RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Procedurenummers AWB 12/7201 tot en met 12/7214 AWB 12/7216 tot en met 12/7230 uitspraak van 28 januari 2015 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd: Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) Procedure Jaar [aanslagnummer] Dagtekening 12/7201 1990 H08 31-12-2002 12/7202 1991 H18 31-05-2003 12/7203 1992 H28 31-05-2003 12/7204 1993 H38 31-05-2003 12/7205 1994 H48 31-05-2003 12/7206 1995 H57 17-06-2003 12/7207 1996 H67 06-06-2003 12/7208 1997 H77 06-06-2003 12/7209 1998 H87 06-06-2003 12/7210 1999 H97 06-06-2003 12/7211 2000 H06 31-05-2003 12/7212 2001 H16 03-12-2004 12/7213 2002 H26 03-12-2004 12/7214 2003 H36 29-12-2006 12/7215 2004 H46 20-12-2007 12/7217 2005 H56 30-12-2008 12/7218 2006 H66 31-12-2009 12/7219 2007 H76 17-12-2010 12/7220 2008 H86 23-04-2011 Vermogensbelasting (hierna: VB) Procedure Jaar [aanslagnummer] Dagtekening 12/7221 1991 K18 31-12-2002 12/7222 1992 K28 31-05-2003 12/7223 1993 K38 31-05-2003 12/7224 1994 K48 31-05-2003 12/7225 1995 K58 31-05-2003 12/7226 1996 K68 31-05-2003 12/7227 1997 K78 31-05-2003 12/7228 1998 K87 06-06-2003 12/7229 1999 K97 06-06-2003 12/7230 2000 K07 06-06-2003 1.2. Bij de voormelde (navorderings)aanslagen zijn verhogingen (met kwijtschelding), danwel boeten (hierna: boeten) opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan over de IB/PVV 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000. De aanslagen en beschikkingen zijn gehandhaafd. 1.4. Belanghebbende is op 28 juli 2004 door middel van één beroepschrift in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar bij Hof ’s-Hertogenbosch. Het Hof heeft het beroep, bij uitspraak van 10 december 2010 met nummer 04/01606 gegrond verklaard, de uitspraken vernietigd en de zaken teruggewezen naar de inspecteur wegens schending van de hoorplicht. Hierbij is de inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende met inachtneming van de uitspraak van het Hof. 1.5. Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De cassatiemiddelen zijn alle gericht tegen de proceskostenbeslissing. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie, bij arrest van 14 oktober 2011 met nummer 11/00343, met toepassing van art. 81 Wet RO, ongegrond verklaard. 1.6. Nadat belanghebbende op 20 juni 2012 is gehoord, heeft de inspecteur de uitspraak gemotiveerd bij brief van 30 november 2012. Bij deze brief zat een rechtsmiddelenverwijzing. Deze uitspraak werd gevolgd door de verminderings-beschikkingen met dagtekening 15 december 2012. 1.7. Belanghebbende heeft bij brief van 17 december 2012, ontvangen bij de rechtbank op 18 december 2012, pro forma beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende griffierecht geheven van € 42. Het beroepschrift is bij brief van 14 januari 2013 gemotiveerd. 1.8. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013 te Breda. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Voor de behandelde rolnummers, het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar de processen-verbaal van de zitting die op 19 november 2013 naar partijen zijn gezonden. 1.10. De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.11. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om overleg met elkaar te voeren. 1.12. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.13. Op verzoek van belanghebbende heeft op 23 mei 2014 te Breda een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is de getuige [getuige] gehoord. Voor de behandelde rolnummers, het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar de processen-verbaal, waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht. 1.14. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen twaalf weken aangekondigd. Bij brief van 15 juli 2014 heeft de rechtbank deze termijn verlengd en aangekondigd dat op 30 september 2014 schriftelijk uitspraak wordt gedaan. Bij brief van 30 september 2014 heeft de rechtbank deze termijn nogmaals verlengd en aangekondigd dat zo spoedig mogelijk schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende, geboren op [datum] 1947, is gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenote). 