vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/02/271654 / HA ZA 13-816 Vonnis van 1 juli 2015 in de zaak van openbare rechtspersoon WATERSCHAP SCHELDESTROMEN, gevestigd te [adres] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. U.T. Hoekstra te Middelburg, tegen de vereniging VERENIGING [A] gevestigd te [adres] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. L.E. de Geer te Amsterdam. Partijen zullen hierna het Waterschap en de Vereniging genoemd worden. 1De procedure 1.1. Met deze zaak zijn gevoegd de zaken met de zaaknummers.: C/02/271641, C/02/271643,C/02/271646, C/02/271648,C/02/271649, C/02/271651, C/02/271652, C/02/271653, C/02/271655, C/02/271656,C/02/271662, C/02/271664, C/02/271665. 1.2. Het verloop van de procedure blijkt uit: tussenvonnis van 16 april 2014 conclusie van antwoord in reconventie toelichting ten behoeve van de comparitie van het Waterschap pleitnotitie ten behoeve van de comparitie van de Vereniging proces-verbaal van de comparitie van 3 september 2014 nader proces-verbaal van de comparitie van 3 september 2014 conclusie na comparitie van de Vereniging van 22 oktober 2014 conclusie van antwoord na comparitie van het Waterschap van 19 november 2014 akte uitlating producties van de Vereniging van 17 december 2014. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten in conventie en in reconventie 2.1. Bij notariële akte van 27 februari 1987 heeft het toenmalige Waterschap Walcheren aan de heren [B] , [C] , [D] en mevrouw [E] ieder voor een/vierde onverdeeld aandeel, een perceel duingrond in erfpacht uitgegeven, [perceel X] . Het erfpachtrecht is de voortzetting van een vanaf 1924 doorlopende erfpachtverhouding. Op het in erfpacht uitgegeven perceel is door (de rechtsvoorgangers van) de Vereniging in 1924 een huis gebouwd. 2.2. Het recht van erfpacht is gevestigd voor de tijd van 25 jaar, ingaande 1 januari 1986 en mitsdien eindigend op 31 december 2010. 2.3. Bij akte van 29 maart 1995 is het recht van erfpacht geleverd aan de Vereniging. 2.4. De erfpachtcanon – verder canon – beliep bij vestiging van het recht van erfpacht € 479,22 (hfl.1.056,06) per jaar en laatstelijk € 598,50 per jaar. 2.5. Artikel 23 van de erfpachtakte luidt: “De erfpachter moet uiterlijk vijf jaren voor het einde van de erfpacht aan het Waterschap bij aangetekende brief meedelen of hij de erfpachtovereenkomst wenst te verlengen”. 2.6. De Vereniging heeft bij brief van 5 april 2006 meegedeeld de erfpachtovereenkomst te willen verlengen. Bij brieven van 15 mei 2006 en 10 oktober 20007 heeft het Waterschap Zeeuwse Eilanden, rechtsopvolger van het Waterschap Walcheren, aangekondigd in 2010 contact op te zullen nemen om te komen tot een nieuwe erfpachtovereenkomst onder de dan geldende voorwaarden. 2.7. Het Waterschap Zeeuwse Eilanden heeft bij brief verzonden 25 augustus 2009 de Vereniging laten weten bereid te zijn een nieuwe erfpachtovereenkomst af te sluiten voor een periode van 30 jaar tegen de op dat moment geldende algemene voorwaarden erfpacht 2004 – verder AV2004 – op voorwaarde dat de grond opnieuw zou worden getaxeerd. Meegedeeld is dat gelet op het geldende prijspeil rekening gehouden moest worden met een zeer forse stijging van de canon. De Vereniging heeft bij brief van 3 september 2009 in afwachting van het contractvoorstel instemmend gereageerd. 2.8. Artikel 5 van de AV2004 luidt: “1. De erfpachter is verplicht aan het waterschap jaarlijks een geldsom –de canon- te betalen. 2. Bij het bepalen van de aanvangscanon wordt uitgegaan van de voor de grond per het moment van uitgifte door het dagelijks bestuur vast te stellen grondwaarde, vermenigvuldigd met het dan geldende canonpercentage en vermeerderd met een door het dagelijks bestuur vast te stellen bedrag voor administratiekosten. 3. De in het tweede lid bedoelde grondwaarde wordt bepaald met inachtneming van eventueel terzake geldende overheidsvoorschriften, de ontwikkeling in de marktprijzen van onroerende zaken alsmede met inachtneming van het gebruik van de grond en de opstallen dat door het waterschap aan de erfpachter is of wordt toegestaan. 