← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2015:3661

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht zittingsplaats Tilburg zaaknummer 02/298395 / KG ZA 15-247 vonnis in kort geding van 2 juni 2015 in de zaak van [eiseres] statutair gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens, advocaat te Best, tegen [gedaagde] , wonende te [adres], gedaagde, gemachtigde: mr. D.P.J. van der Putten, advocaat te Tilburg, Partijen zullen door de voorzieningenrechter hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 De procedure blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 1 mei 2015 met producties 1 t/m 8; de op 11 mei 2015 van mr. Van der Putten ontvangen producties 1 t/m 6; de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling ter zitting van 11 mei 2015; de pleitnota van mr. Schellekens. 1.2 Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld om op elkaars stellingen te reageren. [gedaagde] was in persoon aanwezig, samen met zijn partner mevrouw [naam]. [eiseres] werd vertegenwoordigd door de heer [naam], leefbaarheidsconsulent. Partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden. Na het sluiten van de behandeling is vonnis bepaald. 2De feiten Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten: a. Tussen [eiseres] en [gedaagde] is met ingang van 22 augustus 2000 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning c.a. aan het adres [adres]. Bij brief van 26 september 2014 schreef de burgemeester van Tilburg aan [eiseres]: “U bent eigenaar van de woning aan de [adres] (..). Ik heb van de politie en de afdeling Veiligheid & Wijken vernomen dat op 10 april 2014 in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Daarom heb ik besloten dat deze woning voor de duur van drie maanden moet worden gesloten. (..)

  1. Constateringen De politie heeft op 10 april 2014 een onderzoek ingesteld in de woning aan de [adres]. In die woning werd onder andere het volgende aangetroffen: - Bak met resten amfetamine in totaal ten minste 3,8 gram - 15 gripzakjes met in totaal 10,5 gram cocaïne in poeder vorm - 1 gripzakje met 2 brokjes in totaal 3,3 gram cocaïne In totaal is dus een ruime handelshoeveelheid drugs aangetroffen. Ook werden in de woning attributen aangetroffen voor de handel in drugs zoals: weegschaaltjes gripzakjes, vacuümzakken en 23 geldbiljetten 6 x 50 euro, 8x 20 euro en 9x 10 euro. Daarnaast werden er in de woning diverse wapens aangetroffen zoals een revolver met munitie.
  2. Overwegingen Amfetamine en cocaïne worden genoemd in lijst I behorende bij de Opiumwet. Op grond van artikel 2 aanhef en onder lid b en lid c van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I te verkopen, af te leveren, te verstrekken of aanwezig te hebben. Artikel 13b van de Opiumwet geeft mij de bevoegdheid u een last onder bestuursdwang op te leggen indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Dit betekent dat ik u kan gelasten de woning voor bepaalde duur te sluiten. Hiervoor heb ik de “beleidsregels artikel 13b Opiumwet in de B-5 gemeenten” vastgesteld. (..) Dit is een geüniformeerd beleid van en voor de vijf grote Brabantse gemeenten, dat zich onder andere op het aantreffen van drugs in panden richt. In het beleid is opgenomen dat een woning wordt gesloten voor de duur van drie maanden, wanneer hierin, of op het daarbij behorende perceel, harddrugs in een handelshoeveelheid (meer dan 0,5 gram) worden aangetroffen. Ik acht sluiting voor de duur van drie maanden volledig gerechtvaardigd (..)” Een afschrift van deze brief werd aan [gedaagde] gezonden. c. Met verwijzing naar voormelde brief schreef [eiseres] op 1 oktober 2014 aan [gedaagde] dat zij niet accepteert dat een huurder in zijn woning activiteiten verricht die in strijd zijn met de bepalingen van de Opiumwet en dat het vast beleid van haar is om in zo’n geval de huurovereenkomst te beëindigen. Zodra de woning door de burgemeester is gesloten zal zij door middel van een buitengerechtelijke verklaring de huur ontbinden, hetgeen [gedaagde] kon voorkomen door zelf de huur op te zeggen. d. [gedaagde] heeft in een aan de burgemeester van Tilburg gerichte zienswijze van 10 oktober 2014 tegen het voorgenomen besluit geageerd. De burgemeester van Tilburg heeft, met inachtneming van de zienswijze van [gedaagde], bij besluit van 27 oktober 2014 de voorgenomen last onder bestuursdwang aan [eiseres] opgelegd en [eiseres] gelast om met ingang van 25 november 2014 voor een periode van drie maanden de woning te sluiten en afgesloten te houden. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, team Bestuursrecht, heeft bij beschikking van 5 januari 2015 het door [gedaagde] ingediende verzoek tot schorsing van het besluit van de burgemeester totdat onherroepelijk over de rechtmatigheid daarvan is beslist dan wel tot het in goede justitie treffen van een andere voorlopige voorziening, afgewezen. Vanaf 9 januari 2015 is aan voormeld besluit van de burgemeester uitvoering gegeven en is de woning gedurende 3 maanden, tot 9 april 2015 gesloten geweest. In een brief van 3 februari 2015 aan [gedaagde] heeft [eiseres] met verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en aangekondigd dat de woning uiterlijk 9 april 2015 door [gedaagde] diende te zijn ontruimd. [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 3 april 2015 in de gelegenheid gesteld om op 9 april 2015 de sleutel van de woning op te halen om gedurende een week de woning te kunnen leeghalen, waarna de sleutel op 17 april 2015 door [gedaagde] zou moeten worden terug-gegeven. [gedaagde] heeft de sleutel op 9 april 2015 opgehaald, maar heeft de woning niet ontruimd en heeft evenmin de sleutel geretourneerd. 3De vorderingen 3.1 [eiseres] vordert om bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dat vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, de woning aan het adres [adres] te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van de sleutels, met al het zijne en al de personen die van de zijde van [gedaagde] in dit pand verblijven en dit pand ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen. Tevens vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2 [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 4De beoordeling 4.1 [eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering tot ontruiming van de onderhavige woning. Daartoe voert zij aan dat het doel van de op elkaar volgende bestuurs- rechtelijke en civielrechtelijke instrumenten naar zijn aard spoedeisend is en een vordering tot ontruiming in dat kader past; dat zij op grond van artikel 12a van het Besluit beheer sociale-huursector verplicht is om zorg te dragen voor de leefbaarheid van de buurten en wijken waarin zij woningen verhuurt en haar belang meebrengt dat zo snel mogelijk een einde wordt gemaakt aan de nadelige gevolgen die drugs gerelateerde activiteiten in een huurwoning kunnen hebben voor de leefbaarheid in, en voor het imago van de buurt en ten slotte dat nu de huurovereenkomst is beëindigd, [gedaagde] zonder recht of titel de woning gebruikt en [eiseres] het recht heeft haar eigendom op te eisen en de woning weer tot haar beschikking te hebben. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang betwist. Hij ziet niet in waarom de bodemprocedure tegen het besluit van de burgemeester niet afgewacht kan worden. 4.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] voldoende spoedeisend belang om haar vordering tot ontruiming van het gehuurde in deze kort gedingprocedure aanhangig te maken. Als gevolg van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurover- eenkomst bestaat immers geen verbintenis meer om aan [gedaagde] het huurgenot te verschaffen. Aangezien [gedaagde] aldus zonder titel in die woning verblijft heeft [eiseres] voldoende grond om de spoedige ontruiming daarvan af te kunnen dwingen. [eiseres] kan dan ook in haar vordering worden ontvangen. 4.3 Het vorenstaande betekent echter nog niet dat de vordering tot ontruiming zonder meer kan worden toegewezen. Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding is alleen plaats indien het in vergaande mate aannemelijk is dat die vordering in een bodem- procedure zal worden toegewezen. Hierover oordeelt de voorzieningenrechter het volgende. 4.4 [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat als gevolg van het besluit van de burgemeester van 27 oktober 2014 en de feitelijke sluiting van de woning op grond daarvan, zij op de voet van het bepaalde in artikel 7:231 lid 2 BW bevoegd was om de huurovereen- komst met [gedaagde] buitengerechtelijk te ontbinden. Nu zij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt bestaat tussen partijen geen overeenkomst meer en zijn partijen bevrijd van de verbintenissen uit die overeenkomst. [gedaagde] verblijft thans zonder recht of titel in de woning. Desgevraagd heeft [eiseres] ter zitting bevestigd (zie de brief van 1 oktober 2014 aan [gedaagde]) dat het haar beleid is om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden in alle gevallen dat de betreffende woning op last van de burgemeester (tijdelijk) wordt gesloten op de grond dat in die woning middelen als bedoeld in lijst I en lijst II bij de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig zijn (artikel 13b Opiumwet). 