RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers AWB 12/5919 tot en met 12/5948 uitspraak van 24 juni 2015 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd: Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) Procedure Jaar [aanslagnummer] Dagtekening 12/5926 1991 H18 30-11-2003 12/5925 1992 H28 30-11-2003 12/5924 1993 H38 30-11-2003 12/5923 1994 H48 30-11-2003 12/5922 1995 H57 30-11-2003 12/5943 1996 H67 30-11-2003 12/5944 1997 H77 30-11-2003 12/5939 1998 H87 30-11-2003 12/5940 1999 H97 30-11-2003 12/5941 2000 H06 31-10-2003 12/5942 2001 H17 21-07-2004 12/5945 2002 H26 29-07-2005 12/5921 2003 H36 31-10-2007 12/5946 2004 H46 30-11-2007 12/5937 2005 H56 15-07-2008 12/5919 2008 H86 15-8-2011 Vermogensbelasting (hierna: VB) Procedure Jaar [aanslagnummer] Dagtekening 12/5928 1992 K28 30-11-2003 12/5938 1993 K38 30-11-2003 12/5930 1994 K48 30-11-2003 12/5931 1995 K58 30-11-2003 12/5932 1996 K67 30-11-2003 12/5933 1997 K77 30-11-2003 12/5934 1998 K87 30-11-2003 12/5935 1999 K97 30-11-2003 12/5927 2000 K07 30-11-2003 1.2. Bij de voormelde (navorderings)aanslagen zijn verhogingen (met kwijtschelding), danwel boeten (hierna: boeten) opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 16 oktober 2012 de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1991 tot en met 2005 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 2000 en de daarbij behorende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente verminderd. Het bezwaar tegen de aanslag IB 2008 is bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2012 ongegrond verklaard. 1.4. Aan belanghebbende is verder een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Ziekenfondswet 2002 ([aanslagnummer].S26; hierna: ZFW) en een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 ([aanslagnummer].F19501; hierna: OB) opgelegd. Daarbij zijn bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.5. De inspecteur heeft op 19 maart 2012 uitspraak op bezwaar gedaan inzake de aanslag ZFW 2002 (zaaknummer 12/5920). Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Inzake de naheffingsaanslag OB 1999 is op 11 juli 2012 uitspraak op bezwaar gedaan; de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente zijn gehandhaafd. 1.6. Belanghebbende heeft bij brief van 6 november 2012, ontvangen bij de rechtbank op diezelfde dag, beroep ingesteld tegen de in 1.3 en 1.5 genoemde uitspraken op bezwaar. Daarbij heeft belanghebbende tweemaal beroep aangetekend tegen de naheffingsaanslag OB (zaaknummers 12/5947 en 12/5948). Ter zake van de beroepen inzake de (navorderings)aanslagen IB/PVV, VB en ZFW heeft de griffier van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 42. Ter zake van de beroepen inzake de naheffingsaanslag OB is eenmaal griffierecht geheven van € 156. 1.7. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De inspecteur heeft op 16 maart 2015 een aanvulling op het verweerschrift ingediend. Dit stuk is in afschrift aan de wederpartij verstrekt. 1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2015 te Breda. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota en een aanvullende pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota’s met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Voor de behandelde rolnummers, het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat op 31 maart 2015 naar partijen is gezonden. 1.9. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te overleggen. 1.10. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Beide partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere mondelinge behandeling. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende, geboren op [datum] 1950, is ongehuwd. Tot [datum] 1988 is belanghebbende gehuwd geweest met [Y] (hierna: [Y]). De voornaam van belanghebbende is [voornaam X]; de voornaam van [Y] is [voornaam Y]. Belanghebbende heeft vóór 1996 als bouwvakker in loondienst gewerkt in Nederland en Duitsland. Vanaf 1996 heeft belanghebbende gehandeld in de verkoop van potten en pannen in het buitenland. Op 30 mei 2001 heeft belanghebbende het formulier “Opgaaf startende ondernemers” ingevuld. Over de jaren 1998, 1999 en 2000 zijn aangiften OB ingediend. IB/PVV, VB en ZFW 2.2. Belanghebbende is vanaf 1996 beschreven voor de inkomstenbelasting en heeft vanaf dat jaar met uitzondering van de jaren 2003 tot en met 2005 en 2008 aangiften IB/PVV gedaan. In de aangiften zijn geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de Kredietbank Luxemburg te Luxemburg (hierna: KBL). 2.3. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) aan het Nederlandse Ministerie van Financiën spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KBL. 2.4. Op basis van deze inlichtingen is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject. 2.5. Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels: "JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994 (…) 54-[rekeningnummer]-96-0000 00 0040 TER LDO [voornaam X] [X] OU MME [voornaam Y] [Y] 100.744,43 (…) 55-[rekeningnummer]-26-0000 00 0060 TER LDO [voornaam X] [X] OU MME [voornaam Y] [Y] 100.830,19 (…) 52-[rekeningnummer]-42-0000 00 0040 VUE [voornaam X] [X] OU MME [voornaam Y] [Y] 23,22” Rekening, eindigend op 0060, betreft een DM-rekening. 2.6. Door [ambtenaar] is op 14 juni 2004 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening met nummer [rekeningnummer] bij de KBL (hierna: de KBL-rekening). Dit proces-verbaal vermeldt dat uit de match van rekeninghouders met de landelijke bestanden van de belastingdienst en de RDW volgt dat slechts belanghebbende, gehuwd geweest met [Y], als rekeninghouder van de KBL-rekening [rekeningnummer] in aanmerking komt. 2.7. Vanaf november 2001 tot aan augustus 2003 is het dossier van belanghebbende drie keer door de inspecteur voorgedragen aan de FIOD c.q. officier van Justitie voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Dat is steeds afgewezen. 2.8. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 september 2003 onder verwijzing naar artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Hierbij heeft de inspecteur gewezen op de omkering van de bewijslast bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. Belanghebbende heeft geen informatie verstrekt. 2.9. In de brief van 26 september 2003 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2000. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. 2.10. Bij brief van 3 oktober 2003 heeft de inspecteur zijn voornemen met betrekking tot de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1999, een aanslag IB/PVV 2001 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 2000, alle met boeten, te kennen gegeven. Omdat een reactie van belanghebbende is uitgebleven, heeft de inspecteur de op te leggen navorderingsaanslagen nogmaals bevestigd bij aangetekende brief van 13 november 2003. Belanghebbende heeft geweigerd deze brief in ontvangst te nemen. Op 19 november 2003 zijn op verzoek van de toenmalige gemachtigde afschriften van de gevoerde correspondentie en van de aanslagbiljetten naar hem gestuurd. 2.11. Namens belanghebbende is bij brief van 24 november 2003 bezwaar gemaakt tegen de onder 2.10 genoemde (navorderings)aanslagen. Daarin is aangegeven dat vooralsnog kan worden ingestemd met het aanhouden van het bezwaar totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan in de ‘NautaDutilh zaak’. 2.12. De inspecteur heeft de aangifte IB/PVV 2002 gecorrigeerd in verband met het niet aangeven van inkomsten uit een buitenlandse bankrekening in box 3. Met dagtekening 29 juli 2005 zijn aan belanghebbende aanslagen IB/PVV 2002 en ZFW 2002 opgelegd. Belanghebbende heeft bij brief van 26 juli 2005, bij de inspecteur ingekomen op 29 juli 2005, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2002. Belanghebbende heeft bij brief van 4 oktober 2005 verzocht om het bezwaar aan te houden. Tegen de aanslag ZFW 2002 is op 5 oktober 2005 bezwaar gemaakt. Op 19 maart 2012 is uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de aanslag ZFW 2002. 2.13. Belanghebbende heeft voor het jaar 2003 geen aangifte IB/PVV gedaan. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2007 een ambtshalve aanslag IB/PVV 2003 met boete opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. 2.14. Ook voor de jaren 2004, 2005 en 2008 heeft belanghebbende geen aangiften IB/PVV ingediend. Aan belanghebbende zijn ambtshalve aanslagen IB/PVV met boeten voor deze jaren opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend. De aanslag IB/PVV 2008 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.300; er is geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen. 2.15. In de brief van 3 december 2008 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat in een aantal lopende procedures uitspraak is gedaan, maar dat een aantal geschilpunten nog niet is behandeld en dat om die reden de bezwaarschriften worden aangehouden. Op 10 augustus 2010 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat hij de bezwaarschriften wil afwerken. Hij heeft daarbij belanghebbende verzocht om een formulier in te vullen en terug te sturen. In verband met het uitblijven van een reactie van belanghebbende heeft de inspecteur op 23 september 2011 nogmaals verzocht om informatie te geven over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Bij brief van 7 oktober 2011 heeft de inspecteur informatie gevraagd met betrekking tot het ingediende bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2008. Bij brief van 14 november 2011 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om op 5 december 2011 te verschijnen op het belastingkantoor te Tilburg om gegevens en inlichtingen te komen verstrekken. Belanghebbende is niet verschenen. 