2.2. Belanghebbende was voor onderhavige jaren beschreven voor de inkomsten- en vermogensbelasting en heeft aangifte voor die middelen gedaan. In de aangiften zijn geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG te Luxemburg (hierna: KBL). 2.3. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KBL. 2.4. Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject. 2.5. Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels: "JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994 (…) 53-[rekeningnummer]-50-0000 00 0040 TER LDO [X - Y] 109.317,16 (…) 52-[rekeningnummer]-23-0000 00 0040 VUE [X - Y] -16,30 2.6. Door [ambtenaar 1] is op 25 maart 2010 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de KBL. Uit de match van rekeninghouders komt slechts belanghebbende, gehuwd met de echtgenote als enige rekeninghouder van de KBL-rekening [rekeningnummer] in aanmerking. 2.7. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 8 januari 2002 verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Met dagtekening 15 januari 2002 heeft de inspecteur aan belanghebbende een rappel vragenbrief gezonden. Belanghebbende heeft bij ongedateerde brief geantwoord dat hij zich niet kan herinneren een bankrekening in het buitenland te hebben aangehouden en vraagt om de gegevens waarop de vraag over de buitenlandse bankrekeningen is gebaseerd. 2.8. Nadat de inspecteur bij brief van 23 januari 2002 gerappelleerd heeft, heeft de gemachtigde bij brief van 25 januari 2002 een bezwaar ingediend vanwege de weigering om informatie te verstrekken. 2.9. Bij brief van 5 april 2002 heeft de inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) nogmaals verzocht de bij brief van 8 januari 2002 gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij heeft de inspecteur gewezen op de omkering van de bewijslast bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. In reactie hierop heeft de gemachtigde per brief van 8 mei 2002 een klacht ingediend omdat de inspecteur, in reactie op de brief van de gemachtigde van 25 januari 2002, nog geen WOB-besluit heeft genomen. Bij brief van 13 mei 2012 wijst de inspecteur het WOB-verzoek van belanghebbende af. Het daartegen ingediende bezwaar wordt afgewezen. 2.10. Bij brief van 25 september 2002 heeft de inspecteur zijn voornemen met betrekking tot de op te leggen aanslagen te kennen gegeven. De gemachtigde heeft hierop gereageerd bij brief van 1 oktober 2002 en heeft nogmaals om informatie verzocht. Bij brief van 28 november 2002 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boeten aangekondigd. De gemachtigde heeft hierop bij brief van 11 december 2002 gereageerd. Bij brief van 18 december 2002 zijn aan gemachtigde de boeten met kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g en 67k van de AWR aangekondigd. Hiernaast heeft de inspecteur gemachtigde in de gelegenheid gesteld de aangiften in te zien. Deze navorderingsaanslagen zijn op 31 december 2002 opgelegd. 2.11. Namens belanghebbende is bij brief van 7 januari 2003 bezwaar ingesteld tegen de onder 2.10 genoemde navorderingsaanslagen. Het bezwaar is bij brief van 20 februari 2003 gemotiveerd. 2.12. Bij brief van 22 april 2003 heeft de inspecteur aangegeven dat de termijn voor het doen van een uitspraak één jaar na ontvangst van het bezwaar is, dat hij voorlopig nog geen uitspraak op bezwaar zal doen in verband met de lopende procedures en dat de uitspraaktermijn met nog één jaar verlengd kan worden. 2.13. Bij brief van 24 april 2003 is de gemachtigde door de inspecteur in kennis gesteld van de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000. Bij brief van 19 mei 2003 is aan de gemachtigde ex artikel 67g AWR mededeling gedaan van de boeten. De inspecteur heeft met dagtekeningen 31 mei 2003, 6 juni 2003 en 17 juni 2003 de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000 met boeten opgelegd. 