RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Procedurenummer AWB 13/3586 uitspraak van 4 september 2014 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende]B.V., gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De ontvanger heeft, met dagtekening 16 oktober 2012, bij beschikking met nummer [aanslagnummer 1], belanghebbende aansprakelijk gesteld voor door [A BV](hierna: [A BV]) niet betaalde belastingschulden voor een bedrag van € 9.194. 1.2. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 22 november 2012, door de ontvanger ontvangen op 23 november 2012, bezwaar aangetekend tegen deze beschikking. De ontvanger heeft bij uitspraak met dagtekening 30 mei 2013 het bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 juli 2013, ontvangen bij de rechtbank op 2 juli 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318. 1.4. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de ontvanger. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde]te Roermond, en namens de ontvanger, [verweerder]. De ontvanger heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Voorts heeft de ontvanger ter zitting een rapport met bijlagen overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces‑verbaal opgemaakt, waarvan tegelijk met deze uitspraak een afschrift aan partijen is verzonden 1.7. De rechtbank heeft partijen in overweging gegeven om met elkaar in overleg te treden teneinde de mogelijkheden van een compromis te onderzoeken. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Met dagtekening 16 juni 2014 heeft de ontvanger aan de rechtbank een brief met bijlagen toegestuurd aangaande de berekening van de aansprakelijkstelling in geval van matiging. Een afschrift van de brief van 16 juni 2014 is verstrekt aan de wederpartij. De rechtbank heeft het onderzoek reeds gesloten en heeft niet verzocht om toezending van berekeningen. De rechtbank ziet overigens geen aanleiding om op basis van dit stuk de zitting te heropenen. Om die reden zal de rechtbank deze brief buiten beschouwing laten. Met dagtekening 27 juni 2014 heeft de gemachtigde van belanghebbende een afschrift van het schrijven dat gericht is aan de ontvanger aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 21 juli 2014 is aan partijen medegedeeld dat de rechtbank de uitspraaktermijn met zes weken verlengt. Met dagtekening 28 augustus 2014, door de rechtbank ontvangen op 1 september 2014, heeft de ontvanger gereageerd op het schrijven van belanghebbende van 27 juni 2014. De ontvanger heeft tegelijkertijd een afschrift van deze reactie doen toekomen aan belanghebbende. Nu de stukken van 27 juni en 28 augustus 2014 na de zitting zijn overgelegd en beide betrekking hebben op het bereiken van een compromis en nu uiteindelijk geen compromis is gesloten, zal de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laten. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. In het jaar 2006 heeft een aantal werknemers, die in dienstbetrekking waren bij [A BV], onder toezicht of leiding van belanghebbende bij belanghebbende werkzaamheden verricht. De totale omzet van [A BV] over het jaar 2006 bedroeg € 911.400. De omzet die [A BV] heeft behaald met het aan belanghebbende uitgeleende personeel bedroeg in 2006 € 34.572,63. 2.2. [A BV] is per [datum] 2009 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is opgeheven per [datum] 2011. Bij [A BV] is op 1 november 2011 een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen 2006 tot de datum van het faillissement. Van dit onderzoek is op 7 november 2011 een rapport opgemaakt dat tot de stukken van het geding behoort. 2.3. Ten name van [A BV] is over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 januari 2006 een naheffingsaanslag loonheffingen van € 242.359 opgelegd en daarbij is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 45.220 (aanslagnummer [aanslagnummer 2].A.01.6510) (hierna: de naheffingsaanslag). Op de (duplicaat)naheffingsaanslag, die tot de stukken van het geding behoort, staat als dagtekening vermeld 7 december 2011. Daarnaast staat daarop dat het verschuldigde bedrag op 21 november 2011 op de rekening van de Belastingdienst moet staan en voorts dat de naheffingsaanslag is vastgesteld naar aanleiding van het bij [A BV] ingestelde boekenonderzoek, waarbij wordt verwezen naar het rapport van 7 november 2012. 2.4. Een intern memo van de Belastingdienst, gedagtekend 29 december 2011, dat tot het dossier van [A BV] behoort, vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “[A BV] (…) Op basis van het ingestelde onderzoek (…) dienen de navolgende naheffingsaanslagen loonheffingen te worden opgelegd: (…) Schuldenoverzicht na onderzoek (t.b.v. WKA): Enkelvoudig (…) 2006: naheffingsaanslag nog op te leggen € 242.359,00 (…)”. 2.5. Belanghebbende heeft in 2006 € 9.287,72 op de G‑rekening van [A BV] gestort. 2.6. Op 16 november 2011 is een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid om de inlenersaansprakelijkheid ingevolge artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW) dan wel de ketenaansprakelijkheid ingevolge artikel 35 van de IW toe te passen ten aanzien van de contractpartners van [A BV] als uitlener over de periode 2005 tot en met 2009. Bij beschikking van 16 oktober 2012 is belanghebbende met toepassing van artikel 34 van de IW, artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten en artikel 51 van de Zorgverzekeringswet aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 9.194. 