2.16. Met dagtekening 15 december 2011 is aan belanghebbende een informatiebeschikking voor de jaren 1990 tot en met 2005 gestuurd. Tegen deze informatiebeschikking is geen bezwaar gemaakt. 2.17. Bij brief van 12 maart 2012 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van de wijze waarop de bezwaarschriften zullen worden afgewerkt. Op 11 april 2012 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Het hoorverslag is op 25 april 2012 aan belanghebbende gestuurd. Op 11 juli 2012 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld op welke wijze hij de bezwaarschriften wil gaan afwerken, te weten dat de aanslagen worden verminderd in verband met het vervallen van de vermenigvuldigingsfactor 1,5 en dat de boeten van 100% met 20% worden verminderd vanwege undue delay. 2.18. Met dagtekening 16 oktober 2012 is uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot de (navorderings-)aanslagen IB/PVV 1991 tot en met 2005 en navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 2000. Op 19 oktober 2012 is uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2008 en is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is in de kern vermeld dat weliswaar het belastbaar inkomen is vastgesteld op € 12.300, terwijl het door belanghebbende opgegeven loon € 11.464 bedraagt, maar dat de inspecteur zich op interne compensatie beroept in verband met het KBL-vermogen. 2.19. In 2014 hebben partijen getracht tot een algehele oplossing middels een vaststellingsovereenkomst te komen. Belanghebbende heeft in dat kader correspondentie van de KBL alsmede een overzicht van het verloop van rekeningnummer [rekeningnummer] over de periode vanaf de opening in november 1993 tot en met de sluiting van de rekening in december 2001 overgelegd. Partijen hebben geen vaststellingsovereenkomst gesloten. 2.20. Ter zitting heeft belanghebbende de beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 (zaaknummer 12/5942) en de aanslagen IB/PVV 2003 (zaaknummer 12/5921) en ZFW 2002 (zaaknummer 12/5920) ingetrokken. Verder is het de rechtbank gebleken dat de zaken met procedurenummers 12/5929 en 12/5936 ten onrechte zijn ingeboekt. OB 2.21. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2003 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag gehandhaafd. 3Geschil 3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: Zijn de beroepen tegen de naheffingsaanslag OB 1999 ontvankelijk? Is het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2004 ontvankelijk? Is het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2005 ontvankelijk? 4. Heeft de inspecteur onrechtmatig gehandeld door de door belanghebbende – in het kader van de poging tot het overeenkomen van een vaststellingsovereenkomst – overgelegde stukken in deze procedure in te brengen? 5. Is belanghebbende terecht als rekeninghouder geïdentificeerd? 6. Beschikt de inspecteur over een nieuw feit dan wel is sprake van kwade trouw als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de AWR? 7. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen? 8. Zijn de (navorderings)aanslagen op de juiste bedragen vastgesteld? 9. Zijn de beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld? 10. Zijn de boeten terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld? 11. Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor (im)materiële schade? 3.2. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en het proces-verbaal van het verhandelde op de zitting. 4Beoordeling van het geschil Vooraf: beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 (zaaknummer 12/5942) 4.1. Uit het beroepschrift van belanghebbende blijkt dat belanghebbende beroep heeft aangetekend tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 (H17). Ter zitting heeft belanghebbende zonder dat enig voorbehoud is gemaakt, het beroep hiertegen ingetrokken. Hetgeen belanghebbende in zijn laatste – na de zitting toegestuurde – stuk, ingekomen bij de rechtbank op 6 mei 2015, heeft geschreven over de verwisseling van aanslagnummers, te weten dat H17 H16 had moeten zijn – behoeft dan geen behandeling. Ontvankelijkheid beroepen tegen de naheffingsaanslag OB 1999 (zaaknummers 12/5947 en 12/5948) 4.2. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat over het jaar 1999 slechts één naheffingsaanslag OB is opgelegd. Vast staat dat de inspecteur ook eenmaal uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Uit het beroepschrift van belanghebbende blijkt dat hij tweemaal beroep heeft ingesteld tegen dezelfde uitspraak op bezwaar. Op grond van artikel 26 AWR kan slechts eenmaal beroep worden aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. Gelet hierop is het beroep met zaaknummer 12/5948 niet-ontvankelijk. 