4.5 [gedaagde] voert daartegen aan dat een eventuele ontruiming in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Hij maakt er bezwaar tegen dat [eiseres] de uitkomst van de bodemprocedure tegen het besluit van de burgemeester niet afwacht en zonder meer tot ontruiming over wil gaan. De door de wetgever gegeven mogelijkheid om een pand te sluiten is bedoeld om de handel in drugs tegen te gaan. Echter, de door de politie in zijn woning aangetroffen middelen waren voor eigen gebruik en niet bedoeld om te verhandelen. Er was ook geen sprake van overlast ten gevolge van drugshandel. Verder stelt hij dat de samenleving er niet bij gebaat is wanneer hij de woning moet ontruimen. Hij heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis waardoor hij snel agressief wordt maar waarvoor hij volgens zijn behandelaars bij GGz niet adequaat kan worden geholpen zolang de dreiging van huisuitzetting boven zijn hoofd hangt. Hierdoor komt ook de relatie met zijn partner onder druk te staan. Anders dan [eiseres] stelt kan hij niet terecht bij Traverse (een instelling voor maatschappelijke opvang en begeleiding; opmerking voorzie- ningenrechter) omdat daar geen plaatsen meer beschikbaar zijn. Bovendien hebben zijn behandelaars en Traverse zelf wegens zijn stoornis een verblijf aldaar afgeraden. Hij kent geen personen in zijn omgeving waar hij kan verblijven en komt ook niet binnen twee jaar in aanmerking voor een andere sociale huurwoning, aldus [gedaagde]. 4.6 De voorzieningenrechter stelt voorop dat de in artikel 7:231 lid 2 BW aan de verhuurder gegeven bevoegdheid zeer diep ingrijpt in de woonrechten van de huurder (zie ook het arrest van het Hof Amsterdam van 18 juli 2011, zaaknummer 200.082.130/01, waarin een vorde- ring tot ontruiming in kort geding van Woonstichting Wherestad te Purmerend na een voorafgaande buitengerechtelijke ontbinding ex artikel 7:231 lid 2 BWwerd afgewezen). Deze bepaling vormt immers een uitzondering op de regel dat ontbinding van de huurover- eenkomst op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplich- tingen, slechts door de rechter kan geschieden. Verder wordt vastgesteld dat een buitengerechtelijke ontbinding op de voet van het bepaalde in artikel 7:231 lid 2 BW al mogelijk is wanneer de gehuurde woning op last van de burgemeester, daartoe gebruik- makend van diens in artikel 13b van de Opiumwet gegeven bevoegdheid, is gesloten. Dat door de bestuursrechter nog niet onherroepelijk is beslist op een tegen het besluit van de burgemeester aangewend rechtsmiddel is bij deze wijze van ontbinding niet relevant. 4.7 Niettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat een verhuurder er niet, zoals [eiseres] klaarblijkelijk heeft gedaan, mee kan volstaan om enkel het besluit van de burgemeester c.q. de sluiting van het gehuurde aan een buitengerechtelijke ontbinding ten grondslag te leggen maar dat hij, alvorens daartoe over te gaan, gehouden is om álle bij de huurovereenkomst betrokken belangen te onderzoeken en vervolgens af te wegen of dit individuele geval er ook toe noopt dat hij van zijn bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding gebruik maakt. Immers, artikel 7:231 lid 2 BW geeft de verhuurder de mogelijkheid (“De verhuurder kan”) de huurovereenkomst te ontbinden, maar legt hem niet de verplichting op om daartoe over te gaan. Verder is het woonrecht van [gedaagde] een vitaal recht (zie ook het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 4 november 2014, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI-nummer 2014:45) en aantasting van dat recht dient evenredig te zijn aan het beoogde doel daarvan (zie ook het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 mei 2008 in de zaak McCann/Verenigd Koninkrijk, gepubliceerd in het tijdschrift Rechtspraak van de Week 2008/857 (“The loss of one’s home is a most extreme form of interference with the right to respect for the home”) alsmede het vonnis van de Voorzieningenrechter Rechtbank Zwolle van 2 augustus 2011, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BR3908). 