereageerd heeft op het zuurstofalarm. Vooropgesteld moet worden dat de tenlastelegging gelezen moet worden in samenhang met het dossier. Ten aanzien van genoemde feiten is onder de tekst van de tenlastelegging telkens opgenomen “art 5 lid 1 Besluit risico’s zware ongevallen 1999”. De rechtbank stelt vast dat uit de tekst van de tenlastelegging ten aanzien van genoemde feiten zoals hiervoor kort weergegeven, onmiskenbaar blijkt dat verdachte in het kader van de Wet milieubeheer verweten wordt dat zij, kort gezegd, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding in samenhang bezien met het dossier, waarbij de rechtbank in het bijzonder wijst op de daarin aanwezige uitgebreide “processen-verbaal onderzoek Brzo”, voldoende duidelijk en concreet is waardoor de verdediging weet waartegen zij zich dient te verweren. Overigens is ter zitting uit hetgeen door de raadslieden en de vertegenwoordiger van verdachte inhoudelijk is aangevoerd, ook duidelijk gebleken dat het voor de verdediging duidelijk is geweest welke verwijten haar worden gemaakt. Ten aanzien van de feiten 3, 6, 10 en 14 overweegt de rechtbank dat een eventuele cumulatie van feiten niet tot nietigheid van de dagvaarding leidt. Bij bewezenverklaring van cumulatieve feiten leidt dit enkel tot toepassing van de wettelijke regels bij samenloop. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden de verweren ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding verworpen. De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte – kort samengevat – vanwege onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak (in eerste aanleg) moet zijn afgedaan danwel wegens verjaring. De vormverzuimen De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek welke hierin zijn gelegen dat aan Dow een zwijgrecht toekwam waar zij niet op gewezen is en dat het nemo tenetur beginsel niet is toegepast. Daarnaast werd met de onverplichte verstrekking van vertrouwelijke gegevens door de toezichthouders aan de opsporingsambtenaren van het Regionaal Milieu Team Zeeland de geheimhoudingsplicht van de toezichthouders en het recht op privacy van de betrokken natuurlijke personen en Dow geschonden. Met betrekking tot het zwijgrecht heeft de verdediging aangevoerd dat de toezichthouder voor de provincie Zeeland, [toezichthouder 1], tevens buitengewoon opsporingsambtenaar was onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Deze toezichthouder had Dow – vanaf het moment waarop sprake was van een verdenking van een door Dow gepleegd strafbaar feit – moeten wijzen op het aan haar toekomende zwijgrecht als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) alvorens zich door Dow nader te laten informeren over de oorzaak en de omvang van die incidenten. Eerst op 10 januari 2006 is productieleider [productieleider 1] namens Dow als verdachte gehoord waarbij voor het eerst een zwijgrecht werd toegekend hetgeen al lang illusoir was geworden. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de provincie in strijd met het una via beginsel geen keuze heeft gemaakt tussen de voortzetting van het bestuursrechtelijk traject en het inslaan van de weg van het strafrecht waardoor geen sfeerovergang heeft plaatsgevonden. Hierdoor werd Dow verplicht om aan de toezichthouder informatie te verstrekken – onder meer over de van de wil van Dow afhankelijk bestaande Root Cause Analyse (RCA) – terwijl er feitelijk ook strafrechtelijk bewijs werd vergaard zonder dat dit voor Dow kenbaar was. Op basis van bevindingen ten aanzien van de RCA is aan het Regionaal Milieu Team Zeeland opdracht gegeven om in samenwerking met toezichthouder [toezichthouder 1] een opsporingsonderzoek in te stellen, terwijl de provincie doorging met het aanwenden van haar bestuursrechtelijke bevoegdheden. In het kader van het toezicht zijn daarna diverse bedrijfsbezoeken afgelegd waarbij de provincie werd vertegenwoordigd door onder meer [toezichthouder 1]. Daarnaast werden door [toezichthouder 1] eveneens strafrechtelijke bezoeken afgelegd waarbij hij bewijs vergaarde. Getuigen die in een later stadium door [toezichthouder 1] werden gehoord, werden daarbij geconfronteerd met zijn eerdere bevindingen als toezichthouder. Verder is met betrekking tot de geheimhoudingsplicht aangevoerd dat toezichthouder [toezichthouder 1] in strijd met artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegevens aan de opsporingsambtenaren van het Regionaal Milieu Team Zeeland heeft verstrekt, terwijl niet is gebleken dat aan deze uitwisseling van gegevens een vordering of wettelijke titel ten grondslag heeft gelegen. Bovendien is volgens de verdediging op geen enkele wijze gebleken dat deze gegevensverstrekking in overeenstemming was met de Wet bescherming persoonsgegevens of ander wettelijke voorschrift. Met de onverplichte verstrekking van vertrouwelijke gegevens werd het recht op privacy van de betrokken natuurlijke personen en Dow – als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) – geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn De verdediging heeft met betrekking tot de zaken 1, 3 en 7 gesteld dat sprake is van een extreme overschrijding van de redelijke termijn. Vanaf 10 januari 2006, zijnde de datum waarop het eerste verhoor van een vertegenwoordiger van Dow plaats vond, kon en mocht er van uitgegaan worden dat een strafvervolging zou worden ingesteld. Uitgangspunt is dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. De verdediging heeft het procesverloop niet vertraagd. Dat de zaak niet uiterlijk begin 2008 is afgedaan is te wijten aan de eigenstandige keuze van de bevoegde autoriteiten om de zaak opnieuw te onderzoeken in het kader van het project Barium. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn zou dienen te worden verlengd is naar de opvatting van de verdediging niet gebleken. De cumulatie van onherstelbare verzuimen in het voorbereidend onderzoek en de extreme overschrijding van de vervolgingstermijn rechtvaardigt de uitzonderlijke sanctie dat de officier van justitie niet meer ontvangen kan en mag worden in de vervolging. De verjaring Ten slotte is ten aanzien van de feiten 2, 5, 9 en 13 aangevoerd dat, voor zover de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van deze feiten niet partieel nietig heeft verklaard, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat deze feiten zich, al dan niet gedeeltelijk, ook richten op een overtreding van artikel 6 Arbowet. Wegens het gepasseerde tijdsverloop zijn deze feiten verjaard. 3.3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen strikte scheiding bestaat tussen opsporing en controle. De geleidelijke sfeerovergang tussen toezicht en opsporing heeft als belangrijkste consequentie dat de informatie die uit het toezicht komt als startinformatie, sturingsinformatie of als bewijs in een strafzaak kan worden gebruikt. De meeste milieuwetten vallen onder de werkingssfeer van de Wet economische delicten (WED). Aan deze wet ontlenen de opsporingsambtenaren hun bevoegdheden. In het kader van de WED is een aanwijzing voldoende om een strafrechtelijk onderzoek te starten. De verwevenheid tussen opsporing en controle is groot en niet altijd kan duidelijk worden aangegeven wanneer er nu een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ontstaat. Dat ontstaat pas als men bezig is met toezicht. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake is van strijd het met nemo tenetur beginsel. Het Nederlandse recht kent als zodanig geen onvoorwaardelijk recht of beginsel dat een verdachte op geen enkele wijze kan worden verplicht mee te werken aan voor hem mogelijk belastend materiaal. Dow is in het onderzoek slechts twee keer als verdachte gehoord. In zaak 1 is productieleider [productieleider 1] namens Dow als verdachte gehoord. Voorafgaande aan zijn verhoor is hem de cautie gegeven. Daarnaast is de bestuursvoorzitter [werknemer 7] gehoord als vertegenwoordiger van Dow. Ook aan hem is voorafgaande aan het verhoor de cautie gegeven. De overige verhoren betreffen verhoren van getuigen, waarbij geen verplichting bestaat tot het geven van de cautie. De stelling van de verdediging dat in een zo vroeg mogelijk stadium een keuze gemaakt moet worden tussen bestuursrechtelijke sanctionering en strafrechtelijke vervolging vindt naar de opvatting van de officier van justitie geen steun in het recht. Wel dienen daarbij waarborgen in acht te worden genomen maar voor het overige is gelijktijdige handhaving niet alleen toegestaan maar ook noodzakelijk vanwege de verschillende uitgangspunten die aan die beide trajecten ten grondslag liggen. Ook de stelling dat Dow onmiddellijk op de hoogte gesteld had moeten worden van het feit dat er ook een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld, vindt geen steun in het recht. Een belangrijk kenmerk van de inzet van strafrechtelijk optreden is nu juist dat dit in sommige gevallen plaatsvindt zonder medeweten van verdachte. Ten aanzien van de door Dow verstrekte informatie, waaronder de RCA’s, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het hierbij gaat om informatie die Dow heeft gemaakt op grond van daartoe bestaande wettelijke verplichtingen. Een bedrijf als Dow is gehouden bepaalde informatie te verzamelen, neer te leggen in rapportages en deze aan de overheid te verstrekken. Onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Jalloh tegen Duitsland (NJ 2007/226) heeft de officier van justitie gesteld dat het publieke belang zeer groot is aangezien het gaat om incidenten waarbij de volksgezondheid en het milieu betrokken zijn. Daarom dient Dow de maximale transparantie te verschaffen omwille van evaluatie, het bepalen van de gevolgen en het inschatten van de kansen op zware ongevallen. Een reeds aangevangen strafrechtelijk onderzoek naar dergelijke incidenten heft deze verplichting niet zonder meer op, zeker niet nu het in casu gaat om wettelijke verplichtingen, mede voortvloeiend uit supranationale regelgeving. Gelet hierop is naar de opvatting van de officier van justitie het nemo tenetur beginsel niet geschonden. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat die termijn inderdaad is overschreden maar dat, gelet op de omvang en complexiteit van het onderzoek, deze overschrijding alleszins redelijk is te noemen. Niet gezegd kan worden dat daarbij door het openbaar ministerie niet de nodige voortvarendheid betracht is. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat er geen redenen zijn het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. 