4. Het in het tweede lid bedoelde canonpercentage wordt door het dagelijks bestuur vastgesteld overeenkomstig de trend van de marktrente voor langlopende leningen zoals deze kan worden afgeleid uit de rente-ontwikkeling in de drie jaar voorafgaand aan het besluit van het dagelijks bestuur.” 2.9. Het Waterschap Zeeuwse Eilanden heeft taxateur ing. [F] – verder [de taxateur] – verzocht om tot taxatie over te gaan. [de taxateur] heeft op 12 juli 2010 opname gedaan en op 3 december 2010 rapport uitgebracht. [de taxateur] heeft de waarde van het in erfpacht uitgegeven perceel getaxeerd op een bedrag van € 250.000,00. Dit is “De prijs, die bij onderhandse verkoop bij aanbieding vrij van huur, pacht en gebruik en op de voor het onroerend goed meest geschikte wijze, na beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.” 2.10. De WOZ-waarde voor de volle eigendom van de gehele zaak bedroeg over het jaar 2010 € 368.000,00. 2.11. Bij brief van 16 december 2010 heeft het Waterschap Zeeuwse Eilanden op basis van het op 4,45 % vastgestelde canonpercentage vermeerderd met € 50,00 administratiekosten voorgesteld over te gaan tot heruitgifte tegen een nieuwe canon via een toegroeiregeling in vier jaar oplopend tot, per 1 januari 2014, € 11.175,00 per jaar. 2.12. De Vereniging heeft dit voorstel bij brief van 21 december 2010 verworpen en op 15 februari 2011 heeft een gesprek tussen het Waterschap en de Vereniging plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek heeft het Waterschap heeft bij brief van 17 mei 2011 meegedeeld het canonpercentage op 4,3 % vast te stellen, de toegroeiregeling gewijzigd en afgezien van de mogelijkheid om de canon de eerste keer in 2016, na 5 jaar, aan te passen. De aangepaste regeling leidt tot een jaarlijkse canon van uiteindelijk, per 1 januari 2015, € 10.800,00 welk bedrag tot 1 januari 2021 ongewijzigd blijft. Het Waterschap heeft aangezegd dat indien de Vereniging niet zou kunnen instemmen met de nieuwe canonbedragen, het Waterschap, gelet op art. 5:98 BW, de erfpacht per 1 januari 2011 als geëindigd beschouwt. De Vereniging heeft de jaarlijkse canon niet voldaan. 2.13. De advocaat van de Vereniging heeft het Waterschap bij brief van 12 augustus 2011 laten weten dat de Vereniging recht had op verlenging van het erfpachtrecht en dat de door het Waterschap gestelde voorwaarden in dat licht, maar ook in het algemeen, onredelijk waren. De Vereniging heeft bij datzelfde schrijven de taxatie van [de taxateur] inhoudelijk en gemotiveerd bestreden. 2.14. De Vereniging heeft een door haar aangezochte deskundige de heer [H] – verder [de deskundige] – verzocht het taxatierapport van [de taxateur] te beoordelen. [de deskundige] heeft op 30 juli 2012 zijn deskundigenbericht uitgebracht. 2.15. Bij brief van de advocaat van de Vereniging aan het Waterschap van 6 december 2012 heeft de Vereniging een voorstel gedaan voor een tijdelijke regeling, totdat er duidelijkheid zou bestaan over de vraag of het beleid van het Waterschap in rechte stand zal houden. Deze regeling houdt in heruitgifte onder toepassing van de regeling zoals die door het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt gehanteerd en die bij arrest van het hof Den Haag van 23 oktober 2012 als redelijk is beoordeeld. Het Waterschap heeft deze regeling niet aanvaard. 2.16. Bij brief van de advocaat van het Waterschap aan de advocaat van de Vereniging van 26 juni 2013 heeft de advocaat van het Waterschap geconstateerd dat tussen partijen geen overeenstemming omtrent heruitgifte is bereikt en aangezegd dat de Vereniging uiterlijk op 1 september 2013 haar erfpachtpercelen ontruimd dienen op te leveren. De Vereniging is niet tot ontruiming overgegaan. 