RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Kanton Zittingsplaats: Middelburg zaak/rolnr.: 3540492 / 14-6463 vonnis van de kantonrechter d.d. 29 april 2015 in de zaak van de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij, verder te noemen: Dexia, gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel, USG Legal Professionals te Amsterdam, t e g e n : [gedaagde], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], gedaagde partij, verder te noemen: gedaagde, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces te Amsterdam. het verloop van de procedure De procedure is als volgt verlopen: - dagvaarding van 16 oktober 2014, - conclusies van antwoord, repliek en dupliek. Bij conclusie van repliek heeft Dexia haar eis gewijzigd. Gedaagde heeft daartegen geen processueel bezwaar gemaakt. de beoordeling van de zaak 1.1. Gedaagde is twee overeenkomsten van effectenlease (verder: de contracten), genaamd WinstVerDriedubbelaar, aangegaan met Bank Labouchère, handelende onder de naam Legio-Lease en rechtsvoorganger van Dexia. De WinstVerDriedubbelaar is een restschuldproduct met een looptijd van drie jaren. Het eerste contract, nr. 74052262, is afgesloten op 20 maart 1998 en geëindigd met een positief resultaat van ƒ 41.926,14, ofwel € 19.025,26. Het tweede contract, nr. 74582103, is afgesloten op 18 mei 2000 en geëindigd met een restschuld van € 13.589,40. Deze restschuld is door verrekening tenietgegaan. Gedaagde kreeg een na verrekening resterend bedrag van € 10.768,69 uitgekeerd. 1.2. Door een verklaring in de zin van art. 7:908 lid 2 BW is gedaagde niet gebonden aan de Duisenberg-regeling, nadat die op 25 januari 2007 algemeen verbindend was verklaard. 1.3. Bij brief van 25 januari 2012 heeft de gemachtigde van gedaagde aan Dexia meegedeeld, dat gedaagde zich alle vorderingen op Dexia voorbehoudt en heeft aldus de verjaring tijdig gestuit. 1.4. De gemachtigde van Dexia heeft bij brief van 19 augustus 2014 rechtstreeks aan gedaagde verzocht een zogenaamde waiver te ondertekenen, waarin partijen overeenkomen dat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben terzake van de effectenlease-overeenkomsten en elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Gedaagde is daar niet op ingegaan. 2.1. Dexia heeft bij dagvaarding gevorderd voor recht te verklaren dat zij ten aanzien van de contracten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en daarom niets meer aan gedaagde verschuldigd is. Nadat gedaagde had gewezen op een fout in de berekeningen van Dexia, heeft Dexia haar eis gewijzigd in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia ten aanzien van de contracten aan gedaagde verschuldigd is een bedrag van € 302,- met de wettelijke rente vanaf de datum van de eindafrekening. 2.2. Met een schadevergoeding van € 302,- is gedaagde het niet eens. Gedaagde komt op basis van het hofmodel, dat hij overigens op dit onderdeel niet aanvaardt, uit op een schadever-goeding van € 3.144,69. Gedaagde heeft geconcludeerd dat de vordering moet worden afgewezen wegens onvoldoende belang in de zin van art. 3:303 BW, althans misbruik van recht in de zin van art. 3:13 BW en heeft subsidiair verzocht de beslissing aan te houden, of het geding te schorsen in afwachting van uitspraken van gerechtshoven en van de Hoge Raad. belang 3.1. De zogenaamde waiver behelst een afstand van recht, waarmee gedaagde niet heeft willen instemmen. Dexia wil nu met haar vordering hetzelfde rechtsgevolg, finale kwijting, bereiken zonder de instemming van gedaagde, zodat zij het dossier van gedaagde kan sluiten. Men kan dus zeggen dat Dexia aan gedaagde zijn gepretendeerde vordering wil ontnemen. Dexia heeft bij dagvaarding aangevoerd: Gedaagde pretendeert een vordering op Dexia te hebben, heeft de verjaring daarvan gestuit, maar geeft geen rechtsgronden voor zijn vordering. Inmiddels is duidelijk geworden dat gedaagde op basis van het hofmodel geen recht heeft op een schadevergoeding. Dexia heeft nimmer inhoudelijk van gedaagde mogen vernemen waarom hij nog aanspraak zou kunnen maken op enige vergoeding. Dexia heeft er daarom recht en belang bij dat in rechte wordt vastgesteld dat gedaagde geen vordering op haar heeft in verband met de contracten. Gedaagde heeft weliswaar het recht om zijn pretense vordering slechts te stuiten en geen initiatief te nemen om die vordering door de rechter te laten