3.3.3 Het oordeel van de rechtbank Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is volgens vaste jurisprudentie slechts plaats, indien het opsporingsonderzoek of in het daaraan voorafgaande onderzoek sprake is geweest van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Zwijgrecht en nemo tenetur beginsel Aan artikel 29 Sv ligt het belangrijke beginsel ten grondslag dat niemand verplicht kan worden of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Een uitwerking van dit beginsel is het zwijgrecht. Dit zwijgrecht is blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM absoluut, er zijn geen feiten of omstandigheden op grond waarvan hierop een uitzondering wordt gemaakt. Dit brengt met zich dat een verhorende ambtenaar verplicht is de verdachte voor ieder verhoor mee te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Bij een rechtspersoon dient de cautie aan zijn vertegenwoordiger te worden verleend. Als vertegenwoordigers van verdachte zijn in het voorbereidend onderzoek [productieleider 1] en [werknemer 7] gehoord. Aan hen is de cautie gegeven en alleen aan hen komt ook het zwijgrecht toe. De rechtbank is van oordeel dat aan de werknemers van Dow, die gehoord zijn als getuigen in het onderzoek, niet het zwijgrecht toekomt. In zoverre treft het verweer dan ook geen doel. Het nemo tenetur beginsel houdt in dat een verdachte geen bewijs tegen zichzelf hoeft te leveren, maar volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is in het Nederlandse recht niet het beginsel of recht verankerd dat de verdachte op generlei wijze zou mogen worden verplicht tot medewerking aan het verkrijgen van mogelijk belastend bewijsmateriaal. Het nemo tenetur beginsel is in zijn algemeenheid niet van toepassing op stukken die onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaan. Daarover bestaat, zo begrijpt de rechtbank de verweren, ook geen discussie. Het verweer ziet slechts op de stukken die verdachte, al dan niet op verzoek van toezichthouders of opsporingsambtenaren, heeft moeten produceren, meer in het bijzonder de RCA’s. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 21 december 2010 (ECLI:NL:HR:201:BL0666) overwogen dat, als het gaat om het gedwongen afgeven van stukken, voor de vraag of het nemo tenetur beginsel geschonden is, beslissend is: “of het gebruik tot het bewijs van een in een document vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen”. In zijn arrest van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) heeft de Hoge Raad nog overwogen dat voor zover sprake is van afgedwongen bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige, verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Dergelijk materiaal dat door de belastingplichtige moet worden verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden. De rechtbank is van oordeel dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat Dow als verdachte niet gedwongen kan worden een verklaring af te leggen over de tenlastegelegde feiten of incidenten. Materiaal - zoals schriftelijke bescheiden – dat onder dwang is afgegeven kan als bewijs worden gebruikt. Gelet op de hiervoor vermelde jurisprudentie moet een in dat materiaal vervatte verklaring van verdachte over de tenlastegelegde feiten van het bewijs worden uitgesloten - indien verdachte dat eist - omdat het aan verdachte toekomend zwijgrecht anders illusoir wordt. Dit betekent dat de rechtbank bij de verdere inhoudelijke beoordeling zal moeten nagaan of het afgedwongen bewijsmateriaal, waaronder de RCA’s, verklaringen van Dow bevat over de tenlastegelegde feiten en als dat het geval is die stukken moeten uitsluiten van het bewijs. Tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt het niet. Sfeerovergang van bestuursrechtelijk toezicht en strafrechtelijk optreden en het una via beginsel De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de stelling van de verdediging dat sfeerovergang had dienen plaats te vinden, moet worden verworpen. Kennelijk is de verdediging van mening dat een keuze had moeten worden gemaakt en dat sfeercumulatie, waarbij sprake is van zowel bestuursrechtelijk toezicht als strafrechtelijk optreden, niet geoorloofd is. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Recentelijk heeft de Hoge Raad nog geoordeeld (ECLI:NL:HR:2014:135) dat het bestaan van een verdenking niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden, mits daarbij de aan verdachte als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. De verdachte kan in het kader van het toezicht inderdaad verplicht zijn mee te werken of inlichtingen te verstrekken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is volgens de Hoge Raad in het Nederlandse recht geen onvoorwaardelijk recht of beginsel verankerd, dat een verdachte niet zou kunnen worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal. Wel brengt het aan artikel 29 Sv ten grondslag liggend beginsel mee dat verdachte niet kan worden verplicht tot het afleggen van een verklaring – het verschaffen van schriftelijke inlichtingen daaronder begrepen – omtrent zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat sfeerovergang en sfeercumulatie zijn geoorloofd en dat een verdachte vanaf het ontstaan van een verdenking zwijgrecht toekomt. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek (opsporing) kan het toezicht (controle) gewoon doorgaan en blijven de bevoegdheden van de toezichthouder bestaan. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat gehandeld is in strijd met het una via beginsel en dat dit zou dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie overweegt de rechtbank dat, aangezien gesteld noch gebleken is dat in dit geval de bestuursrechtelijke weg van afdoening is overwogen, laat staan gekozen, het una via beginsel in de gebruikelijke betekenis (te weten: óf bestuursrechtelijke óf strafrechtelijke afdoening) in dit geval niet aan de orde is. Gelet hierop behoeft dit verweer dan ook geen nadere bespreking. Geheimhoudingsplicht van de toezichthouders en verstrekking van gegevens Artikel 2:5, eerste lid, Awb bepaalt dat een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht is tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Vastgesteld kan worden dat toezichthouder [toezichthouder 1] en een aantal van zijn collega-toezichthouders tevens bijzonder opsporingsambtenaar zijn. Hun bevoegdheden en de door hen verrichte werkzaamheden zijn aangewend c.q. verricht in beide hoedanigheden. Het systeem van de wet brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat artikel 2:5, eerste lid, Awb niet ziet op toezichthouders die tevens bijzonder opsporingsambtenaar zijn. De rechtbank verwijst naar de artikelen 141, 142 en 152 Sv. Wel dienen zij daarbij de nodige waarborgen in acht te nemen, zoals onder meer neergelegd in artikel 8 EVRM. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat de bepalingen van artikel 8 EVRM onder omstandigheden van toepassing kunnen zijn op rechtspersonen. Zo kan een rechtspersoon ook bescherming inroepen ten aanzien van zijn “private life”. Ingevolge het tweede lid van artikel 8 EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van het recht op respect voor zijn privéleven dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Gelet op het bepaalde in artikel 8, tweede lid, EVRM is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het belang van de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten, van ongeoorloofde inmenging van enig openbaar gezag geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de geldende wetgeving toezichthouders informatie hebben kunnen verstrekken aan opsporingsinstanties en vice versa nu het belang van de openbare veiligheid en het voorkomen van ernstige strafbare feiten zoals hier aan de orde, dient te prevaleren boven het belang van Dow. In zoverre treft het verweer dan ook geen doel. Ten slotte is in dit kader nog aangevoerd dat niet is gebleken dat gegevensuitwisseling ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in overeenstemming was met de Wet bescherming persoonsgegevens of een ander wettelijk voorschrift. Blijkens artikel 1 Wet bescherming persoonsgegevens ziet deze wet enkel op de bescherming van natuurlijke personen. Voor zover werknemers van Dow al getroffen zouden zijn door de handelwijze van de provincie Zeeland is het niet aan Dow om daarover te klagen. Anders dan de verdediging is de rechtbank overigens van oordeel dat in dit geval met de verstrekking van gegevens niet het recht op privacy is geschonden van de betrokken natuurlijke personen. Zoals hiervoor al overwogen kan, slechts indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan dienst recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie volgen. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Overschrijding van de redelijke termijn Op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM dient een verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis wordt gewezen, behoudens het geval dat zich bijzondere omstandigheden voordoen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden zal afhangen van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn van de diverse tenlastegelegde zaken niet steeds op dezelfde datum is aangevangen. Als aanvangsdatum voor de redelijke termijn in zaak 1 is de rechtbank van oordeel dat de datum van het verhoor van de vertegenwoordiger van verdachte, [productieleider 1], 10 januari 2006 als zodanig aangemerkt moet worden. Voor zover het betreft de zaken 3, 4, 6, 7 en 8 is de rechtbank van oordeel dat als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangemerkt dient te worden 3 juni 2008, zijnde de datum waarop na een langdurige voorbereiding een doorzoeking heeft plaatsgevonden op het terrein van Dow. Voor zover het betreft feit 22 is de rechtbank van oordeel dat 22 december 2010 aangemerkt dient te worden als aanvangsdatum voor de redelijke termijn, zijnde de datum waarop de vertegenwoordiger van verdachte, [werknemer 7], met betrekking tot dit feit is gehoord. Verdachte is vervolgens op 21 augustus 2013 gedagvaard. Aangezien sprake is van een zeer complexe zaak met veel feiten, is de rechtbank van oordeel dat wegens deze bijzondere omstandigheden de redelijke termijn dient te worden verlengd met één jaar. De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden met ongeveer 5 jaar en 2 maanden (zaak 1), respectievelijk 2 jaar en 10 maanden (zaken 3, 4, 6, 7 en 8) en 3 maanden (feit 22). De Hoge Raad heeft bepaald dat een substantiële overschrijding van de redelijke termijn in beginsel dient te worden gecompenseerd door vermindering van de in feitelijke instantie opgelegde straf. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging ter zake is aangevoerd, geen reden om af te wijken van de lijn zoals de Hoge Raad die heeft geformuleerd. Gelet ook op hetgeen hiervoor met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen, is van cumulatie van onherstelbare verzuimen en een extreme termijnoverschrijding dan ook geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn dan ook niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Wel zal de rechtbank, indien zij tot bewezenverklaring en strafoplegging komt, hiermee rekening houden bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf. Verjaring voor zover de tenlastelegging ziet op overtreding van artikel 6 Arbowet. Zoals hiervoor onder 3.1.3 is overwogen ziet hetgeen de verdachte onder de feiten 2, 5, 9 en 13 is tenlastegelegd op overtreding van artikel 5, eerste lid, Brzo. De verwijten in dat kader zien op artikel 8.40 Wm. Gelet op het bepaalde in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is strafvervolging nog niet verjaard. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden de verweren in al hun onderdelen verworpen. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging. 3.4 Schorsing van de vervolging Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de haar tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal het standpunt van de officier van justitie, omwille van de leesbaarheid van het vonnis, bij de bespreking van de afzonderlijke zaken/feiten weergeven. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe is allereerst een aantal algemene, dan wel telkens terugkomende verweren gevoerd. De rechtbank zal deze verweren in deze paragraaf opnemen. Omwille van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank het standpunt van de verdediging ten aanzien van de afzonderlijk tenlastegelegde zaken/feiten bij de feitenbespreking van die zaken/feiten telkens weergeven. De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Dow is zich er aantoonbaar van bewust dat aan haar onderneming hoge eisen worden gesteld op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. Zij neemt haar wettelijke en maatschappelijke zorgplichten meer dan serieus. Het uitsluiten van elk risico was en is niet mogelijk. Dat verlangt de wetgever ook niet. Wel het beheersen ervan. Dit is ook de kern van het Brzo. De beheersing van deze risico’s diende en dient te geschieden door enerzijds de kans op incidenten zoveel mogelijk te verkleinen (de preventie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel incident zoveel mogelijk te beperken (de repressie). Ten onrechte gaat de officier van justitie er van uit dat Dow de hierop betrekking hebbende voorschriften opzettelijk niet naleefde. Zij lijkt te miskennen wat de vertegenwoordiger van Dow per zaak gemotiveerd naar voren heeft gebracht omtrent: de toegepaste Layers Of Protection Analysis (LOPA); de daarmee samenhangende afwegingen per ontwerp, per fabriek, per installatie en per onderdeel van het systeem, alsmede de daaraan verbonden consequenties en getroffen maatregelen ter voorkoming van milieu- en veiligheidsincidenten. De officier van justitie lijkt te willen negeren dat geen enkel incident escaleerde, anders dan door toeval of geluk. Gewezen wordt op de diverse rapporten van de deskundige [deskundige 2]. Hij heeft naar de opvatting van de verdediging aangetoond dat er bij geen enkel door hem onderzocht incident sprake was van toeval of geluk, maar van deugdelijk beleid op het gebied van procesveiligheid en een meer dan adequate implementatie daarvan, waaronder het systeem van de LOPA. Ook stelde hij vast dat Dow elk incident analyseerde, conclusies trok en de lering in verbeterde hardware en procedures omzette. Dat is volledig in de geest van procesveiligheid en conform het Brzo. Er blijft altijd een theoretisch restrisico. Bij gebreke van een risicoloze maatschappij is dat dus algemeen aanvaard. De officier van justitie heeft er voor gekozen ten aanzien van een aantal zaken artikel 173a Wetboek van Strafrecht (Sr) ten laste te leggen. Dit vereist dat ten minste bewezen verklaard moet kunnen worden dat Dow willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat stoffen in de lucht werden gebracht. Bewijs hiervoor ontbreekt want uit niets blijkt dat iemand binnen de beschikkingsmacht van Dow bewust de aanmerkelijke kans nam en wilde nemen. Ten tweede vereist de tenlastelegging ten aanzien van artikel 173a Sr bewijs van concrete gevaarzetting voor personen. Ook dat bewijs ontbreekt. Volgens vaste jurisprudentie dient het te duchten gevaar te worden bepaald aan de hand van de vastgestelde feiten en niet aan de hand van theoretische mogelijkheden. Ten aanzien van de zaken waarin artikel 5 Brzo is tenlastegelegd, is aangevoerd dat Dow risico’s op een zwaar ongeval heeft geminimaliseerd. De verdediging is van mening dat er binnen de onderneming van Dow te Terneuzen nimmer sprake kan zijn van een risico dat een zwaar ongeval in de zin van het Brzo zich voordoet. Het gaat telkens om een combinatie van beschermlagen en niet om het doorbreken van de latere, c.q. laatste schil/beschermlaag. De incidenten hebben nimmer kunnen uitgroeien tot onbeheersbare gebeurtenissen waardoor ernstig gevaar voor de gezondheid van mens en/of milieu zou ontstaan. In een aantal zaken is aangevoerd dat sprake is geweest van een menselijk nalaten, technisch falen of een combinatie daarvan. Naar de opvatting van de verdediging kan niet vastgesteld worden dat individuele medewerkers van Dow zich bewust waren van mogelijke gebreken in de techniek en/of van menselijk nalaten. Ook blijkt niet dat medewerkers bewust risico’s namen of wilden nemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, arbeidsomstandigheden of milieu. Aan opzet kan de rechtbank dan ook niet toekomen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Met betrekking tot de hiervoor weergegeven algemene verweren overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 173a Sr Artikel 173a Sr beoogt de volksgezondheid te beschermen tegen milieuverontreiniging in het algemeen en verder het leven tegen gevaarlijke stoffen in het bijzonder. Tussen de handelingen in de aanhef van het artikel en de gevolgen dient een causaal verband te bestaan. Het opzet behoeft slechts gericht te zijn op de gedraging, niet op de wederrechtelijkheid. Evenmin behoeft het opzet te zijn gericht op de in 1° en 2° genoemde gevolgen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 173a Sr niet slechts ziet op acuut gevaar. Het gevaar kan zich ook in de toekomst nog openbaren. Voor strafbaarstelling op grond van dit artikel is naar het oordeel van de rechtbank enkel vereist dat het gevaar “te duchten” – dat wil zeggen: te vrezen – is. Het te duchten gevaar dient te worden bepaald aan de hand van bestaande omstandigheden en niet aan de hand van mogelijkheden. De stof zelf behoeft niet rechtstreeks gevaarzettend te zijn. Als de stof zelf niet gevaarzettend is voor de volksgezondheid maar door reactie met bijvoorbeeld zuurstof of water dat wel wordt, voldoet zo’n stof aan de criteria van dit artikel. Als laatste geldt nog dat het gevaar zich niet hoeft te verwezenlijken. Dus als een gevaarlijke stof wordt geëmitteerd terwijl niemand in de buurt is dan wel besmet wordt, is nog steeds sprake van gevaar voor de volksgezondheid/ levensgevaar. Dit is het kader waaraan de rechtbank de zaken zal toetsten voor zover het artikel 173a Sr betreft. Zwaar ongeval Brzo Het Brzo is de Nederlandse implementatie van de Europese Seveso II-richtlijn (Richtlijn 96/82/EG van de Raad van Europa van 9 december 1996). Het Brzo integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding in één juridisch kader. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het Brzo stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. Daarnaast wordt in het besluit de wijze waarop daarop moet worden toegezien geregeld. In artikel 5, eerste lid, Brzo staat dat de drijver van een inrichting alle nodige maatregelen neemt om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Dit is een vergaande verplichting omdat er geen beperking is opgenomen met betrekking tot de aard van en de mate waarin maatregelen moeten worden getroffen. De drijver van een inrichting die valt onder de werking van het Brzo moet een gericht beleid voeren teneinde zware ongevallen te voorkomen. Het preventiebeleid moet zijn afgestemd op de risico’s van zware ongevallen die de inrichting veroorzaakt. In artikel 1, aanhef en onder f, Brzo wordt een zwaar ongeval gedefinieerd als een: gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken. In de Seveso II-richtlijn wordt in artikel 3, aanhef en onder 5, een bijna gelijkluidende definitie gegeven met dien verstande dat daarin wordt gesproken over onbeheerste in plaats van onbeheersbare ontwikkelingen. In de toelichting op het Brzo staat vermeld: Het hoofddoel van de Seveso II-richtlijn en, in het verlengde daarvan, van het onderhavige besluit, is het voorkomen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en, indien zij onverhoopt toch gebeuren, het beperken van de gevolgen daarvan voor mens en milieu. Bepalend voor het begrip zwaar ongeval is het ontstaan van ernstig gevaar voor de gezondheid van mensen binnen of buiten de inrichting en/of voor het milieu ten gevolge van calamiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in de bijlage bij dit besluit. De richtlijn noemt in dit verband bij wijze van voorbeeld: een zware emissie, brand of explosie. Het begrip zwaar ongeval is daarmee minder ruim dan het begrip ongewoon voorval dat in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer wordt gehanteerd. Minder ruim in die zin dat een ongewoon voorval ziet op alle gebeurtenissen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan, ongeacht door welke gevaarlijke stoffen deze worden veroorzaakt. Overigens gelden de verplichtingen die in dit besluit ten aanzien van specifieke inrichtingen worden gesteld onafhankelijk van de verplichting tot het treffen van maatregelen en het doen van meldingen in geval van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 onderscheidenlijk 17.2 van de Wet milieubeheer. Het begrip zwaar ongeval bestaat naar het oordeel van de rechtbank dus uit drie onderdelen: 1. Een gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare (lees: onbeheerste) ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitvoering in de inrichting. Een onbeheerste, ongecontroleerde ontwikkeling wil zeggen dat de aanvankelijke afwijking dermate escaleert dat ze aan de controlemogelijkheid van het operationele personeel (te weten: de medewerkers op de werkvloer) ontsnapt. Daarbij moet worden gerealiseerd dat het begrip ongeval duidt op een plotse, onverwachte en ongeplande gebeurtenis. In het kader van de Seveso-richtlijn gaat het om een brand, explosie of emissie. 2. Er ontstaat gevaar voor de gezondheid van de mens (onmiddellijk of later). Chronische effecten van langdurige blootstellingen aan lage concentraties van giftige stoffen zijn niet te beschouwen als zwaar ongeval. De schade aan mens en milieu hoeft zich niet te hebben voorgedaan. Het zijn de potentiële gevolgen en niet de effectieve letsels of schade die bepalen zijn voor de ernst van het ongeval. Het gevaar hoeft zich ook niet uit te strekken tot buiten het terrein van de inrichting. 3. Bij de gebeurtenis zijn één of meer – bepaalde – gevaarlijke stoffen betrokken. De hoeveelheid gevaarlijke stoffen is van geen enkel belang met dien verstande dat die stoffen gevaar voor mens en milieu moet opleveren. In hetgeen hierna met betrekking tot artikel 5 Brzo wordt besproken, zal hetgeen hiervoor is overwogen, het toetsingskader van de rechtbank zijn. Opzet Opzet vereist ten minste voorwaardelijk opzet. Voor voorwaardelijk opzet zijn in zijn algemeenheid drie elementen van belang, te weten: het bewustzijn van verdachte van de mogelijkheid dat een bepaald gevolg zal intreden (het kenniselement); de kans of mogelijkheid dat dit gevolg daadwerkelijk zal intreden, welke kans of mogelijkheid minst genomen aanmerkelijk moet zijn (het risico-element); de vorenbedoelde kans of mogelijkheid dient door verdachte willens en weten te zijn aanvaard (het wilselement). Met betrekking tot het wilselement heeft de Hoge Raad herhaaldelijk overwogen als volgt. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Een gedraging kan een handelen of nalaten zijn. Het nalaten van handelen, terwijl een (wettelijke) zorgplicht bestaat, kan voorwaardelijk opzet opleveren. 4.3.1 zaak 1, de feiten 1 tot en met 3, benzeenspill van tank AD26 Het standpunt van officier van justitie De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier geconstateerd kan worden dat er minimaal 1900 kg benzeen buiten de installatie terecht is gekomen. Diverse medewerkers zijn de benzeenwolk binnengelopen zonder adequate bescherming waardoor aanzienlijke blootstelling aan benzeen heeft plaatsgevonden. Daarmee is de gezondheid van de betreffende werknemers ernstig in gevaar gebracht. Ten aanzien van feit 2 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat Dow niet alles heeft gedaan om dit incident te voorkomen. Door veiligheidsmaatregelen niet of onvoldoende in acht te nemen is er als gevolg van het overlopen van tank AD-26 een forse hoeveelheid vloeibare benzeen vrijgekomen, waardoor een dampwolk is ontstaan die diverse alarmen heeft doen afgaan en de veiligheid van de fabriek en de omgeving, alsook die van verschillende werknemers ernstig in gevaar heeft gebracht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zich een zwaar ongeval heeft voorgedaan, omdat sprake is geweest van een ‘major emission’ van benzeen die onbeheersbaar is geworden, in die zin dat er tijdens en direct na het incident een explosieve gaswolk in de fabriek heeft gehangen en Dow op dat moment niet meer kon doen dan afwachten. Ten aanzien van feit 3 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat Dow zich niet aan haar vergunning heeft gehouden en voorschriften heeft overtreden. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op bevindingen van verbalisanten, hetgeen voor alle hierna te bespreken zaken geldt. Het standpunt van de verdediging Door de verdediging is ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het aannemelijk is dat de hoog niveau beveiligingsschakelaar (LSH-B-364) in verband met eerdere werkzaamheden op handmatig is gezet en niet opnieuw in werking is gesteld. Aangevoerd is dat sprake is van een menselijk nalaten. Niet blijkt dat iemand zich bewust was van mogelijke gebreken in de techniek en/of van een menselijk falen. Opzet kan Dow dan ook niet worden toegerekend aan de hand van individuele gedragingen van natuurlijke personen. De emissie van benzeen naar de lucht is aantoonbaar beperkt gebleven omdat de benzeen werd opgevangen in de daarvoor bestemde bak. Verder is aangevoerd dat niet blijkt dat Dow de gedragingen aanvaardde of placht te aanvaarden. Niet blijkt dat concentraties benzeen zijn vrijgekomen die kunnen leiden tot explosies. Hierbij is gewezen op het rapport van de deskundige [deskundige 2] die heeft aangegeven dat blootstelling aan 1 ppm gedurende 8 uur per dag over een arbeidsperiode van 40 jaar algemeen aanvaardbaar is. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat het LOPA-systeem de kans op het meest ernstige gevolg minimaliseert. In zoverre kan er nimmer sprake zijn van een risico dat een zwaar ongeval in de zin van het Brzo zich voordoet. De spill kon niet uitgroeien tot een onbeheersbare gebeurtenis waardoor ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens en/of milieu zou ontstaan. Met betrekking tot feit 3 is aangevoerd dat de vergunning niet vereist dat [werknemer 1] voldoende opgeleid en deskundig was om “zelfstandig” te functioneren als buitenoperator. Hierbij is opgemerkt dat [werknemer 1] samenwerkte met andere operators van zijn ploeg en dus niet geheel zelfstandig werkte. Het oordeel van de rechtbank Is artikel 173a Sr overtreden? (feit 1) Op 13 juni 2005 heeft binnen de AD-area van de Ethyleenbenzeen(EB)/Styreen-4-fabriek van Dow in Terneuzen na een onderhoudsstop een incident plaatsgevonden. Warme benzeen werd opgevangen in reflexdrum AD-433 om de procesvoortgang te kunnen waarborgen. Besloten werd om het overschot aan warme benzeen uit vat AD-433 te verpompen naar slobtank AD-26. Tijdens het overbrengen van die warme benzeen werd de AD-26 slobtank overvuld. Hierdoor stroomde een hoeveelheid benzeen via een beveiligingsklep (mangat) op het dak van de tank naar buiten en kwam via de buitenwand van de tank op de grond terecht in het betonnen second-of spill containment van de tank. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van Dow, [vertegenwoordiger 1], verklaard dat de feiten zoals die in de tenlastelegging ten aanzien van zaak 1 zijn opgenomen feitelijk juist zijn. Volgens [vertegenwoordiger 1] werd geconstateerd dat er teveel benzeen aanwezig was in een bepaald gedeelte van de fabriek. De benzeen kwam in vat AD-433 en dat vat dreigde vol te lopen. Besloten werd de benzeen over te brengen naar de slobtank AD-26. Dat is vervolgens ook gedaan. Daarbij ging men er ten onrechte vanuit dat tank AD-26 communicerend stond met een andere tank. Volgens de vertegenwoordiger van Dow is tank AD-26 overgelopen. De hoogniveau-schakelaar van de AD-26 stond al langere tijd, sinds 22 mei 2005, niet ingeschakeld, maar op “hand”. Het controlelampje dat dit had moeten aangeven was kapot. [vertegenwoordiger 1] heeft verder ter zitting verklaard dat de buitenoperator [werknemer 1] bij zijn eerste benadering van de tank ten onrechte zijn masker niet op had en ook niet bij zich had. Volgens [vertegenwoordiger 1] is een slobtank een tank waar verschillende producten in kunnen en was het verstandiger geweest het instrument (de rechtbank begrijpt: de niveaubeveiliging) te kalibreren op de laagste dichtheid te weten benzeen. Het opruimen van de benzeen met schuim werd uitgevoerd door [werknemer 3] en [werknemer 4], werkzaam bij Watco in België. Het schuim werd weggehaald met een vacuümwagen. Door getuige R.W.D. [werknemer 1] is verklaard dat hij die dag werkzaam was in de EB/Styreen-4-fabriek (EB-4) als buitenoperator. De binnendienst van de EB-4 was bezig met het opstarten van de fabriek nadat deze een aantal weken had stilgelegen in verband met een onderhoudsstop. De binnendienst gaf de opdrachten door aan de buitendienst. Op 13 juni 2005 was de AD-26 in gebruik en werd gevuld met benzeen uit de EB4-fabriek. [werknemer 1] was in de buurt van de pompen en kreeg van [werknemer 2] via de portofoon te horen dat hij het pompen moest stoppen. Dat deed hij handmatig door een afsluiter dicht te zetten. Vervolgens kreeg hij de opdracht van [werknemer 2] om de tanks AD-26 en AD-16 parallel te zetten. Hiervoor heeft hij de afsluiter tussen de tanks geopend. Deze tanks werken als communicerende vaten. [werknemer 1] kreeg vervolgens te horen dat de airmonitor in alarm was gekomen. Hij keek over de rand van de tankput, zag de benzeen in de put staan en kon de benzeen ruiken. [werknemer 1] meldde dit aan [werknemer 2] in de controlekamer. Volgens [werknemer 1] is het gebruikelijk dat wanneer de airmonitoren binnenkomen er persoonsbeschermende middelen meegenomen worden, maar had hij niets bij zich omdat hij al buiten stond. Dat sprake was van een zeerhoogalarm had hij niet meegekregen. Daar hadden ze hem niet van op de hoogte gebracht. Getuige unitcoördinator D.J. Vos heeft verklaard dat hij opdracht heeft gegeven om de AD-433 gedeeltelijk leeg te maken en over te pompen naar de AD-26 en dat hij niet wist hoeveel benzeen er nog in de AD-433 zat. Het level van de AD-433 gaf 100% aan. Er was een overschot aan benzeen in de fabriek. Dit moest ergens heen. Vervolgens werd er overgepompt naar de AD-26 waarna er een hoog alarm binnen kwam. Volgens [werknemer 2] was het de meest voor de hand liggende oplossing de afsluiter dicht te zetten. Hij gaf de buitenoperator de opdracht om dit te doen waarna hij het alarm van de airmonitor binnenkreeg. Volgens [werknemer 2] was dit een indicatie dat er een ontsnapping was. Op de monitor zag hij dat het een alarm was uit de put van de AD-26. Toen hij terugliep naar het EB-panel zag hij dat het verloop van het niveau een vreemde piek had. Gelijktijdig kwam er een zeer hoog niveau alarm binnen. [werknemer 2] heeft verklaard dat hij meteen wist dat er een benzeenspill was. Op dat moment gaf hij de buitenoperator de opdracht om de tanks egaliserend te zetten. [werknemer 2] is daarna zelf ook naar buiten gegaan en hij heeft over de muur van de tankput gekeken. In de put zag hij vloeistof staan. Terug in de controlekamer is het sein van evacuatie gegeven. Door getuige [werknemer 3] is verklaard dat hij samen met zijn collega [werknemer 4] op 13 juni 2005 op het terrein bij Dow aanwezig was als industrieel reiniger. Zij kregen van Dow de opdracht om de benzeen op te zuigen met een combiwagen. Door het personeel van Dow werden zij naar de locatie geleid. Van het bordes van tank AD-16 zag [werknemer 3] dat er door de brandweer een schuimdeken was aangelegd van ongeveer een halve meter hoog. Nadat zij de situatie hadden opgenomen zijn zij gestart met hun werkzaamheden die ongeveer 3 tot 3 ½ uur geduurd hebben. Het materiaal werd opgezogen waarna de plaats werd schoongespoten. Tijdens het schoonspuiten stond hij in de betonnen bak waar het materiaal gelegen had. Zijn collega en getuige [werknemer 4] heeft verklaard dat hij achteraf nog een brief heeft gekregen van Dow waarin stond vermeld dat hij van een bepaalde stof wel teveel binnen had gekregen maar dat het niet schadelijk was. Op 8 juli 2005 is door de Lab Arbodienst Dow Benelux Nederland een brief verzonden aan de heer [werknemer 4]. In deze brief staat dat de urine van [werknemer 4] is onderzocht op het gehalte muconzuur. Het muconzuurgehalte is een maat voor de hoeveelheid benzeen die door het lichaam is opgenomen. In Nederland geldt een maximaal aanvaarde concentratie van 1,0 ppm benzeen. Naast deze waarde wordt door Dow zelf een grenswaarde van 0,5 ppm benzeen gehanteerd. Het urinemonster van [werknemer 4] van 13 juni

(2005)bevatte een hoeveelheid muconzuur, overeenkomend met een mogelijke blootstelling aan 3,1 ppm benzeen. Aangezien deze waarde hoger is dan 1 ppm benzeen is [werknemer 4] verzocht een afspraak te maken met de bedrijfsarts. Over de blootstelling aan benzeen heeft binnen Dow intern mailverkeer plaatsgevonden. In de mail is aangegeven: “De mannen van Watco die de benzeen hebben opgezogen droegen onafhankelijke adembescherming en een papieren overall. Benzeen heeft een zg. huidnotatie en dat betekent dat benzeen door de huid wordt opgenomen. Het komt dus via de huid in het lichaam en dus word je blootgesteld. Ik heb dus een sterk vermoeden dat de papieren overall onvoldoende is en dat de heren serieus zijn blootgesteld omdat ze letterlijk met de laarzen aan in de benzeen hebben gestaan (…)”. Op 13 juni 2005 om 12.45 uur is bij de bedrijfsbrandweer een melding binnengekomen over de lekkage bij de Styreen