4.3. De uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag OB 1999 is gedagtekend 11 juli 2012. Belanghebbende heeft bij brief ingekomen op 6 november 2012 hiertegen beroep ingesteld. Dit is niet binnen de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn van zes weken. Het beroep is dan te laat ingediend. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook het beroep met zaaknummer 12/5947 niet-ontvankelijk is. Ontvankelijkheid bezwaar aanslag IB/PVV 2004 (zaaknummer 12/5946) 4.4. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2004 bij de uitspraak op bezwaar ten onrechte ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Belanghebbende heeft dat betwist. 4.5. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j AWR). In een dergelijk geval vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die van bekendmaking. 4.6. De aanslag is gedagtekend 30 november 2007. Nu bij de rechtbank geen feiten of omstandigheden bekend zijn betreffende een latere bekendmaking van de aanslag dan de datum van dagtekening, gaat de rechtbank er van uit, dat de bezwaartermijn is aangevangen op 1 december 2007. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn eindigde op 11 januari 2008. Het bezwaarschrift, gedagtekend 15 januari 2008, is op 16 januari 2008 bij de inspecteur binnengekomen. 4.7. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid van de Awb). Bij verzending per post is een bezwaarschrift nog tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn (11 januari 2008) ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn (18 januari 2008) is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid van de Awb). Gelet op de dagtekening van het bezwaarschrift (15 januari 2008) acht de rechtbank het niet aannemelijk dat belanghebbende het bezwaarschrift uiterlijk op 11 januari 2008 ter post heeft bezorgd. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2004 niet-ontvankelijk is. Het beroep is gegrond, nu de inspecteur heeft verzuimd het bezwaar in de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De uitspraak zal worden vernietigd. Dat maakt overigens de door de inspecteur toegepaste vermindering van die aanslag niet ongedaan; de uitspraak moet in zoverre worden beschouwd als ambtshalve vermindering. Ontvankelijkheid bezwaar aanslag IB/PVV 2005 (zaaknummer 12/5937) 4.8. De inspecteur heeft gesteld dat het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2005 ten onrechte ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaarschrift niet is ondertekend. 4.9. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onderdeel a, van de Awb kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend. 4.10. Anders dan bij een te laat ingediend bezwaar- of beroepschrift waarvoor niet-ontvankelijkverklaring dwingend is voorgeschreven, is de niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:6 Awb een discretionaire bevoegdheid van de inspecteur en de bestuursrechter (vergelijk HR 17 maart 1999, nr. 33 295, ECLI:NL:HR:1999:AA2698). Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat nu de inspecteur in de bezwaarfase geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, hij daarop in de beroepsfase niet kan terugkomen (in vergelijkbare zin Hof Amsterdam 13 juni 2002, 01/1167, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1338). De stelling van de inspecteur wordt derhalve verworpen. Onrechtmatig handelen inspecteur 4.11. Belanghebbende heeft lopende de beroepsprocedure in het kader van een poging tot het overeenkomen van een vaststellingsovereenkomst stukken, die afkomstig zijn van de KBL, aan de inspecteur overhandigd. Uit deze stukken blijken onder meer de stortingen en het verloop van de KBL-bankrekeningen. De inspecteur heeft deze stukken aan de rechtbank overgelegd, alsmede op basis van deze stukken nadere berekeningen gemaakt van de verschuldigde belasting. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur door het overleggen van deze stukken onrechtmatig gehandeld, omdat een vaststellingsovereenkomst onder de wettelijke kaders van het civiele recht valt. De inspecteur heeft gesteld dat de verkregen informatie wel in onderhavige beroepsprocedure mag worden gebruikt. 4.12. De rechtbank is van oordeel dat het de inspecteur vrij stond om deze stukken in het geding te brengen, reeds omdat gesteld noch aannemelijk is geworden dat belanghebbende bij het verstrekken van de stukken enig voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van het inbrengen in deze procedure. De identificatie 4.13. De rechtbank stelt voorop dat de op de microfiches vermelde informatie omtrent de rekeninghouder zeer summier is. De informatie is zo summier dat naar het oordeel van de rechtbank extra zorgvuldigheid geboden is bij de identificatie van de vermelde rekeninghouders. Voorkomen moet immers worden dat personen, wier gegevens wel overeenkomen met de vermelde informatie maar die met KBL niets van doen hebben, met aanslagen en boeten worden geconfronteerd. 