RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht Breda zaak/rolnr.: 296725 / KG ZA 15-162 vonnis in kort geding d.d. 13 mei 2015 inzake [eiseres] , gevestigd te [plaats], eiseres, gemachtigde: mr. D.R.D.A. Buren-Baks, advocaat te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, procederend krachtens toevoeging nr. 1GX1512, gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te [woonplaats]. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd. 1Het verloop van het geding De procesgang blijkt uit de volgende stukken: het exploot van dagvaarding van 26 maart 2015 met producties; de brief van mr. Van den Heuvel van 24 april 2015 met producties; de brief van mr. Van den Heuvel van 27 april 2015 met een productie; de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het geding ter terechtzitting van 29 april 2015, met het daarbij behorende audiëntieblad; de pleitnotities van mr. Buren-Baks; de pleitnota van mr. Van den Heuvel; het faxbericht van mr. Buren-Baks van 29 april 2015 met een kopie van het petitum van de betekende dagvaarding. 2Het geschil 2.1 [eiseres] vordert in kort geding [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om de jaarplaats [standplaats] op het recreatieterrein van [eiseres] binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en ter vrije beschikking te stellen van [eiseres], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat zij nalaat aan deze veroordeling uitvoering te geven, met een maximum van € 11.500,00, alsmede [eiseres] te machtigen om bij gebreke van volledige voldoening aan deze veroordeling van [gedaagde] binnen dertig dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, deze verlating en ontruiming voor rekening en risico van [gedaagde] zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding en de nakosten. 2.2 [gedaagde] weerspreekt de vordering. 3De beoordeling 3.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weerspro-ken, alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de producties, het volgende vast: a. [gedaagde] huurt sinds meer dan twintig jaar van (de rechtsvoorgangster van) [eiseres] een vaste jaarplaats (hierna: de jaarplaats) voor haar stacaravan (hierna: de stacaravan) aan het [standplaats] op de door [eiseres] geëxploiteerde camping in [plaats]. [gedaagde] gebruikt de jaarplaats en de stacaravan die zij daarop heeft geplaatst als recreatieverblijf. b. Op 7 november 2010 is in opdracht van [eiseres] de stacaravan leeggehaald, is de inboedel elders opgeslagen en is de tuin rondom de stacaravan grotendeels weggehaald. c. Op 11 november 2010 heeft [gedaagde] hiervan aangifte gedaan bij de politie. d. In december 2010 heeft [gedaagde] een kort geding aangespannen tegen [eiseres] en daarbij – kort samengevat – gevorderd [eiseres] te verbieden haar in de toegang tot de jaarplaats en de stacaravan te hinderen en [eiseres] (op straffe van een dwangsom) te bevelen de inboedel terug te brengen en de tuin te herstellen. e. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 11 januari 2010, hersteld op 14 januari 2011, (hierna: het eerste kort gedingvonnis) zijn deze vorderingen toegewezen. Meer precies besliste de voorzieningenrechter: “5.1 verbiedt [eiseres] [gedaagde], tot bij gewijsde ten gronde anders zal zijn beslist, op welke wijze dan ook te hinderen in de toegang tot de jaarplaats en de stacaravan, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding van dat verbod tot een maximum van € 2.000,00, 5.2 beveelt [eiseres] om vanaf de betekening van dit vonnis op eerste verzoek van [gedaagde] binnen twee werkdagen na dat verzoek en in aanwezigheid van [gedaagde] en/of een of meer door haar aan te wijzen gemachtigde(n) alle goederen die zijn vermeld op de bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van 11 november 2010 in de stacaravan te hebben teruggebracht alsmede de bij de stacaravan behorende tuin te hebben hersteld in de staat waarin deze zich bevond voordat [eiseres] de begroeiing en beplanting daaruit heeft verwijderd, zulks op straffe van een eenmalige dwangsom van € 2.500,00 (..)”. f. Dit vonnis is op 12 januari 2011 aan [eiseres] betekend, met gelijktijdig bevel om binnen twee (werk)dagen aan de veroordeling in het vonnis te voldoen. g. [eiseres] heeft binnen de in het bevel genoemde periode niet aan het bevel voldaan. h. [gedaagde] heeft op 1 februari 2011 [eiseres] opnieuw in kort geding gedagvaard en daarbij – kort samengevat – hetzelfde bevel ten aanzien van het terugbrengen van de inboedel en herstel van de tuin gevorderd, maar versterkt met een hogere dwangsom, alsmede veroordeling van [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 7.250,00 voor vervanging en herstel van de inboedel. i. Op 7 februari 2011 heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld tegen het eerste kortgedingvonnis. j. Op 9 februari 2011 heeft [eiseres] (het grootste deel van) de inboedel teruggebracht in de stacaravan en op 14 februari 2011 heeft zij een aanvang gemaakt met het herstel van de tuin. k. Bij vonnis van 1 maart 2011 (hierna: het tweede kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter de vordering tot betaling van € 7.250,00 tot vervanging/herstel van de inboedel als onvoldoende onderbouwd afgewezen, het tuinherstel uitvoerbaar bij voorraad toegewezen op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 en de ter zitting voorwaardelijk ingestelde reconventionele eis van [eiseres], inhoudende opheffing van de bij het eerste kortgedingvonnis opgelegde dwangsom, subsidiair opschorting en meer subsidiair vermindering daarvan, afgewezen. Ook van dit vonnis is hoger beroep ingesteld. l. Bij arrest van 5 juli 2011 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage het eerste kortgedingvonnis bekrachtigd en daarin (onder meer) overwogen: “4.6 Grief 6 keert zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter dat het [eiseres] verboden is [gedaagde] te hinderen in haar toegang tot de jaarplaats “tot bij gewijsde ten gronde anders zal zijn beslist”. Voor zover de voorzieningenrechter al het gevraagde verbod had mogen toewijzen, had de voorzieningenrechter in het dictum van het beroepen vonnis niet met de aangehaalde tussenzin mogen aansluiten bij de tekst van artikel 7:272 BW, aldus [eiseres]. Het hof verwerpt deze grief. Met deze bewoordingen, die aansluiten bij hetgeen [gedaagde] vorderde, wordt slechts tot uitdrukking gebracht dat het door [gedaagde] in kort geding gevraagde verbod vervalt zodra de bodemrechter anders beslist of, zo voegt het hof toe, zodra de huurovereenkomst eerder eindigt. Daarmee wordt niet gezegd of bedoeld dat het verbod pas als vervallen kan worden beschouwd zodra een andere beslissing van de bodemrechter onherroepelijk is geworden. Het staat de voorzieningenrechter vrij tot dit oordeel te komen.”. m. Bij arrest van het 18 december 2012 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage het tweede kortgedingvonnis vernietigd voor zover het het in 5.1 van dat vonnis gegeven bevel betreft en [eiseres], opnieuw rechtdoende, bevolen om uiterlijk op 15 april 2013, een aantal specifiek genoemde werkzaamheden te hebben uitgevoerd, op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 5.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.