RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg Parketnummer: 12/700138-10 Raadkamernummer: 14/517 Beslissing van de meervoudige raadkamer voor strafzaken d.d. 28 juli 2014, op het door de officier van justitie in de strafzaak tegen verdachte [verdachte], geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, op 26 maart 2014 ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van 13 maart 2014 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de afwijzing van de vordering ex artikel 149b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering; gezien de stukken, waaronder: het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 december 2014; de beslissing van de rechter-commissaris van 24 januari 2014; de brief van 31 januari 2014 van de officier van justitie aan de rechter-commissaris; de beschikking van de rechter-commissaris van 13 maart 2014; de appèlakte d.d. 26 maart 2014; de appèlmemorie van de officier van justitie d.d. 23 april 2014, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 30 april 2014; gelet op het onderzoek in raadkamer van 14 juli 2014, waarbij is verschenen en gehoord de officier van justitie in dit arrondissement mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk. Verdachte en de raadsman mr. M.C. van der Want, advocaat te Middelburg, zijn – hoewel deugdelijk opgeroepen – niet verschenen. De verdediging wordt ter zitting vertegenwoordigt door de raadslieden mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge, mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda en mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Sittard. 1Standpunten van partijen De officier van justitie heeft – op de gronden als vermeld in de appèlmemorie – verzocht de beschikking van 13 maart 2014 van de rechter-commissaris te vernietigen. Dit dient primair te gebeuren omdat de rechter-commissaris niet bevoegd was om de beslissing van 24 januari 2014 te geven. De ruimte waarin de rechter-commissaris na een verwijzing door de zittingsrechter dient te handelen wordt beheerst en beperkt door artikel 316, derde lid, Sv. Nu de beslissing van 24 januari 2014 mede ten grondslag ligt aan de beschikking waarvan appèl, dient ook deze beslissing in de beoordeling te worden betrokken. Met betrekking tot de juridische aard van het concept projectplan (hierna: projectplan) wordt opgemerkt dat dit een intern document betreft en om die reden geen processtuk vormt. De officier van justitie heeft daarom subsidiair verzocht te beslissen dat het bedoelde stuk geen processtuk is. Hij ziet niet in hoe het kennisnemen van de informatie uit het projectplan van belang zou kunnen zijn voor het beantwoorden van de vragen zoals neergelegd in de artikelen 348 – 350 Sv. Meer subsidiair heeft de officier van justitie verzocht een machtiging te verlenen tot het weigeren van de voeging van het projectvoorstel, voor zover het betreft alle door de officier van justitie onleesbaar gemaakte passages in het document ‘projectvoorstel onderzoek Etenaken’ in de strafdossiers van de onderscheiden verdachten in deze zaak. De gemarkeerde passages betreffen louter zaken van praktische aard in het kader van de tussen het openbaar ministerie en de politie te maken werkafspraken. Daarnaast zou het samenstel van de bewuste passages de verdediging, maar ook derden buiten deze procedure informatie verschaffen over de wijze waarop politie en justitie dergelijke onderzoeken plegen in te richten. Kennisneming van deze werkwijzen door de verdediging of door derden maakt dat zij daarop kunnen anticiperen en dat de informatiegaring, onderzoeksvoorbereiding en opsporingsmogelijkheden aan effectiviteit zullen inboeten. Daarnaast is de rechter-commissaris voorbijgegaan aan het complementaire bezwaar, waar het gaat om uitstraling naar de toekomst: de maatstaf ‘zwaarwegend opsporingsbelang’ heeft ook te gelden voor lopende en toekomstige onderzoeken, nu veeleer dezelfde werkwijze wordt gevolgd door politie en openbaar ministerie. Ten slotte heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat aan het instellen van hoger beroep en cassatie tegen een beslissing van de rechter-commissaris op basis van artikel 149b Sv schorsende werking toekomt. Het standpunt van de verdediging dat instellen van dit appel niet in de weg staat aan uitvoering van de bestreden beslissing niet kan worden gevolgd. Doel en ratio van artikel 149b Sv verzetten zich namelijk hiertegen. Het aanwenden van een rechtsmiddel door het openbaar ministerie zou immers volkomen zinledig worden indien dit geen schorsende werking zou hebben, gezien de door het openbaar ministerie aangevoerde zwaarwegende opsporingsbelangen die zich verzetten tegen kennisneming door derden. De verdediging heeft naar voren gebracht dat de officier van justitie op basis van artikel 446 Sv wel in hoger beroep had kunnen gaan tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 24 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.