beoordelen, maar daar tegenover staat het recht van Dexia als pretense debiteur om de zaak zelf aan de rechter voor te leggen. Recent is de verjaringstermijn van massaschade ex art. 7:907, lid 5, BW van vijf jaren teruggebracht naar twee jaren. Hiermee heeft de wetgever onderschreven dat het niet wenselijk is dat een afnemer die zich onttrokken heeft aan een verbindend verklaarde regeling tot in de lengte der dagen wacht alvorens nadere juridische stappen te ondernemen. In de Memorie van Toelichting is opgemerkt: “[…] een termijn van twee jaar de gerechtigde die van zijn opt-out bevoegdheid gebruik heeft gemaakt ruim voldoende tijd biedt om verdere juridische stappen te ondernemen. Bedacht zij dat de gerechtigde op dat moment ook in staat is om juridische actie te ondernemen en het langdurig uitstellen daarvan onnodig nadelig is voor de wederpartij.” Bij conclusie van repliek heeft Dexia vanwege haar fout in de berekeningen haar vordering moeten wijzigen. Dexia heeft toen nog aangevoerd dat de vermeende schuldenaar vanzelfsprekend evenals de schuldeiser, en dus spiegelbeeldig, belang heeft om een rechterlijke beslissing over de vordering te verkrijgen. Voorts heeft Dexia opgemerkt dat ex art. 3:303 BW niet een meer concreet belang wordt gevergd dan dat zij duidelijkheid wenst over de juistheid van het standpunt van gedaagde dat hij een vordering op Dexia heeft. 3.2. In die zin heeft Dexia inderdaad belang bij haar vordering. De rechter dient terughoudend te zijn met het afwijzen van een vordering tot verklaring van recht op de grond dat er niet voldoende belang bestaat (HR 17 september 1993, NJ 1994/118 (Severin/Detam). Het belang moet voldoende zijn om een procedure te rechtvaardigen. Hierbij gaat het niet alleen om een afweging van de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar, maar ook om de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen (Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 915-916, mede n.a.v. HR 30 maart 1951, NJ 1952 no. 29). 3.3. Het belang van Dexia om gedaagde in rechte te betrekken is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende, zodat Dexia ontvankelijk is in haar vordering. Bij afweging van het belang van gedaagde om zich ook 7½ jaar na het verbindend worden van de Duisenberg-regeling alle rechten voor te behouden en geen duidelijkheid te verschaffen aan Dexia, is het belang van Dexia om na 7½ jaar na die verbindend verklaring de boeken te kunnen sluiten van voldoende gewicht om Dexia ontvankelijk te achten in haar vordering bij de verklaring voor recht. Met de vaststelling van de rechtsverhouding van partijen is het belang van rechtszekerheid gediend, welk belang van zodanig gewicht is dat aan Dexia niet de bevoegdheid kan worden ontzegd haar belang ter weging aan de rechter voor te leggen. 3.4. Gedaagde heeft gewezen op het belang van de rechtspleging in het algemeen – duizenden zaken die de rechtspraak zouden ontwrichten – maar daaraan kan worden tegemoetgekomen door beslissingen zo nodig via uitstel te faseren, zodat het ontzeggen van de vordering wegens gebrek aan belang niet nodig is in het belang van de rechtspleging in het algemeen. Het beroep op gebrek aan belang ex art. 3:303 BW faalt. 3.5. Verworpen wordt de stelling van gedaagde dat Dexia de vordering slechts zou hebben ingesteld om gedaagde te schaden. Gedaagde heeft daar geen relevante feiten voor aange-dragen. Uit hetgeen onder 3.3. is overwogen volgt dat Dexia bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het instellen van de vordering heeft kunnen komen. Ook het beroep op misbruik van recht ex art. 3:13 BW faalt. recht 4.1. Maar een belang schept nog geen recht. Gedaagde heeft het recht om zijn vordering al dan niet ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Daartegenover staat echter geen spiegelbeeldig recht van Dexia om de vordering van gedaagde ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Gedaagde heeft dat ook ontkend. Dexia vordert ex art. 3:302 BW een verklaring voor recht, hetgeen haar niet wegens gebrek aan belang mag worden ontzegd. Maar daaruit volgt niet dat Dexia voor gedaagde de rechtsgrond van diens vordering mag formuleren en de inhoud van de vordering mag bepalen, zoals de hoogte van een schadevergoeding, indien die door gedaagde zou worden gewenst. Dexia is zelfs met die rechtsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.