2.7. Belanghebbende heeft op 23 november 2012 bezwaar ingesteld tegen de beschikking. Op 13 maart 2013 is belanghebbende gehoord. Op 7 januari 2013 heeft belanghebbende gebruik gemaakt van haar inzagerecht. In de uitspraak op bezwaar is het bezwaar van belanghebbende afgewezen. 3Geschil Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het ter zitting verhandelde. 3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: Is de naheffingsaanslag te laat opgelegd, zodat de beschikking aansprakelijkstelling dient te vervallen? Is de beschikking aansprakelijkstelling tijdig afgegeven? Is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld? Is de beschikking aansprakelijkstelling tot het juiste bedrag opgelegd? Meer in het bijzonder is voor dat geval in geschil of het anoniementarief terecht is toegepast en zo ja, of belanghebbende in aanmerking komt voor matiging. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede, derde en vierde vraag ontkennend. De ontvanger is de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.2. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4Beoordeling van het geschil Met betrekking tot de tijdigheid van de naheffingsaanslag 4.1.1. Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vervalt de bevoegdheid tot naheffing door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Bij de naheffingsaanslag is belasting geheven die ziet op het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. De termijn van vijf jaren voor het opleggen van de naheffingsaanslag over het hiervoor genoemde tijdvak eindigde derhalve op 1 januari 2012. 4.1.2. Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslag niet op 7 december 2011 en evenmin binnen de genoemde vijfjaarstermijn opgelegd kan zijn, zodat deze moet worden vernietigd. Daartoe verwijst belanghebbende naar het in 2.4 genoemde interne memo van de Belastingdienst waarin staat dat de naheffingsaanslag over het jaar 2006 nog opgelegd moet worden. Nu het memo is gedagtekend op 29 december 2011 kan de naheffingsaanslag naar de opvatting van belanghebbende niet vóór die datum opgelegd zijn. Verder verwijst belanghebbende naar de op de (duplicaat)naheffingsaanslag vermelde datum van het rapport boekenonderzoek van 7 november 2012, waaruit volgens belanghebbende afgeleid moet worden dat de naheffingsaanslag pas na die datum is opgelegd. 4.1.3. Volgens de ontvanger is de naheffingsaanslag tijdig opgelegd en heeft de inspecteur die het interne memo heeft opgesteld, de systemen niet goed geraadpleegd. Daartoe verwijst de ontvanger naar een rapport (met bijlagen) van 11 juni 2014 waarin staat dat de naheffingsaanslag over het jaar 2006 op 28 november 2011 in het computersysteem van de belastingdienst is geregistreerd met dagtekening 7 december 2011 en op 5 december 2011 ter post is aangeboden aan PostNL. De ontvanger heeft voorts gesteld dat bij het handmatig vervaardigen van de duplicaat naheffingsaanslag een typefout is gemaakt bij de vermelding van de datum van het rapport boekenonderzoek. Er staat 7 november 2012, maar dat moet zijn 7 november 2011. 4.1.4. Uit het (onder 4.1.3 vermelde) rapport met bijlagen kan worden afgeleid dat de naheffingsaanslag op 28 november 2011 is geregistreerd met dagtekening 7 december 2011 en dat de naheffingsaanslag op 5 december 2011 aan Post NL is aangeboden. Hiermee heeft de ontvanger, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is opgelegd. De rechtbank vindt in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de in de systemen van de belastingdienst opgenomen data te twijfelen. Met betrekking tot de tijdigheid van de beschikking aansprakelijkstelling 4.2. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat te lang is gewacht met het traject van de aansprakelijkstelling, overweegt de rechtbank als volgt. Naar de rechtbank begrijpt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de belastingdienst al in 2009 wist dat er door [A BV] geen administratie werd bijgehouden en dat men desondanks heeft gewacht tot november 2011 om een boekenonderzoek te starten bij [A BV]. De rechtbank begrijpt belanghebbendes stelling als een beroep op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur, hetgeen ook gevolgen heeft voor de ontvanger in de invorderingssfeer. De rechtbank verwerpt die stelling. Het door belanghebbende gestelde talmen met het instellen van een boekenonderzoek bij [A BV], wat daar verder ook van zij, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot vernietiging of verlaging van de aansprakelijkstelling van belanghebbende. Nu voorts is gesteld, noch gebleken dat de ontvanger zelf heeft getalmd met de aansprakelijkstelling van belanghebbende faalt de stelling van belanghebbende. Met betrekking tot de aansprakelijkstelling 4.3.1. Artikel 34 van de IW bepaalt, voor zover hier van belang, als volgt: “1. Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete. (…) 5.De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten. (…).” 4.3.2. Niet in geschil is dat belanghebbende als inlener op grond van de tekst van artikel 34, eerste lid, van de IW aansprakelijk kan worden gesteld. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van een disculpatiemogelijkheid op grond van het vijfde lid van artikel 34 van de IW. In dit verband merkt de rechtsbank op dat uit het in 2.2 genoemde onderzoek onder meer volgt dat de (loon)administratie van [A BV] niet dan wel slechts in zeer beperkte mate (enkel over het jaar 2008) aanwezig was. Gelet op het voorgaande heeft de ontvanger belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld voor (een deel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.