RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht Zaaknummers: BRE 14/960, 14/961 en 14/962 GEMWT uitspraak van 15 mei 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam eiser], te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. N.M.Breukers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 31 december 2013 (bestreden besluiten), verzonden op 2 januari 2014, heeft het college [naam persoon], [naam persoon] en[naam persoon] (hierna: belanghebbenden) gelast het gebruik van de recreatiewoning op kavel 57 van Parc Patersven anders dan voor verblijfsrecreatie uiterlijk 18 maanden na verzending van deze besluiten te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een eenmalige dwangsom van € 25.000,- indien niet tijdig aan de last wordt voldaan. Eiser heeft beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting, waar de beroepen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden in Breda op 18 april 2014. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger]en mr. [naam vertegenwoordiger]. Overwegingen 1. De bestreden besluiten vloeien voort uit een verzoek van eiser van 8 september 2010 om handhavend optreden tegen het permanent bewonen van recreatiewoningen op “Parc Patersven”, [adres] te [plaatsnaam]. Dit verzoek is door het college bij besluit van 9 november 2010 afgewezen. Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college het door eiser daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 16 december 2011 (procedurenummer 11/4611) vernietigd. Vervolgens heeft het college bij besluit van 1 mei 2012 het bezwaar van eiser opnieuw gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2010 herroepen en aangegeven dat het handhavingstraject binnen de door de gemeenteraad gestelde termijn van twee jaar gestalte zal krijgen. Bij uitspraak van 22 januari 2013 (procedurenummer 12/3085) heeft de rechtbank het door eiser daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 mei 2012 vernietigd en bepaald dat het college - kort gezegd - handhavingsbeslissingen dient te nemen overeenkomstig het door het college opgestelde “Plan van aanpak Parc Patersven”. De rechtbank heeft vervolgens op 21 november 2013 uitspraken gedaan op een aantal beroepen tegen concrete handhavingsbesluiten (ECLI:NL:RBZWB:2013:8461/8466/8469). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:735) uitspraak gedaan op hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank van 16 december 2011 en 22 januari 2013. Voor een uitgebreidere samenvatting van de voorgeschiedenis met betrekking tot Parc Patersven, verwijst de rechtbank naar (overweging 1 van) haar uitspraken van 21 november 2013. 2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank voorts uit van de volgende feiten en omstandigheden. Belanghebbenden zijn huurders van de recreatiewoning op kavel 57 op Parc Patersven. Bij de bestreden besluiten heeft het college belanghebbenden gelast het gebruik van de recreatiewoning op Parc Patersven anders dan voor verblijfsrecreatie als bedoeld in het bestemmingsplan ‘Recreatiecentrum Patersven’ te staken en gestaakt te houden. Daarbij heeft het college bepaald dat belanghebbenden een dwangsom van € 25.000,- verbeuren, indien zij niet binnen 18 maanden na verzending van de aan hen gerichte lastgeving het illegale gebruik van de recreatiewoning hebben gestaakt. 3. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de eerder genoemde uitspraken van 21 november 2013 zijn de bestreden besluiten aan te merken als een beslissing op bezwaar waartegen beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De rechtbank neemt in verband daarmee aan dat het college met de bestreden besluiten tevens heeft beoogd om het bezwaar van eiser tegen het besluit van 9 november 2010, waarin zijn handhavingsverzoek is afgewezen, (opnieuw) gegrond te verklaren, alsmede om dat besluit te herroepen en te vervangen door besluiten tot toewijzing van het handhavingsverzoek van eiser. 4. Eiser betoogt dat een begunstigingstermijn van 3 maanden of langer in ieder geval niet in overeenstemming is met artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat blijkens de toelichting op deze bepaling de termijn voor het beëindigen van de overtreding zo kort mogelijk moet worden gesteld. De in de bestreden besluiten gehanteerde begunstigingstermijn van 18 maanden leidt er volgens eiser toe dat er hier geen sprake is van handhavend optreden tegen het permanent bewonen van recreatiewoningen op Parc Patersven, maar van het langdurig gedogen van die situatie. 5. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet uitgeoefend door het college, indien de toepassing van de bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. In artikel 5:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. In artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn wordt gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. 6. Ingevolge artikel 3, lid C, onder I, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Recreatiecentrum Patersven”, is het verboden de tot “verblijfsrecreatieve voorzieningen” bestemde gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming. Op grond van artikel 3, lid C, onder II, sub 2, van deze planvoorschriften, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld onder I ten minste verstaan het gebruik van de grond voor permanent wonen. In artikel 1 van dit bestemmingsplan is bepaald dat onder verblijfsrecreatie wordt verstaan: verblijf buiten de eerste woning –voor recreatieve doeleinden- waarbij tenminste één overnachting wordt gemaakt, met uitzondering van overnachtingen bij familie of kennissen. 7. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS moet het bestuursorgaan in beginsel handhavend optreden tegen overtreding van een wettelijk voorschrift, gelet op het algemeen belang dat met handhaving is gediend. In dit kader heeft de AbRS reeds vele malen overwogen dat het bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden van handhaving mag afzien, en dat zo’n situatie kan zich voordoen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.