4.14. Belanghebbende heeft ontkend en blijft ontkennen rekeninghouder te zijn (geweest) van de KBL-rekening. Volgens hem is de identificatie onjuist geweest en berust die op een persoonsverwisseling en is sprake van identiteitsfraude. De inspecteur, op wie de bewijslast rust de juistheid van de identificatie aannemelijk te maken, heeft verwezen naar het microfiche, het in 2.6 vermelde proces-verbaal en de bij de pleitnota gevoegde stukken uit de computersystemen van de Belastingdienst. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van achternamen tezamen met de voornamen van belanghebbende en zijn ex-partner zo specifiek is dat de inspecteur daarmee in zijn bewijslast is geslaagd. Er is geen reden om aan te nemen dat de namen die zijn vermeld op het microfiche op andere personen dan belanghebbende en diens ex-partner kan slaan. Dat het proces-verbaal van identificatie in 2004, derhalve nadat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, is opgesteld doet aan dit oordeel niet af. Voorts vindt de rechtbank voor haar bewijsoordeel steun in de omstandigheid dat belanghebbende de in 2.19 vermelde stukken (correspondentie met KBL en overzicht van het verloop van de KBL-rekeningrekening) aan de inspecteur heeft verstrekt. Tot slot, de rechtbank heeft bij haar bewijsoordeel acht geslagen op de stelling van belanghebbende dat sprake is van identiteitsfraude, maar de rechtbank acht dat scenario niet aannemelijk, mede gezien de stukken van KBL. 4.15. Belanghebbende heeft voor dat geval verzocht om [ambtenaar], als opsteller van het proces-verbaal van identificatie, als getuige te mogen horen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 april 2015, nr. 14/02806, ECLI:NL:HR:2015:912 geoordeeld dat indien een (voorwaardelijk) bewijsaanbod is gedaan, de rechter kan volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod. Een zodanige mededeling kan volgens de Hoge Raad in of bij de oproeping voor de zitting worden gedaan door degene die het bewijsaanbod heeft gedaan te wijzen op de mogelijkheid getuigen naar de zitting mee te brengen of voor de zitting op te roepen. Het is dan aan degene die het bewijsaanbod heeft gedaan al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken. De hiervoor bedoelde mededeling volstaat niet wanneer de desbetreffende partij in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij van de geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als ter zitting nieuw licht valt op de noodzaak tot het leveren van nader bewijs (vgl. HR 23 mei 2014, nr. 12/05526, ECLI:NL:HR:2014:1194, BNB 2014/154). 4.16. In het onderhavige geval is belanghebbende door de rechtbank in de uitnodiging voor de zitting gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen bij aangetekende brief of door inschakeling van een deurwaarder. Gelet op het hiervoor overwogene is daarmee voldaan aan de eis dat gelegenheid is geboden tot uitvoering van het bewijsaanbod. Van een uitzonderingsituatie zoals hiervoor in het slot van 4.15 is geschetst, is geen sprake. 4.17. Al het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat belanghebbende op 31 januari 1994 (mede) houder was van de KBL-rekeningen. Voorts acht de rechtbank gelet op de 2.19 vermelde stukken aannemelijk dat belanghebbende in elk geval in de periode november 1993 tot en met december 2001 (mede) houder van de KBL-rekening was. Nieuw feit 4.18. De belastingaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1992 tot en met 2000 zijn navorderingsaanslagen. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de eisen van dit artikel is voldaan. 4.19. De inspecteur heeft gesteld dat pas na ontvangst van de micro-fiche en de identificatie bekend is geworden dat belanghebbende (mede) rekeninghouder was bij de KBL. De rechtbank acht dat aannemelijk. Vaststaat dat belanghebbende zijn rekening bij KBL nooit in enige aangifte heeft vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een nieuw feit in de zin van genoemd artikel 16. Voortvarendheid 4.20. Naar de rechtbank uit de feiten afleidt, zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1998 met toepassing van de verlengde navorderingstermijn opgelegd. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ter zake van deze navorderingsaanslagen niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. De inspecteur heeft dat betwist. De rechtbank overweegt als volgt. 4.21. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, BNB 2010/199-200, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.