2.14. Namens belanghebbende is op 21 mei 2003 , 10 juni 2003 en 27 juni 2003 tegen de onder 2.13 genoemde (navorderings)aanslagen bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschriften heeft de gemachtigde aangegeven niet in te stemmen met het aanhouden van de bezwaren in afwachting van de onherroepelijke uitspraak van, onder andere, de procedure Nauta Dutilh. 2.15. Bij brief van 13 januari 2004 heeft de inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij op 6 januari 2004 toestemming heeft gekregen van de staatssecretaris van Financiën om de uitspraaktermijn met een jaar te verlengen ex artikel 25, lid 2 van de AWR tot 7 januari 2005. 2.16. Bij brief van 16 januari 2004 heeft de inspecteur voor alle cliënten van de gemachtigde een aanspreekpunt aangewezen en een informatieset naar de gemachtigde verstuurd. 2.17. In juni en juli 2004 hebben partijen over en weer schriftelijk en telefonisch contact gehad over de inhoudelijke motivering van de inspecteur en het eventueel te houden hoorgesprek tussen partijen. De inspecteur heeft bij brief van 23 juli 2004 in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan over de IB/PVV 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000. 2.18. Bij brieven van 16 november 2004 heeft de inspecteur aangekondigd van de aangifte IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 af te wijken en een boete op te leggen. Deze aanslagen en boeten zijn met dagtekening 3 december 2004 opgelegd. Namens belanghebbende is hiertegen op 9 december 2004 bezwaar gemaakt. 2.19. De inspecteur is ook afgeweken van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2003 tot en met 2008 en heeft hiervoor de onder 1.1 vermelde aanslagen opgelegd. Namens belanghebbende is hiertegen tijdig bezwaar gemaakt. De bezwaarschriften zijn aangehouden in afwachting van het resultaat van het door belanghebbende ingestelde beroep. 2.20. Nadat het arrest van de Hoge Raad (zie 1.5) was gewezen, heeft de inspecteur belanghebbende en zijn echtgenote op 20 juni 2012 gehoord. 2.21. Bij brief van 30 november 2012 gevolgd door verminderingsbeschikkingen met dagtekening 15 december 2012, is inzake alle in 1.1 vermelde (navorderings)aanslagen uitspraak op bezwaar gedaan. 2.22. Nadat de inspecteur in kort geding gegevens over de buitenlandse bankrekening heeft gevorderd heeft de gemachtigde bij brief van 1 juli 2013 geconstateerd dat belanghebbende en zijn echtgenote rekeninghouder waren bij de KBL. Naar aanleiding van de nadien door belanghebbenden overgelegde gegevens heeft de inspecteur nieuwe berekeningen van de (navorderings)aanslagen gemaakt en de navorderingsaanslagen ambtshalve verminderd op 11 (IB/PVV 2007), 12 (IB/PVV 2008) en 15 februari 2014. Dit resulteert in het volgende overzicht voor belanghebbende: IB/PVV in guldens: Procedure Jaar [aanslagnummer] belastbaar inkomen belasting boete heffingsrente 12/7201 1990 H08 20.000 0 0 0 12/7202 1991 H18 83.275 0 0 0 12/7203 1992 H28 83.275 0 0 0 12/7204 1993 H38 89.884 0 0 0 12/7205 1994 H48 88.869 1.500 1.080 355 12/7206 1995 H57 94.760 1.500 1.080 314 12/7207 1996 H67 97.875 1.575 1.134 320 12/7208 1997 H77 98.626 1.650 1.188 311 12/7209 1998 H87 97.042 1.725 1.242 269 12/7210 1999 H97 101.718 1.802 1.297 227 12/7211 2000 H06 94.796 1.732 1.247 155 IB/PVV in euro’s: Procedure Jaar [aanslagnummer] b.i. box 1 b.i. box 3 belasting boete heffingsrente 12/7212 2001 H16 39.605 9.307 412 295 39 12/7213 2002 H26 43.069 9.301 417 299 25 12/7214 2003 H36 43.980 8.969 448 322 55 12/7215 2004 H46 47.148 5.496 468 336 64 12/7217 2005 H56 32.108 9.386 490 352 69 12/7218 2006 H66 49.033 9.229 494 355 77 12/7219 2007 H76 47.353 7.061 467 335 64 12/7220 2008 H86 56.383 5.222 333 239 31 VB,in guldens: Procedure Jaar [aanslagnummer] belastbaar vermogen belasting boete heffingsrente 12/7221 1991 K18 117.000 0 0 0 12/7222 1992 K28 120.000 0 0 0 12/7223 1993 K38 125.000 0 0 0 12/7224 1994 K48 196.000 480 346 134 12/7225 1995 K58 218.000 464 334 109 12/7226 1996 K68 222.000 472 340 99 12/7227 1997 K78 219.000 424 305 79 12/7228 1998 K87 301.000 420 302 65 12/7229 1999 K97 307.000 427 307 53 12/7230 2000 K07 306.000 392 282 35 3Geschil 3.1. In geschil is of de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen heffingsrente en boeten terecht zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen: Is het gebruik van de door de inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig en heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen? Zijn de boeten terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld? Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade? Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding? De hoogte van de (navorderings)aanslagen zoals deze in februari 2014 door de inspecteur zijn vastgesteld is tussen partijen niet in geschil. 3.2. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en de processen-verbaal van het verhandelde ter zitting. 4Beoordeling van het geschil Vooraf 4.1. Gelet op de in 2.22 genoemde, en tussen partijen niet in geschil zijnde, bedragen van de navorderingsaanslagen dienen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 1993, en VB 1991 tot en met VB 1993, te worden vernietigd. Onrechtmatig verkregen bewijs en de op de zaak betrekking hebbende stukken 4.2.1. Belanghebbende stelt dat het door de inspecteur gebezigde bewijs waaruit is afgeleid dat hij beschikte over een bankrekening bij KBL, onrechtmatig verkregen is. Belanghebbende stelt in dit kader – zakelijk weergegeven – met name dat [ambtenaar 2] ([ambtenaar 2]), ambtenaar van de Belastingdienst, wetenschap had of had kunnen hebben omtrent de onrechtmatige wijze van verkrijging van de microfiches en de ontoelaatbare handelwijze van Belgische overheidsdienaren daarbij, dat [ambtenaar 2] ten onrechte heeft nagelaten daaromtrent informatie in te winnen, terwijl deze informatie hem wel ter beschikking stond of had kunnen staan en dat hij daarom ten onrechte hierover geen verslag heeft gedaan en/of opgemaakt. Een dergelijk verslag zou, aldus belanghebbende, tot de stukken van het geding hebben behoord. Ter zitting heeft belanghebbende het standpunt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, hiertoe beperkt. Volgens belanghebbende brengt het voorgaande mee dat de navorderingsaanslagen en beschikkingen dienen te worden vernietigd. 4.2.2. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 21 maart 2008 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2008:BA8179) heeft de Hoge Raad bevestigd dat de microfiches, ook indien zij in België onrechtmatig zouden zijn verkregen, in de Nederlandse fiscale procedures mogen worden gebruikt. De rechtbank ziet geen reden om in het onderhavige geval hiervan af te wijken. De omstandigheid dat de leider van de projectgroep van de Belastingdienst, [ambtenaar 2], mogelijk later op de hoogte had kunnen komen of af had kunnen weten van de omstandigheid dat de gegevens in België – naar belanghebbende stelt – onrechtmatig zijn verkregen, brengt niet met zich mee dat de gegevens voor de Nederlandse Belastingdienst als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de Nederlandse belastingdienst, zoals blijkbaar de Belgische overheidsdienaren, op enigerlei wijze direct of indirect betrokken is geweest bij de diefstal of de verduistering van microfiches van KBL of op enige andere wijze frauduleus gedrag van ex-werknemers van KBL heeft geïnitieerd of gefaciliteerd (vergelijk Hof Amsterdam 23 september 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8625). Nu een verslag van [ambtenaar 2] over informatie die hij had kunnen verkrijgen niet bestaat, vormt dit ook geen stuk van het geding. Van een handelen van de inspecteur in strijd met artikel 8:42 van de Awb is dan ook geen sprake. Voorts werpt de getuigenverklaring van [getuige], voornoemd, naar het oordeel van de rechtbank geen ander licht op de zaak. Voortvarendheid 4.3.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ter zake van de navorderingsaanslagen die met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd, niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. De aanslagen IB/PVV 1994 tot en met IB/PVV 1997 en VB 1994 tot en met VB 1998 zijn met toepassing van de verlengde navorderingstermijn opgelegd. De rechtbank overweegt als volgt. 4.3.2. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.