4.8 [eiseres] stelt terecht dat drugs gerelateerde activiteiten in een huurwoning een negatieve invloed kunnen hebben op de woonomgeving, alsmede nadelige gevolgen voor het imago van de buurt. Evenwel is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat in het onderhavige geval de aanwezigheid van drugs in de woning daadwerkelijk een negatieve invloed op de woonomgeving van [gedaagde] heeft (gehad). [eiseres] brengt geen stukken in het geding waaruit kan worden opgemaakt dat sprake is (geweest) van handel vanuit de woning, noch van enige gemelde overlast als gevolg daarvan. De enkele mededeling in het besluit van de burgemees- ter van 27 oktober 2014 “Ik heb van de afdeling Veiligheid & Wijken begrepen dat het pand (mede) is bezocht vanwege meldingen over overlast” is geen (voldoende) aanwijzing dat overlast ten gevolge van de handel in drugs is vastgesteld. Dat klemt temeer waar [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat gedurende de ruim 14 jaar dat hij de woning huurde van overlast sprake is (geweest). In dat verband heeft [gedaagde] ook een groot aantal schriftelijke verklaringen van buurtbewoners overgelegd waarin zij aan hem steun betuigen en wensen dat hij in de buurt kan blijven wonen. De enkele aanwezigheid van de gevonden drugs leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval daarom niet onmiddellijk tot de conclusie dat sprake is van een zodanig negatieve invloed op de woon- omgeving dat in het kader van bovenvermelde belangenafweging daardoor het woonrecht van [gedaagde] moet wijken. Dit wordt niet anders doordat in de woning tevens enkele zaken zoals een weegschaal en gripzakjes zijn aangetroffen die ook voor de handel in drugs gebruikt kunnen worden. [gedaagde] heeft ter zitting hierover onweersproken naar voren gebracht dat het om een gewone keukenweegschaal ging en dat hij de gripzakjes met inhoud voor eigen gebruik gekocht had. 4.9 Niet gebleken is verder dat [eiseres] bij haar besluit tot buitengerechtelijke ontbinding rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde], noch met diens mogelijkheden om elders onderdak te vinden. Weliswaar verwijst [eiseres] naar het besluit van de burgemeester van 27 oktober 2014 en de daarin weergegeven gronden waarop dit berust maar dit volstaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. De burgemeester maakt een eigen bestuurlijke beoordeling ten behoeve van een ander doel en met andere, veel minder vergaande gevolgen dan de civielrechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door [eiseres] en het voor [gedaagde] - definitieve - verlies van de woning in het verlengde daarvan. 4.10 Door de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden enkel op de (automatische) grond dat dit haar beleid is ingeval van sluiting van een woning op last van de burgemeester, heeft [eiseres] naar het oordeel van de voorzieningenrechter jegens [gedaagde] niet, althans onvol- doende afgewogen of die ontbinding in dit geval voldoet aan de eisen van proportionaliteit. Dit leidt de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat [eiseres] in redelijkheid niet tot uitoefening van de aan haar gegeven bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding heeft kunnen komen (zie artikel 3:13 lid 2 BW). Het is daarmee op voorhand allerminst aanneme- lijk te oordelen dat de vordering van [eiseres], zoals deze thans voorligt, in een bodemprocedu- re zal worden toegewezen. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen. 4.11 Het feit ten slotte dat in de schuur bij de woning ook een handvuurwapen met munitie is aangetroffen leidt de voorzieningenrechter niet tot een andere beslissing. Nu [eiseres] in haar dagvaarding uitdrukkelijk heeft gesteld dat haar vordering niet op enige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst is gebaseerd -de aanwezigheid van dat vuurwapen levert mogelijk een dergelijke tekortkoming op- dient dat feit, wat daar verder overigens van zij, in de huidige beoordeling juridisch gezien buiten beschouwing te blijven. 5De proceskosten Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. Deze kosten worden begroot op: - griffierecht € 285,00 - salaris advocaat € 527,00 Totaal € 812,00 6De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst de vordering af; - veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde], tot deze uitspraak begroot op € 812,
  3. Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.A.I.M. Steenbergen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.