  1. De brandweer was om 12.55 uur ter plaatse waarna om 13.20 uur het sein brand meester werd gegeven. In het rapport is te lezen dat de brandweer om assistentie is gevraagd in verband met een overgelopen tank. Ter plaatse bleek het te gaan om de tank AD-26 welke tank in een tankput staat. Hierop zijn twee schuimstraalpijpen ingezet om de benzeenplas af te dekken. Tevens werd de goot naar de opvangbak vol geschuimd. Benedenwindse metingen gaven na het schuimen 0,9 ppm benzeen aan, halverwege naar de opvangbak werd 20 ppm gemeten. Door Dow is een berekening gemaakt van de hoeveelheid benzeen die is vrijgekomen. Deze is geschat op 1900 kg. Benzeen is een kleurloze vloeistof waarvan de damp zwaarder is dan lucht en verspreid wordt over de grond met kans op ontsteking op afstand. Elektrostatische oplading kan ontstaan bij bijvoorbeeld stromen, bewegen, roeren en verpompen van de vloeistof. Benzeen reageert heftig met oxidatiemiddelen met kans op brand en explosie. Een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht kan door verdamping van deze stof bij circa 20 graden Celsius zeer snel worden bereikt. De stof kan worden opgenomen in het lichaam door inademing van de damp, via de huid en na inslikken en kan inwerken op het centrale zenuwstelsel, de lever en de nieren, met als gevolg krampen, verlammingsverschijnselen en bewusteloosheid. In ernstige gevallen (bij blootstelling aan hoge concentraties) bestaat de kans op dodelijke afloop. Benzeen is zeer brandgevaarlijk. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat vast staat dat op 13 juni 2005 een benzeenspill heeft plaatsgevonden van tenminste 1900 kg. De officier van justitie heeft aangegeven dat een hoeveelheid van 5000 kg waarschijnlijker is, echter dit kan niet met voldoende zekerheid vastgesteld worden aan de hand van de door de officier van justitie aangedragen gegevens. Was een concreet gevaar te duchten? Op 13 juni 2005 om 12:17 uur kwam vanuit de tank AD-26 een eerste hoog/laag niveau alarm binnen, gevolgd door meerdere LEL-alarmen om 12:18 uur en 12:19 uur die duidden op de aanwezigheid van explosiegevaar. Naar aanleiding van deze alarmen werd buitenoperator [werknemer 1] ter plaatse gestuurd. Daar aangekomen rook en zag hij benzeen. [werknemer 1] heeft verklaard dat hij boven de tankput heeft gehangen. Ook [werknemer 2] kwam ter plaatse, heeft over de muur van de tankput gekeken en ook hij zag benzeen. Vervolgens kregen de werknemers van Watco, [werknemer 4] en [werknemer 3], de opdracht om de benzeen op te ruimen. Uit e-mailverkeer is gebleken dat laatstgenoemden letterlijk met de laarzen in de benzeen hebben gestaan. Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat tussen 12.17 uur, zijnde het tijdstip van het eerste alarm, en 13.20 uur, zijnde het tijdstip van brand meester, sprake is geweest van een aanzienlijke emissie van benzeendamp. Tussen genoemde tijdstippen zijn genoemde personen blootgesteld aan benzeen, hetgeen ook bevestigd wordt door de muconwaarde zoals gemeten bij [werknemer 4]. Dat [werknemer 1] niet heeft gescoord op benzeen doet daar niets aan af. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de eigenschappen van benzeen zoals weergegeven in de aangehaalde chemiekaart, op grond van deze bestaande omstandigheden concreet gevaar voor de openbare gezondheid als bedoeld in artikel 173a Sr te duchten was. Of ten aanzien van feit 1 sprake is geweest van opzettelijk handelen, zal de rechtbank hierna bespreken. Is artikel 5 Brzo overtreden?(feit 2) Onder verwijzing naar de hiervoor ten aanzien van feit 1 opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat zich op 13 juni 2005 een incident heeft voorgedaan in de Ethyleenbenzeen-4-fabriek van Dow in Terneuzen. Dow is een Brzo-bedrijf. a. het ongecontroleerd overbrengen van de benzeen Door eerdergenoemde buitenoperator [werknemer 1] is verklaard hij op enig moment de opdracht kreeg via de portofoon om de AD-433 op te lijnen naar de AD-
  2. Verbalisanten constateren dat pomp AP123 werd afgeschakeld en/of een probleem had. Het vat AD-433 was vanaf 100% niveau teruggebracht naar beneden de 90% niveau in vermoedelijk slechts 2 minuten tijd. Uit het vermoedelijk snel dalende niveau van de AD-433 in combinatie met een pomp die niet werd gebruikt, had men kunnen weten dat de buitenoperator kennelijk de afsluiter te ver had geopend. Paneloperator [paneloperator 1] heeft verklaard dat de buitenoperator de afsluiter openzet. Hij kan dan binnen op de monitor zien dat de tank volloopt. Hij kan aan de hand van de inhoud en de tijd berekenen wat de vulsnelheid is. Met een geheel geopende afsluiter kan de AD-26 heel snel gevuld zijn met benzeen. Dat ligt ook aan de hoeveelheid vloeistof die er al in de tank zit. Verder ligt het er aan hoe ver de afsluiter openstaat. De temperatuur van de vloeistof is te regelen met de opening van de afsluiter. Hoe hoger de vulsnelheid (open afsluiter) hoe warmer de vloeistof. Area coördinator [werknemer 8] heeft verklaard dat in geval van benzeen de vulsnelheid ter plaatse te regelen is met de afsluiter. De stand kan je regelen, je houdt de hoogte van de spindel in de gaten. Je let op de vulsnelheid van de tank, maar ook op de capaciteit van de pomp en de temperatuur van de vloeistof. De vultijd kan je zelf regelen door de toevoer meer of minder open te zetten. Bij de AD-26 kun je het niveau (van de tank) niet aflezen. De rechtbank leidt hieruit af dat het overpompen van benzeen via de afsluiter die geheel of gedeeltelijk wordt geopend, in plaats van middels een pomp, op een grove en niet (goed) te controleren wijze heeft plaatsgevonden. b. de niveaubeveiliging Over de niveau meetinstrumenten heeft [paneloperator 1] verklaard dat zonder deze instrumenten niet kan worden gewerkt. Op de zijkant van de AD-26 zit een niveau meetinstrument. Als het eerste alarm van dit instrument in werking treedt, dan geeft dit een hoog niveau alarm aan. De operator moet dan iets ondernemen. Het tweede alarm van dit niveau meetinstrument geeft een zeer hoog niveau alarm. Pas wanneer de hoog niveau switch samen met het zeer hoog niveau alarm binnenkomt, valt de inlaatklep dicht. Dat is volgens [paneloperator 1] de beveiliging. Er komt dan geen benzeen meer in de tank. Op de dag van het incident stond de hoog niveau switch op de hand. Hierdoor kwam wel het zeer hoog niveau alarm binnen maar werd de inlaatklep niet gesloten. Dat de switch op de hand stond, zagen ze niet. De switch mocht ook niet op de hand staan. Op de graphic kon hij dat niet zien. Normaal moet er een lampje branden, maar dit lampje deed het niet. Op de monitor is niet te zien dat hij op de hand staat. De aanvoer van een stof naar tank AD-26 wordt automatisch gestopt wanneer de DI Level Switch High (LSH-B-364) en het LT (Level Transmitter) alarm beide geactiveerd zijn. Deze hoogniveauschakelaar werd op 22 mei 2005 op “hand” gezet. Het logboek geeft hierover aan: zo 22-05-05 8:14: 364 man. De rechtbank begrijpt “manual”. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verdachte zoals hiervoor al aangegeven dat het juist is dat de schakelaar op “hand” stond. Ter zitting is hierover nog nader verklaard door de vertegenwoordiger van verdachte. Volgens [vertegenwoordiger 1] zat het in de niveaumeting die te hoog stond. Het instrument was gekalibreerd op een wat zwaardere vloeistof. Achteraf bezien was het verstandiger geweest om het instrument te kalibreren op de laagste dichtheid, in dit geval benzeen. Naar aanleiding van dit incident wordt het instrument tegenwoordig gekalibreerd op elke productdichtheid. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat vastgesteld kan worden dat benzeen op ongecontroleerde wijze door middel van een afsluiter is overgebracht van de AD-433 naar de AD-
  3. Verder kan op grond van het vorenstaande vastgesteld worden dat geen sprake was van een goed functionerende niveaubeveiliging nu deze niet op de laagste dichtheid was gekalibreerd. c. de buitenoperator Niet vastgesteld kan worden dat buitenoperator [werknemer 1] “werkzaamheden met betrekking tot bovenstaande” heeft verricht, zoals in de tenlastelegging staat. Onder het “bovenstaande” begrijpt de rechtbank dat bedoeld wordt het op ongecontroleerde wijze overbrengen van benzeen en het niet in werking hebben van een goed functionerende niveaubeveiliging, zoals ten laste gelegd onder het eerste gedachtenstreepje van feit
  4. Uit het dossier volgt dat [werknemer 1] in opdracht de pomp heeft stilgezet en de afsluiter heeft dichtgezet. Uit het dossier volgt niet dat hij de afsluiter heeft opengezet. Evenmin kan vastgesteld worden dat hij werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de niet goed functionerende niveaubeveiliging. Was sprake van een zwaar ongeval? Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de emissie van benzeen een gebeurtenis is als gevolg van een onbeheersbare of onbeheerste ontwikkeling tijdens de bedrijfsuitvoering in de inrichting, namelijk de overloop van de slobtank AD-26, waardoor gevaar als bedoeld in het Brzo is ontstaan. Immers, de spill van benzeen uit het mangat van de slobtank AD-26 was een onverwachte gebeurtenis die voor de operators ter plaatse niet meer kon worden beheerst. Door deze onbeheersbare ontwikkeling tijdens de bedrijfsvoering is er gevaar ontstaan voor de gezondheid van de mens en milieu gelet op de brandgevaarlijke en explosieve eigenschappen van benzeen en op de hoeveelheid benzeen die ontsnapt is waarbij diverse personen zijn blootgesteld aan de gevaarlijke stof. Dat, zoals de verdediging heeft gesteld, het LOPA-systeem de kans van het meest ernstige gevolg minimaliseert, doet daar niets aan af nu immers de benzeenspill als zodanig al is aan te merken als de onbeheersbare ontwikkeling en de schade aan mens en/of milieu zich niet behoeft te hebben gerealiseerd. Of ook ten aanzien van feit 2 sprake is geweest van opzettelijk handelen, zal de rechtbank hierna bespreken. Zijn de vergunningvoorschriften overtreden? (feit 3) Verdachte heeft op 7 augustus 1990 voor het uitbreiden van de inrichting met onder andere een ethylbenzeenfabriek een Hinderwetvergunning aangevraagd. Bij besluit van 4 juni 1991 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland aan Dow Benelux NV onder nummer 1573 t/m 5/85 een Hinderwetvergunning verleend. Daarbij zijn onder meer de volgende vergunningvoorschriften gesteld: I.4 Alle werkzaamheden die gevaar, schade of hinder (inclusief bodemverontreiniging), luchtverontreiniging of geluidhinder kunnen veroorzaken mogen uitsluitend worden verricht door daartoe opgeleid en ter zake deskundig personeel volgens daartoe door de verantwoordelijke bedrijfsleiding verstrekte voorschriften en instructies. Voor werkzaamheden in situaties waarin die voorschriften en instructies niet voorzien of waarbij daarvan moet worden afgeweken, dient uitdrukkelijk toestemming te worden verleend door de verantwoordelijke bedrijfsleiding. I.5 De goede werking van beveiligings- en alarmeringsapparatuur, met inbegrip van veiligheidskleppen, die bij falen gevaar, schade of hinder of luchtverontreiniging kan veroorzaken, moet regelmatig worden gecontroleerd. Daartoe moet een schema worden opgesteld dat voor in bedrijfname van de installatie ter beoordeling moet worden voorgelegd aan Provinciale Waterstaat. De resultaten van de controles moeten worden vastgesteld in een rapport dat tenminste 2 jaar moet worden bewaard. I.6 Alle installaties en voorzieningen waarop deze vergunning betrekking heeft moeten steeds in goede staat verkeren. Van de werkzaamheden die er toe leiden dat hieraan wordt voldaan, zoals inspektie- en onderhoudswerkzaamheden, moet op overzichtelijke wijze administratie worden bijgehouden. Desgevraagd moet aan de bevoegde ambtenaren van de Provinciale Waterstaat inzage worden verschaft aan deze administratie. Op grond van de hiervoor (onder het kopje “Is het Brzo overtreden”) opgenomen verklaringen van getuigen en de verklaring namens verdachte stelt de rechtbank vast dat de niveaubeveiliging op 22 mei 2005 op “hand” is gezet, dat wil zeggen dat deze was uitgeschakeld. Eerst op 13 juni 2005, tijdens het incident, bleek dat deze was uitgezet. Op controlepanels was dat niet te zien. Hieruit leidt de rechtbank af dat in de tussenliggende periode niet is gecontroleerd of de niveaubeveiliging juist geschakeld was. Hiermee is in strijd gehandeld met voorschrift I.5 van de vergunning. Verder leidt de rechtbank uit de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter zitting af dat erkend wordt dat de niveaubeveiliging tegen het overlopen van tank AD-26 op een onjuiste (want te zware) vloeistof was gekalibreerd. De rechtbank is van oordeel dat, op het moment dat instrumenten op onjuiste of onvolledige wijze worden gekalibreerd, het risico wordt gelopen dat niet op de juistheid en het goed functioneren van de instrumenten vertrouwd kan worden. Daarmee is het doel van het instrument – namelijk het beveiligen tegen overlopen van de tank – niet bereikt en dus niet in goede staat. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat niet alle installaties en voorzieningen in goede staat verkeerden waardoor in strijd is gehandeld met voorschrift I.6 van de vergunning. Geen wettig en overtuigend bewijs acht de rechtbank aanwezig voor het verwijt dat werkzaamheden als zelfstandig buitenoperator zijn verricht door [werknemer 1] die daartoe niet opgeleid dan wel ter zake deskundig was. De rechtbank ziet geen reden om te veronderstellen dat [werknemer 1] zelfstandig die werkzaamheden heeft verricht, hij handelde immers in opdracht van de paneloperator. Van strijd met voorschrift I.4 is de rechtbank dan ook niet gebleken. Opzet Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het toetsingskader van het bestanddeel “opzettelijk” is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1 tot en met 3 zoals tenlastegelegd onder zaak 1 opzettelijk zijn begaan. Uit het dossier volgt dat de EB-4-fabriek – na een onderhoudsstop (of shutdown) –opnieuw werd opgestart. Het opstarten van een fabriek beslaat meerdere dagen en tijdens de opstart is extra personeel nodig. Een dergelijke onderhoudsstop vindt steeds na een aantal jaar (eerst om de 2 jaar, inmiddels om de 8 jaar) plaats. Het opnieuw opstarten van een (deel van een) fabriek is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan te merken als een bijzondere bedrijfsomstandigheid. Gelet op alle milieu- en veiligheidsaspecten die een rol spelen bij het opstarten van een fabriek is extra alertheid, controle en waakzaamheid geboden. Vast staat dat de niveauschakelaar op 22 mei 2005 op “hand” is gezet. Dit is een bewuste handeling geweest die gericht is geweest op een bepaald gevolg. Immers, als de schakelaar op “hand” wordt gezet is hiervan het gevolg dat de inlaatklep niet meer automatisch dichtvalt bij een alarm. Eerst op 13 juni 2005 – toen het incident zich voordeed – is ontdekt dat de schakelaar op “hand” stond. In de tijd gelegen tussen 22 mei en 13 juni 2005 is dus geen enkele keer gecheckt of de schakelaar juist stond terwijl deze niet op “hand” had mogen staan om de essentiële beveiligingsfunctie te kunnen vervullen. Op het paneel in de controlekamer was niet te zien dat de schakelaar op “hand” stond omdat het lampje defect was. Geen reden is gezien om dat lampje, nadat al eerder ontdekt was dat dat defect was, te vervangen. Ook dit is een bewuste keuze geweest, gericht op een bepaald gevolg. Een dubbelcheck, ondanks het extra personeel dat wordt ingezet bij een herstart, is niet uitgevoerd. Verder is er, voorafgaande aan het incident blijkbaar voor gekozen om meetinstrumenten niet te kalibreren op de laagste dichtheid, te weten benzeen. Hiermee is een bewust risico genomen dat instrumenten onvolledig of onjuist functioneerden. Ook werd besloten om de benzeen over te brengen van de ene tank naar de andere tank via een afsluiter waardoor zonder enige precisie de benzeen werd overgebracht. Dow kon weten dat door deze gedragingen – waaronder het nalaten van handelingen worden begrepen – tijdens een bijzondere bedrijfsomstandigheid tank AD-26 kon overlopen en dat de kans op een emissie van benzeen ten minste aanmerkelijk was. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen en beslissingen van Dow-medewerkers zoals hiervoor aangegeven naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt kunnen worden als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dat zij de aanmerkelijke kans op het gevolg hebben aanvaard. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat Dow- medewerkers opzet, in voorwaardelijke zin, hebben gehad op het plegen van de tenlastegelegde feiten. 4.3.2 zaak 3, de feiten 4 tot en met 7, klemband thermowell TW-B-016 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft – kort gezegd – gesteld dat Dow door onjuist gebruik van een klemband opzettelijk benzeen in de lucht heeft gebracht waardoor werknemers van Dow en [bedrijf 1] (LRS) met enige regelmaat zijn blootgesteld aan te hoge benzeenwaarden en dat daarbij niet altijd de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen werden gedragen. Bovendien is in sommige gevallen sprake geweest van werk onder explosiegevaarlijke omstandigheden. Door aldus te handelen heeft Dow de fabriek en de daarin werkzame werknemers, alsook de omgeving van de fabriek en de omwonenden ernstig in gevaar gebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat is gehandeld strijd met de vergunningvoorschriften. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat het aanbrengen van een klemband en het later injecteren met een pasta een algemeen aanvaarde techniek is. Een structurele vervanging van de leiding had plaats kunnen vinden op een passend moment. Niet blijkt dat daar toen niet op gewacht kon worden en niet blijkt dat iemand binnen Dow bewust veiligheidsrisico’s nam en wilde nemen. Het herinjecteren had onvoldoende resultaat, maar dit betrof een technisch falen. Op 28 augustus 2006 ontbrandde een hoeveelheid vrijgekomen benzeen. De brand bleef relatief beperkt en de brand vormde geen bedreiging buiten de inrichting. Niets anders vatte vlam en dat kon ook niet. Gevaar voor escalatie bestond er dan ook niet.Ten aanzien van feit 4 is aangevoerd dat alles er op gericht was geen verdere benzeendamp te laten ontsnappen. Risico’s op explosiegevaar, brandgevaar en gevaar voor blootstelling van werknemers van Dow en LRS zijn beperkt gebleven. Verder blijkt ook niet dat een explosieve gaswolk zich rondom de leiding had gevormd. Gelet hierop ontbreekt het bewijs dat Dow opzettelijk benzeendamp in de lucht heeft gebracht. Ten aanzien van feit 5 is aangevoerd dat niet blijkt dat de enkele lekkages en de tijdelijke reparatie met een klemband konden uitgroeien tot een onbeheersbare gebeurtenis en dus tot een zwaar ongeval in de zin van het Brzo tot 19 augustus
  5. LRS was een erkend en deskundig installateur van klembanden. Hooguit kan worden aangenomen dat de te onderscheiden medewerkers tekortgeschoten zijn in de naleving van de interne procedures.Verder blijkt niet dat lekkages en de getroffen maatregelen vanaf 19 augustus 2006 wel konden uitgroeien tot een onbeheersbare gebeurtenis en dus tot een zwaar ongeval. Ten aanzien van de brand is aangevoerd dat gebleken is dat de beschermingslagen conform de LOPA wederom hun diensten hebben bewezen. De gemeentelijke brandweer is slechts gealarmeerd om een ladderwagen beschikbaar te hebben. Hieruit kan bezwaarlijk worden afgeleid dat een onbeheersbare situatie ontstond. Dat de brand tot een ramp had kunnen escaleren, zoals gesteld door de officier van justitie, mist feitelijke grondslag. Ten aanzien van feit 6 is aangevoerd dat de officier van justitie terecht heeft gerekwireerd “dat een leiding lek raakt valt aan verdachte niet te verwijten”. Ten slotte is ten aanzien van feit 7 aangevoerd dat niet blijkt dat in de werkweek vóór 28 augustus 2006 sprake was van een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 Wm. Weliswaar was er bij herhaling sprake geweest van lekverlies, maar niet blijkt dat het verlies een relevant effect buiten de installatie, laat staan buiten de inrichting had. Het oordeel van de rechtbank Is artikel 173a Sr overtreden? (feit 4) Op 16 juni 2005 werd in Terneuzen door personeel van Dow een opening in een las tussen de buitenzijde van een thermowell en de buitenzijde van een transportleiding van benzeen, de AG01001, in de Ethyleenbenzeenfabriek EB-4 geconstateerd. Hierdoor werd benzeen naar de atmosfeer geblazen. Om deze lekkage in te sluiten, werd besloten een klemband te laten aanbrengen over de lekkende las tussen de thermowell en de transportleiding. Omstreeks 17 juni 2005 is dat in opdracht van Dow uitgevoerd door medewerkers van LRS. Om een adequate afdichting van de klemband te garanderen, werd onder hoge druk een afdichtpasta in de klemband geïnjecteerd. De afdichting van de klemband in combinatie met de afdichtpasta was van dien aard dat, gedurende de periode vanaf 4 augustus 2005 tot en met 9 november 2005 meerdere malen sprake was van benzeenlekkages bij de klemband. De klemband werd in deze periode herhaaldelijk geïnjecteerd waarbij verschillende soorten afdichtpasta zijn toegepast. Toen bleek dat de klemband niet meer af te dichten was, werd besloten om de installatie op 28 augustus 2006 gecontroleerd uit bedrijf te nemen. Omstreeks 12.45 uur die dag ontstond er een brand aan de klemband. De uitslaande brand was van dien aard dat verschillende fabrieksdelen in die omgeving geheel of gedeeltelijk geëvacueerd moesten worden en dat de brandweer van de gemeente Terneuzen door Dow ter plaatse werd geroepen. Besloten werd de brand gecontroleerd te laten uitbranden en de druk in het proces gecontroleerd te verlagen. Omstreeks 18.15 uur stopte de brand. De noodsituatie werd door Dow omstreeks 18.40 uur beëindigd. Verbalisanten zagen dat de brand bij het fornuis van de Styreen-4 fabriek op een hoogte van ongeveer 8 meter had plaats gevonden. Zij zagen dat op een transportleiding een klemband was aangebracht en dat de klemband en de transportleiding zwartgeblakerd waren. Verder zagen zij dat de instrumenten welke de temperatuur van de benzeen in de transportleiding meet, verbrand waren. Was een concreet gevaar te duchten? De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat in de periode van 19 augustus tot en met 28 augustus 2006 sprake is geweest van een emissie van benzeen. Dit wordt namens verdachte ook niet betwist. Over de hoeveelheid van de emissie bestaat onduidelijkheid. Dow is uitgegaan van een uitstroom van 1200 kg benzeen. Dat, zoals de officier van justitie heeft gesteld, sprake is geweest van een beduidend grotere emissie dan 1200 kg heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Op 24 augustus 2006 werd een luchtmonster genomen waarbij 395 ppm benzeen gemeten is. Op 25 augustus 2006 is door LRS een meting gedaan waarbij > 25.000 ppm gemeten werd. De verslagen van de AD-Area laten zien dat vanaf 19 augustus 2006 de klemband harder is gaan lekken. Ook werd daarbij benzeen gemeten. Op 21 augustus 2006 is vermeld dat sprake is van veel lekkage. Op 26 augustus is in het verslag gemeld dat de klem is blijven lekken en dat LRS de klem niet dicht krijgt. Getuige [getuige 7], projectleider bij LRS, verklaart dat sprake was van een grote uitstoot. Hij weet dat nog omdat ze bij de poging de lekkage te verhelpen gaspakken gebruikt hebben. Hij heeft dat toen zelf georganiseerd. Volgens hem ligt de grens voor het gebruik van een gaspak op 2000 ppm. Die ppm´s waren toen zo hoog dat hij besloten heeft om dat werk dus volledig in het gaspak uit te voeren. Er is toen een gaspakunitwagen gehuurd door Dow. [medewerker LRS] (een medewerker van LRS) heeft hem meerdere malen ´s avonds nog gebeld. Getuige meent dat [medewerker LRS] toen heeft gezegd dat hij nog gloeien had waargenomen bij die klemband. Dat gloeien is gemeld bij Dow, dat weet hij zeker. Er stonden ook jongens bij van Dow en toen hebben ze het werk stilgelegd. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat werknemers van LRS gedurende de genoemde periode werkzaamheden verricht aan de transportleiding terwijl sprake was van een aanzienlijk emissie van benzeen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de eigenschappen van benzeen zoals weergegeven in de in voetnoot 14 aangehaalde chemiekaart, op grond van deze bestaande omstandigheden concreet gevaar voor de openbare gezondheid te duchten was. Dat niet is komen vast te staan dat iemand daadwerkelijk besmet is, doet hieraan niet af. Zoals de rechtbank onder het toetsingskader van artikel 173a Sr al heeft aangegeven, behoeft het gevaar zich immers niet te verwezenlijken. Of ten aanzien van feit 4 sprake is geweest van opzettelijk handelen zal de rechtbank hierna bespreken. Is artikel 5 Brzo overtreden?(feit 5) Naast de hiervoor onder feit 4 opgenomen bewijsmiddelen geldt het volgende. In het dossier is beschreven dat aan de brand een lange periode van problemen met betrekking tot de klemband is voorafgegaan. In verband met een geconstateerde lekkage is het bedrijf LRS ingeschakeld door Dow. Op 16 juni 2005 is daartoe een spoedoproep gedaan voor het opnemen en inmeten van de lekkage aan de transportleiding AG
  6. Daarbij is aangegeven dat sprake was van scheurtjes in de thermowell TW-B-
  7. Op 17 juni 2005 heeft de montage en injectie plaatsgevonden waarna op 5 augustus 2005 een oproep voor herinjectie is gedaan. Op 9 augustus 2005 heeft vervolgens die herinjectie plaatsgevonden. Op 1 november 2005 werd geconstateerd dat de enclosure niet genoeg afdichtte (emissie > 3000 ppm) waarna weer een oproep voor herinjectie werd gedaan. Op 8 november 2008 heeft een supervisor van LRS de situatie opnieuw beoordeeld waarbij een deksel in combinatie met kopklemmen voorgesteld werd. Op 10 november 2005 werd vervolgens door Dow goedkeuring gegeven tot het plaatsen van kopklemmen waarna de fabricage in gang werd gezet. Op 28 november 2005 werd geconstateerd dat de sluitnaat niet voldoende afdichtte waarna wederom besloten werd tot herinjectie. Deze werd op 6 december 2005 uitgevoerd waarna de leiding was afgedicht. Op 19 juni 2006 heeft Dow vervolgens weer een oproep gedaan voor het uitvoeren van een herinjectie. Op 21 juni 2006 is deze uitgevoerd. Op 21 augustus 2006 bleek het wederom mis te zijn. Opnieuw werd een spoedopdracht voor herinjectie uitgedaan. De situatie ter plaatse werd beoordeeld en er bleek een te hoge concentratie van benzeen te zijn. Op 23 augustus 2006 heeft een herinjectie plaatsgevonden waarbij een gaspak gedragen moest worden vanwege de te hoge concentratie benzeen. De lekkage was circa 60% verminderd. Op 24 augustus 2006 werd een luchtmonster genomen, waarbij 395 ppm benzeen gemeten heeft. Op 25 augustus 2006 is door LRS een meting gedaan waarbij > 25.000 ppm gemeten werd. In overleg met Dow werd besloten om uit veiligheidsoverwegingen (ontstekingsgevaar) de werkzaamheden te stoppen. Een van de medewerkers van LRS, de getuige [getuige 1], heeft verklaard dat een klemband een tijdelijke reparatie van een lekkage is totdat de plant shutdown gaat voor een onderhoudsstop. Het is dus een tijdelijke voorziening. Dow bepaalt of een klemband vervolgens al of niet wordt verwijderd en of de leiding wordt hersteld. Volgens [getuige 1] is deze lekkage in de periode 5 augustus 2005 tot 9 augustus 2005 niet dicht geweest. Op 5 augustus 2005 heeft [getuige 1] gezegd dat hij het vermoeden had dat er haarscheuren in die thermowell aanwezig waren en dat daardoor de lekkage wegliep. Op 16 november 2005 is [getuige 1] de kopklemmen samen met Marco [getuige 2] gaan plaatsen. Die klopklemmen pasten niet. Er zat iets in de weg. De kopklemmen zijn aangepast waarna ze op 21 november 2005 weer zijn geplaatst. Op 25 augustus 2006 heeft [getuige 1] geadviseerd om te stoppen met herinjecteren, omdat de klemband volgens hem nagenoeg dicht was maar er nog een lekkage in de isolatie zat. Zijn collega [medewerker LRS] heeft toen namelijk gezien dat er een gloeiende massa in de isolatie naast de klemband was. Op het moment dat [medewerker LRS] die gloeiende massa aantrof in de isolatie heeft [getuige 1] direct tegen [medewerker LRS] gezegd: ”d’r uit, wegwezen”. Zij zijn toen gestopt en hebben hun verhaal gedaan bij de mensen van Dow. Ook zijn collega, getuige [getuige 2] van LRS, heeft verklaard dat het plaatsen van een klemband altijd een tijdelijke oplossing is. Hij heeft aangegeven dat, als een fabriek eventjes uit bedrijf genomen wordt, er wel eens haarscheurtjes in de sealant kunnen komen. Die worden dan door een herinjectie weer terug gedicht. De leiding krimpt en zet uit wanneer een deel van die fabriek waar die leiding in zit wordt stilgezet en weer terug in gebruik wordt genomen. Het temperatuurverschil dat dan ontstaat is de oorzaak van het ontstaan van die scheurtjes in de sealant. [getuige 2] heeft over de periode vanaf augustus 2006 verklaard dat het niet normaal is dat een klemband zo vaak wordt geherinjecteerd. Het herinjecteren is telkens een beslissing geweest van LRS en Dow. LRS adviseert of herinjectie nog mogelijk is. De uiteindelijke beslissing om al of niet te herinjecteren ligt bij Dow. Namens Dow heeft [vertegenwoordiger 1] ter zitting bevestigd dat er een emissie van benzeen is geweest. De klemband was om de thermowell aangelegd om de lekkage te dichten. Er is als het ware een metalen buis omheen gedaan die vervolgens is volgespoten met een pasta om afdichting te bewerkstelligen. Volgens [vertegenwoordiger 1] is het probleem dat er door werking en temperatuurverschillen barstjes in (de rechtbank begrijpt: de uitgeharde afdichtpasta) kunnen komen. Op 19 augustus 2006 is nog overleg geweest met LRS en is besloten dat ze ‘het (de rechtbank begrijpt: het injecteren met pasta) nog een keer zouden proberen’. Dat is ook gebeurd. Toen een paar dagen later weer sprake was van een lekkage, is op 24 augustus 2006 besloten de fabriek alsnog stil te leggen. Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen in onderling verband bezien stelt de rechtbank vast dat - de klemband en de kopklemmen meermalen lekkages niet afdoende afdichtten, zoals ten laste gelegd onder het 4e gedachtenstreepje - geen rekening werd gehouden met de gevolgen van de breakdown en het weer opstarten na de breakdown op het functioneren van de klemband, zoals ten laste gelegd onder het 5e gedachtenstreepje - Dow in de periode van 19 tot en met 25 augustus 2006, terwijl er ernstige benzeenlekkage ontstond, de fabriek niet heeft stilgelegd en medewerkers van LRS werkzaamheden in een brandgevaarlijke situatie heeft laten verrichten, zoals ten laste gelegd onder het 6e gedachtenstreepje. Ten aanzien van de eerste twee gedachtenstreepjes – het niet volgen van een Management of Change (MOC) en het niet opnemen van de klemband in het GEMTS (Global Engineering & Maintenance Tracking System) – overweegt de rechtbank het volgende. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van Dow verklaard dat voor het aanleggen van een klemband een procedure bestaat waarin beschreven staat hoe ermee om moet worden gegaan. De procedure is in het Engels geschreven en de belangrijkste eisen daaruit zijn vertaald in het Nederlands. Na het incident is gebleken dat er eisen waren gesteld met betrekking tot de klembanden, het onderhoud en de inspectie, in de Engelstalige versie, die niet zijn teruggekomen in de Nederlandstalige versie. Hierdoor is een aantal zaken gemist. Volgens [vertegenwoordiger 1] vindt de controle van de klembanden plaats volgens het GEMTS-systeem en had de inspectie volgens de eigen global Dow-procedure iedere 3 maanden moeten plaatsvinden. De inspectietermijn is hier verkeerd vastgesteld, aldus de vertegenwoordiger van verdachte. Deze eigen global Dow-procedure is de Dow Global Mechanical Integrity Manuel. Onderdeel daarvan is “Section 5.2 Leak Repair Clamps”. Hierin is vermeld: “This section covers the requirements for registration, documentation and inspection of Leak Repair Clamps as components in systems that contains Hazardous Chemicals. A Leak repair clamp, as used in this section, is a device that is engineered, fabricated and installed to stop a leak of Hazardous Chemicals. This type clamp is not intented to be a permanent repair. The use of these clamps should be limited to situations where shutdown of the equipment is not practical. Leak Repair Clamps must be registered if they are installed as components in systems that contain Hazardous Chemicals and will be in service longer than 90 days. The following are registration requirements for Leak Repair Clamps: The MOC process shall be utilzed for all Leak Repair Clamp installations since this is considered a change to the original design of the system. When a temporary repair clamp is installed for more than ninety days, the continued use shall be approved by the business technology center. Temporary repair clamps installed for more than ninety days shall be registered by the Equipment Owner using GEMTS (or equivalent Maintenance Management System) periodically inspected and removed during the next scheduled equipment outage. A visual inspection shall be conducted and documented on maximum 30-day interval. If provisions are taken to arrest the degradation mechanism with the clamp installed, the maximum inspection interval may be increased to 90 days with concurrence by the Qualified Inspector”. Door Dow is de procedure “02.12 Hottap, noodreparatie klembeugel injectie afsluiter” opgesteld. Onder paragraaf 5.3 is vermeld: “De Inspector verzorgt op het moment dat er een nieuwe klemband komt voor een Equipment ID uit GEMST. De Inspector zorgt voor de scheduling in GEMST van een 3 maandelijkse inspectie in overeenstemming met GMIM/GMISS en geeft tevens de vervangingsdatum, welke in overleg met de Gatekeeper is vastgesteld, aan. Klembeugels in hazardous service moeten bij de eerstvolgende mogelijkheid (shutdown) verwijderd worden.
