RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 14/2986 GEMWT VV uitspraak van 12 juni 2014 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster] en [naam verzoeker], te [woonplaats], verzoekers, gemachtigde: ing. [naam gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalburg, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij], te [woonplaats], gemachtigde:[naam gemachtigde]. Procesverloop Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2014 (bestreden besluit) van het college inzake het opleggen van een last onder dwangsom. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 juni 2014. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en mr. [naam vertegenwoordiger]. Derde partij is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekers zijn eigenaar van het perceel gelegen achter de percelen aan [adres] tot en met[huisnummer] te [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente Aalburg, Sectie F, nummer 3945 (perceel F3945). Bij brieven van 16 oktober 2012, 8 mei 2013 en 16 december 2013 heeft belanghebbende, die woont op het perceel aan [adres] te [plaatsnaam], het college verzocht om handhavend op te treden tegen de niet legaal aanwezige bebouwing op het perceel en het gebruik van het perceel in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Bij controles van 11 juni 2013, 12 december 2013, 16 december 2013, 19 december 2013, 9 januari 2014, 14 januari 2014, 23 januari 2014, 28 januari 2014 en 30 januari 2014 hebben gemeentelijke toezichthouders onder meer geconstateerd dat het perceel F3945 wordt gebruikt voor de opslag van hooi, stro, pallets, stenen en diverse andere bouwmaterialen en dat een aanhangwagen, een pipowagen, een hekwerk en verharding op het perceel aanwezig waren. Verder is bij controle van 12 december 2013 geconstateerd dat op het perceel F3945 bouwwerkzaamheden plaatsvonden, te weten de bouw van een paardenstal en opslagruimte, zonder dat voor deze werkzaamheden een omgevingsvergunning was verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit heeft geleid tot het besluit van het college van 17 december 2013 inzake stillegging van de bouwwerkzaamheden (bouwverbod) met daaraan gekoppeld de oplegging van een last onder dwangsom. Tegen dit besluit zijn door verzoekers geen rechtsmiddelen aangewend en dit besluit is daarmee rechtens onaantastbaar geworden. Bij het bestreden besluit heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit zijn zij gelast om: het gebouw dat in gebruik is als paardenstal en opslagruimte op het perceel F3945 binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 50.000,-; het gebruik van het perceel F3945 voor opslag van materialen, die geen relatie hebben met agrarische bedrijfsactiviteiten binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden. Dit betekent dat het geconstateerde gebruik van de gronden op het perceel voor de opslag van hooi of strobalen, steen, bouwmaterialen, puin, een aanhangwagen, een pipowagen en andere niet agrarische opslag moet worden gestaakt en gestaakt moet blijven. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 3.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 30.000,-. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. 2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat het college ten onrechte de last onder dwangsom heeft opgelegd. Volgens verzoekers is sprake van concreet zicht op legalisering, waardoor het college van handhavend optreden af had moeten zien. De paardenstal betreft namelijk de herbouw van een reeds gesloopt bouwwerk, een oude varkensstal, en valt hierdoor onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan. Bovendien wordt het op grond van het toekomstige bestemmingsplan “Wijk en Aalburg” in de toekomst mogelijk de gronden van het perceel F3945 te gebruiken voor hobbymatig agrarisch gebruik. Ook hebben verzoekers in een inspraakreactie verzocht om in het nieuwe bestemmingsplan een bouwvlak op te nemen voor de paardenstal en opslagruimte. Tot slot is volgens verzoekers van belang dat sinds 2011 geen agrarisch bedrijf meer op het perceel is gevestigd en agrarisch gebruik ook niet meer mogelijk is, vanwege de gesplitste verkoop van de voormalige boerderij en land. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen. 3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. 4. Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Op grond van het tweede lid wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Op grond van artikel 5:31d, aanhef en onder a en b, van de Awb wordt onder een last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.