2.17. Bij exploit van dagvaarding van 25 september 2013 heeft het Waterschap de Vereniging tevens aangezegd dat voor het geval blijkt dat het recht van erfpacht doorloopt in de zin van art. 5:98 BW, het recht van erfpacht ex art. 5:88 BW wordt opgezegd tegen 1 november 2014. 3Het geschil in conventie 3.1. Het Waterschap vordert veroordeling van de Vereniging tot ontruiming van het perceel kadastraal bekend [perceel X] op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 met veroordeling van de Vereniging in de kosten van het geding vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten. 3.2. Het Waterschap stelt recht en belang te hebben bij de vordering tot onmiddellijke ontruiming althans, subsidiair, bij ontruiming per 1 november 2014 omdat de voortzetting van het gebruik vanaf januari 2011 een inbreuk oplevert op het recht van eigendom van het Waterschap nu het recht van erfpacht niet met terugwerkende kracht tot stand is gekomen. Het Waterschap heeft tijdig, overeenkomstig art. 5:98 lid 1 BW aangezegd dat hij het erfpachtrecht per 1 januari 2011 als geëindigd beschouwt en voor zoveel nodig het recht van erfpacht bij exploit van dagvaarding rechtsgeldig opgezegd. Het Waterschap stelt schade te hebben geleden en te lijden omdat het niet in staat is geweest om het perceel aan derden in erfpacht uit te geven. De Vereniging is een gebruiksvergoeding verschuldigd voor voortgezet gebruik op de voet van art. 6:212 BW. Het Waterschap behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Het Waterschap betwist gemotiveerd dat het erfpachtrecht van rechtswege doorloopt, dat hij onredelijk handelt en misbruik maakt van zijn eigendomsrecht door bij expiratie van het recht van erfpacht ook ten opzichte van de zittende erfpachters alleen tegen betaling van een canon gebaseerd op de actuele grondwaarde en een actueel, gangbaar canon- c.q. rentepercentage bereid te zijn om tot heruitgifte over te gaan. Het Waterschap betwist dat gelet op het arrest van het Hof Den Haag van 23 oktober 2012 de door hem gebruikte methode om een marktconforme canon te bepalen onredelijk zou zijn. Het Waterschap stelt gemotiveerd en onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 1999 dat hij niet onredelijk handelt en geen misbruik maakt van eigendomsrecht door bij expiratie van een recht van erfpacht ook ten opzichte van zittende erfpachters alleen tegen betaling van een marktconforme canon tot heruitgifte over te gaan. Het Waterschap betwist voorts gemotiveerd dat hij het rapport van de door het Waterschap aangezochte taxateur [de taxateur] niet als uitgangspunt zou mogen nemen voor de waarde van de grond. Het Waterschap stelt dat daarbij van belang is dat de waarde van de grond door de Vereniging niet door middel van een eigen taxatierapport is bepaald en/of aannemelijk is gemaakt dat tegen het taxatierapport van [de taxateur] anderszins reële inhoudelijke bezwaren bestaan. Het Waterschap betwist gehouden te zijn tot vergoeding aan de Vereniging van de op de grond aanwezige gebouwen, werken en beplantingen omdat ex art. 170 Overgangswet de artikelen 5:99 en 5:100 BW niet van toepassing zijn. Het Waterschap verwijst ook naar artikel 25 van de erfpachtakte. 3.3. De Vereniging voert verweer. 3.3.1. De Vereniging stelt primair dat de erfpachtovereenkomst is verlengd doordat zij gebruik heeft gemaakt van de in de akte van erfpacht, artikel 23, gegeven mogelijkheid door middel van een mededeling dat zij het recht wenst te verlengen de verlenging te bewerkstelligen. In de akte is niet bepaald dat het Waterschap bij verlenging wijziging van de voorwaarden kan verlangen. In de artikelen 5,6 en 7 van de akte is vastgesteld hoe de canon kan worden gewijzigd. Deze blijven bij de verlenging van kracht. Indien en voor zover het Waterschap het recht zou toekomen de voorwaarden en de canon aan te passen, dan leidt het ontbreken van overeenstemming daarover er niet toe dat er geen verlenging plaatsvindt. De canon of algemene voorwaarden zijn ingevolge het BW geen essentialia van het erfpachtrecht zodat verlenging ook plaatsvindt zonder dat die voorwaarden