  8. Document Historie 16 juli 2003 Voor plaatsen klemband zorgt Inspector voor een Equipment ID. Scheduling in GEMST in overeenstemming met GMIM/GMISS. Vervangingsdatum wordt hiermee geborgd”. Over de toepassing van de procedures is onder meer PPM Inspector [PPM Inspector] gehoord. Hij heeft verklaard dat hij verantwoordelijk is voor de inspectie van de statische equipment, zoals vaten, leidingen en reactoren. Hij verricht ook de planning van het periodieke onderhoud. [PPM Inspector] heeft verder verklaard dat hij de klembandprocedure heeft geschreven en daarin een inspectietermijn van 12 maanden heeft opgenomen. Deze inspectietermijn is na de eerste lekkage op 5 augustus 2005 niet aangepast. Dat er tussen augustus 2005 en november 2005, het plaatsen van de kopklem, meerdere lekkages aan de klemband zijn geweest, was [PPM Inspector] niet bekend omdat dat hem niet gemeld is terwijl hij dat wel behoort te weten. Het was [PPM Inspector] bekend dat er in april 2006 een breakdown van de EB-4 had plaatsgevonden. [PPM Inspector] heeft verklaard dat er in de periode voorafgaande aan de breakdown de klemband niet lekte. Op 25 augustus 2006 voelde [PPM Inspector] zich niet op zijn gemak. Dit kwam door de uitstroming van het benzeengas en met name door het geluid dat hoorbaar was. Hierdoor werd het hem duidelijk dat het een flinke lekkage moest zijn. Gevraagd naar de procedure Hottap 02.12, noodreparatie klembeugel injectie afsluiter, heeft [PPM Inspector] verklaard dat hij deze procedure wel kent maar dat de procedure niet werd toegepast. De klemband werd niet ingevoerd in GEMTS waardoor deze ook niet in overeenstemming was met GMIM/GMISS. Ondanks het feit dat hij ervan op de hoogte was dat in GMIM/GMISS inspectietermijnen genoemd werden van 90 dagen, 3 maanden, 6 maanden heeft hij gekozen voor een termijn van 12 maanden. [PPM Inspector] heeft verklaard dat dit een inschatting van hem was. Met de invloeden van warmte en afkoeling op de gebruikte compound in de klemband was [PPM Inspector] niet bekend. Over het al dan niet volgen van een MOC heeft Maintanance Activity Coördinator [coördinator 1] verklaard dat er voor het aanbrengen van de klemband geen MOC was opgesteld. Bij de beslissing om de klemband niet te verwijderen is geen rekening gehouden met de dan optredende temperatuur- en drukverschillen bij het uit bedrijf gaan en het weer opstarten van de fabriek. Hij was niet op de hoogte van het feit dat temperatuurverschillen een negatieve invloed hadden op de fysische eigenschappen van de compound. Volgens hem wist niemand dat bij Dow. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld worden dat gehandeld is in strijd met de bij Dow geldende procedures, zoals is ten laste gelegd onder de eerste twee gedachtenstreepjes van feit
  9. Over de communicatie met de brandweer van Terneuzen over het incident op 28 augustus 2006 – het laatste gedachtenstreepje van feit 5 – heeft de plaatsvervangend commandant van de brandweer verklaard dat hij op die dag HOVD/OVD piketdienst had. Omstreeks 13.00 uur kreeg hij een melding van een fase 0 situatie bij Dow. Ter plaatse had hij overleg met [werknemer 9], de officier van dienst van Dow. In dit overleg kwam naar voren dat er een redelijke brand was aan het fornuis en dat de installatie zo snel mogelijk gekoeld moest worden met waterkanonnen. Bij dat overleg was ook aanwezig als officier van dienst van politie inspecteur [werknemer 10]. Volgens [werknemer 10] werd elke 15 minuten een gezamenlijk overleg gevoerd door het Coördinatieteam Plaats Incident, aangevuld met leidinggevenden van Dow. Het doel van deze overleggen was het vaststellen van te nemen maatregelen, reeds genomen maatregelen beoordelen op hun effect en eventueel bijstellen, het ontwikkelen van escalatiemodellen en de daarbij te nemen maatregelen. Een en ander had tot doel het incident te bestrijden en tevens de risico’s op escalatie te inventariseren en ter voorkoming daarvan maatregelen te nemen. [werknemer 10] heeft verklaard dat al snel een vervelende situatie ontstond tijdens de overleggen. De brandweer stelde allerhande vragen met betrekking tot de brand en de kans op escalatie. Hij zag en hoorde dat de leidinggevenden van Dow niet serieus reageerden op de vragen van de brandweer. Met name op de vragen die betrekking hadden het ontwikkelen van escalatiescenario’s werd ronduit laconiek gereageerd. Daarnaast werd nadrukkelijk gevraagd om technische gegevens omtrent chemische stoffen en de installaties. Met deze gegevens wilde de officier gevaarlijke stoffen van de brandweer eveneens escalatiescenario’s ontwikkelen en daar de benodigde kansberekeningen en effectberekeningen op loslaten. Ondanks herhaald vragen kregen zij de gevraagde informatie niet. Bovendien werd steeds meer en meer de indruk gevestigd door de leidinggevenden van Dow dat men de officieren van de hulpdiensten vervelend begon te vinden en dat zij erg overdreven reageerden. Toen ook bij de vierde COPI-vergadering de mensen van Dow geen antwoord gaven op alle vragen ontstond een zeer vervelende situatie. [werknemer 10] heeft vervolgens in zeer scherpe bewoordingen de mensen van DOW duidelijk gemaakt dat men absolute medewerking verplicht was aan de hulpdiensten. De vertegenwoordiger van Dow ter zitting, [vertegenwoordiger 1], erkent dat Dow aan de brandweer van Terneuzen tijdens de brand alle gevraagde informatie had moeten verstrekken en dat beide partijen zich hebben gerealiseerd dat beter moet worden samengewerkt. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat onvoldoende informatie is verstrekt aan de hoofdofficier van dienst van de bandweer van Terneuzen. Ten slotte is onder feit 5 nog het verwijt gemaakt dat door Dow geen definitief reparatieplan was opgesteld. Nu namens Dow is gesteld – en het tegendeel niet is gebleken – dat er wel een definitief reparatieplan was , namelijk het vervangen van de transportleiding tijdens de eerstvolgende shutdown, acht de rechtbank dit onderdeel niet bewezen. Was sprake van een zwaar ongeval? Door de emissie van benzeen die zich heeft voorgedaan in de periode van 12 juni 2005 tot en met 28 augustus 2006 is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitvoering in de inrichting. Ondanks verschillende pogingen daartoe is het immers niet gelukt de emissie van benzeen binnen het normale bedrijfsproces te stoppen. Dit heeft geleid tot een brand waarbij het productieproces is stopgezet, verschillende fabrieksdelen moesten worden geëvacueerd en niet alleen de eigen brandweer van Dow maar ook de brandweer van Terneuzen is ingeschakeld. Bij deze gebeurtenis is gevaar ontstaan voor de gezondheid van de mens. Er is een aanzienlijk hoeveelheid benzeen vrijgekomen. Het vrijkomen van deze hoeveelheid leverde gevaar op voor de aanwezigen in de omgeving van de transportleiding. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zwaar ongeval als bedoeld in het Brzo. Door de verdediging is ook ten aanzien van feit 5 aangevoerd dat de lekkages niet konden uitgroeien tot een onbeheersbare gebeurtenis waardoor ernstig gevaar voor de gezondheid van mens en milieu zou ontstaan. Ook hier gaat de verdediging er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte aan voorbij dat de lekkages op zich al aangemerkt dienen te worden als een onbeheersbare ontwikkelingen, immers er was sprake van een ongecont

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.