RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 14/2985 GEMWT VV uitspraak van 12 juni 2014 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen 1. [naam verzoekster1] en [naam verzoeker1] 2. [naam verzoekster2]., wonende en gevestigd te [plaatsnaam], verzoekers, gemachtigde: ing. [naam gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalburg, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij], te [woonplaats], gemachtigde: [naam gemachtigde]. Procesverloop Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2014 (bestreden besluit) van het college inzake het opleggen van een last onder dwangsom. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 juni 2014. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en mr. [naam vertegenwoordiger]. Derde partij is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekers sub 1 zijn eigenaar van de percelen gelegen achter het perceel aan [adres] te [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente Aalburg, Sectie F, nummer 3607 (perceel F3607) en nummer 56 (perceel F56). Verzoeker sub 2 gebruikt het perceel F3607 voor bedrijfsmatige activiteiten. Bij controle van 19 februari 2007 heeft een medewerker van Bouw- en Woningtoezicht geconstateerd dat op perceel F3607 bouwwerkzaamheden plaatsvonden, te weten de bouw van een loods, zonder dat voor deze werkzaamheden een bouwvergunning was verleend op grond van de Woningwet. Dit heeft geleid tot het besluit van het college van 20 februari 2007 inzake stillegging van de bouwwerkzaamheden (bouwverbod) met daaraan gekoppeld de oplegging van een last onder dwangsom. Het door verzoekers sub 1 daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Breda ongegrond verklaard bij uitspraak van 16 april 2008 (ECLI:NL:RBBRE:2008:1222). Bij brief van 16 oktober 2012 heeft belanghebbende, die woont op het perceel aan [adres] te[plaatsnaam], het college verzocht om handhavend op te treden tegen de niet legaal aanwezige bebouwing op beide percelen en het gebruik van beide percelen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Bij controles van 11 juni 2013 en 30 januari 2014 hebben gemeentelijke toezichthouders onder meer geconstateerd dat op het perceel F3607 de loods, waarvoor in 2007 een bouwstop is opgelegd, verder is afgebouwd en wordt verhuurd aan [naam verzoekster2]., de kweektunnel wordt gebruikt voor opslag van privéspullen en de gronden van het perceel worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten van [naam verzoekster2] voor onder meer de opslag van materialen en machines. Verder is geconstateerd dat op het perceel F56 een overkapping is gebouwd, waarvoor geen vergunning is verleend, en de gronden van het perceel worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten voor onder meer voor de opslag van materialen en machines. Bij het bestreden besluit heeft het college aan[naam verzoekster1] een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit is zij gelast om: de loods op het perceel F3607 binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 100.000,-; het gebruik van het perceel F3607 voor activiteiten die geen relatie hebben met agrarische bedrijfsdoeleinden binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden. Het gaat hierbij om het gebruik van de gronden van dit perceel, maar ook het gebruik van de kweektunnel op dit perceel. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 100.000,-; de overkapping op het perceel F56 binnen termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Het gaat hierbij om de overkapping van 13,5 meter bij 12,5 meter met een hoogte van circa 3,5 tot 4 meter. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 100.000,-; het gebruik van het perceel F56 voor opslag van materialen en machines voor niet agrarische bedrijfsactiviteiten binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 50.000,-. Verzoekers sub 1 hebben daartegen bezwaar gemaakt. 2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat het college ten onrechte de last onder dwangsom heeft opgelegd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting richt het verzoek zich met name tegen het verwijderen van de loods op het perceel F3607, de opgelegde last onder 1). Volgens verzoekers had het college van handhavend optreden moeten afzien, nu er sprake is van concreet zicht op legalisering van de loods. Bovendien mochten verzoekers erop vertrouwen dat van handhaving zou worden afgezien als gevolg van de gedane toezeggingen en gewekte verwachtingen. Hiertoe voeren verzoekers aan dat reeds in 2008 door het college is toegezegd dat een ruimtelijke procedure zou worden opgestart om de loods op het perceel F3607 te legaliseren. Nu een nieuw bestemmingsplan in procedure is gebracht had het college de legalisering van de loods in dit nieuwe bestemmingsplan moeten meenemen. Verzoekers hebben daarom een inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan ingediend met het verzoek alsnog de opgenomen agrarische bestemming te wijzigen naar een bestemming die bedrijfsmatige, niet-agrarische, activiteiten toestaat. Dit overeenkomstig de in 2008 gedane toezeggingen en gewekte verwachtingen, aldus verzoekers. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen. 3. De voorzieningenrechter beoordeelt allereerst of verzoeker sub 2 kan worden ontvangen in zijn verzoek om voorlopige voorziening. Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen hangende een bezwaarschriftprocedure alleen de indieners van het bezwaarschrift een verzoek om een voorlopige voorziening doen. De voorzieningenrechter stelt vast dat in dit geval verzoeker sub 2 geen bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit. Als gevolg hiervan moet verzoeker sub 2 in haar verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu verzoekers sub 1 wel ontvankelijk zijn in hun verzoek, komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. 4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. 5. Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Op grond van het tweede lid wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Op grond van artikel 5:31d, aanhef en onder a en b, van de Awb wordt onder een last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.