vast staan. Verlenging impliceert dat de wijzigingen zo gering dienen te zijn dat het niet ingrijpt in de kern van het te verlengen recht. Nu de erfpacht verlengd is kan het Waterschap niet meer doen blijken van het feit dat hij het erfpachtrecht als geëindigd beschouwt, althans mist deze mededeling rechtskracht en kan het Waterschap het erfpachtrecht ook niet opzeggen. Het Waterschap heeft door het geven van het verlengingsrecht en het gebruik daarvan door de Vereniging op voorhand afstand gedaan van de bevoegdheid het recht eenzijdig te beëindigen voordat de termijn waarvoor het verlengd wordt is verlopen. De Vereniging betwist voorts gemotiveerd dat het Waterschap tijdig ex art. 5:98 lid 1 BW heeft doen blijken het erfpachtrecht als geëindigd te beschouwen althans het erfpachtrecht rechtsgeldig heeft opgezegd. 3.3.2. De Vereniging stelt dat het Waterschap misbruik van bevoegdheid maakt door een canon te eisen die, in het licht van hetgeen in Nederland gebruikelijk is, niet redelijk en marktconform is en door, indien zou komen vast te staan dat het Waterschap de bevoegdheid zou hebben om het recht op te zeggen, hij daarvan misbruik maakt door daarmee de erfpachters te dwingen een onredelijk aanbod te aanvaarden. Door het Waterschap is onvoldoende gesteld om tot de conclusie te komen dat sprake is van strijd met artikel 4 b van de Mededingingswet. 3.4. Ten onderbouwing van haar standpunt dat de door het Waterschap vastgestelde canon onredelijk is stelt de Vereniging het navolgende. 3.4.1. Bij de vaststelling van de canon bij heruitgifte van de erfpacht staat voorop dat er een gebonden situatie bestaat waarin de eisen van de redelijkheid en billijkheid gelden en waarbij het Waterschap een zekere machtspositie bekleedt jegens de Vereniging. Dat brengt mee dat de nieuwe canon objectief dient te worden vastgesteld. Daarvan is geen sprake. Het Waterschap berekent de hoogte van de canon op 4,3% van de waarde van de volle vrije eigendom van de in gebruik gegeven grond, alsof deze niet in gebruik is en alsof het bouwrijpe grond betreft welke waarde is vastgesteld door een eenzijdig aangewezen taxateur. Uit de taxatie van [de taxateur] blijkt dat hij onvoldoende kennis heeft van de wijze waarop de grond bij erfpacht gewaardeerd dient te worden. De door [de taxateur] gekozen methode wijkt sterk af van hetgeen landelijk gebruikelijk is en is onjuist, ongebruikelijk, leidt tot een veel te hoge canon en wijkt in voor de Vereniging negatieve zin af van de door het Hoogheemraadschap van Rijnland gehanteerde methode die door het hof Den Haag in zijn arrest van 23 oktober 2012 als redelijk is geoordeeld. De canon zou, als die methode zou zijn gehanteerd, € 2.644,96 bedragen. De door het Waterschap vastgestelde canon houdt in een stijging met een factor 22,53 ten opzichte van de in 1987 vastgestelde canon terwijl de waarde van het huis, gelet op de huizenmarkt, sinds 1987 met ten hoogste een factor 4,5 is gestegen. Indien de canon in gelijke mate als de huizenmarkt zou zijn gestegen en dus marktconform zou zijn, zou de nieuwe canon hooguit € 2.156,49 bedragen. Afgezien van het vorenstaande heeft [de taxateur] de volgende, bij het vaststellen van de canongrondslag gebruikelijke aspecten, buiten beschouwing gelaten: - mindere courantheid erfpachtgrond omdat het grond betreft die niet vrij in gebruik is; - te doen gebruikelijke depreciatie van de grondwaarde van 40% in verband met het gegeven dat de grond bebouwd is en niet vrij in te delen en er in het erfpachtrecht meerdere beperkende bepalingen zitten die de waarde van de grond minder waardevol maken dan vol eigendom; - aftrek toekomstwaarde bij uitgifte erfpacht voor bepaalde tijd; - bij vestiging van het erfpachtrecht is ruwe duin/dijkgrond geleverd en geen bouwgrond. 3.4.2. De Vereniging stelt voorts dat het canonpercentage van 4,3% onredelijk is. Het Waterschap stelt dat dat het gemiddelde is van de rente-ontwikkeling van langlopende leningen van de Nederlandse Waterschapsbank van de laatste drie jaar. Volgens de Vereniging ligt dat percentage in 2010 onder de 4% en moet, nu het hier geen geldlening betreft maar het over grond gaat, het in het percentage verdisconteerde deel voor inflatieschade en risico voor mogelijk verlies van het geleende bedrag buiten beschouwing worden gelaten. De Vereniging stelt voorts gemotiveerd dat het hoog is in vergelijking tot het door andere overheden gehanteerde percentage. 3.4.3. Voor de Vereniging in het bijzonder geldt dan nog dat [de taxateur] de omliggende grond als tuingrond heeft getaxeerd die een hogere waarde heeft dan natuurgrond. De Vereniging stelt dat een groot gedeelte zeer schuine overwoekerde duingrond betreft waarin ook een bunker is gelegen en welke grond voor de Vereniging geen gebruikswaarde heeft en voor de Vereniging geen waarde vertegenwoordigt. 3.5. De Vereniging stelt voorts dat van de door het Waterschap voorgestelde AV2004, die algemene voorwaarden zijn in de zin van afdeling 3 van titel 5 van boek 6 BW, een aantal bepalingen onredelijk bezwarend zijn en een aantal onredelijk en niet zouden zijn aanvaard indien de Vereniging en het Waterschap niet in een gebonden situatie zouden verkeren. De voorwaarden voldoen ook niet aan de door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) opgestelde richtlijnen voor financierbare erfpacht die weliswaar vooralsnog alleen gelden voor particuliere erfpacht, maar ook voor erfpacht van overheden zullen gaan gelden. De Vereniging is van mening dat het Waterschap op grond van de zorgvuldigheid en de redelijkheid en billijkheid gehouden is een notariële opinie over te leggen waaruit blijkt dat het door hem aangeboden erfpachtrecht aan de criteria van de NVB voldoet omdat, bij gebreke van een dergelijke opinie, het uit te geven erfpachtrecht niet hypothecair te financieren is en niet overdraagbaar. De Vereniging stelt voorts gemotiveerd dat de volgende artikelen uit de algemene voorwaarden onredelijk zijn, althans onredelijk bezwarend, althans in strijd met de NVB-criteria: - 5 lid 2: het in rekening brengen van administratiekosten, - 6: de mogelijkheid om de canon om de vijf jaar te herzien en de canonvaststelling door deskundigen zonder dat objectief bepaalbaar is hoe de canon bij herziening wordt vastgesteld, - 6 lid 4: zonder reden verdere verkorting termijn canonherziening, - 7: in rekening brengen eenzijdig vastgestelde canon, - 12: voorbehouden jachtrecht door Waterschap, - 21 lid 1: geen aanspraak op vergoeding voor opstallen, - 22: boete teneinde naleving van de akte af te dwingen, - 23 lid 2: voorleggen geschil aan deskundigen. Het Waterschap maakt volgens de Vereniging misbruik van bevoegdheid door in een situatie van gebondenheid de Vereniging aan dergelijke onredelijke bepalingen te willen binden en het erfpachtrecht te beëindigen op de enkele grond dat het op deze wijze vastgestelde aanbod niet kan worden aanvaard. Het aanbod is in strijd met de redelijkheid en billijkheid, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 1 EP. Het aangeboden erfpachtrecht is ook onvoldoende bepaalbaar. 3.6. De Vereniging stelt dat, indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat het door het Waterschap gedane aanbod wel redelijk is, het door haar ingeroepen retentierecht aan de toewijzing van de ontruimingsvordering in de weg staat. De Vereniging behoudt zich het recht voor om haar standpunt, indien nodig, nader toe te lichten en te onderbouwen. 3.7. De Vereniging stelt gemotiveerd dat de door het Waterschap de dwangsom zoals die is gevorderd dient te worden afgewezen. in reconventie 3.8. De Vereniging vordert voor recht te verklaren dat: I - primair het erfpachtrecht van de Vereniging is verlengd met de duur van 25 jaar onder gelijkblijvende voorwaarden, - subsidiair het erfpachtrecht van de Vereniging is verlengd voor onbepaalde tijd, althans voor een periode van minimaal 25 jaar waarbij een in goede justitie te bepalen canon geldt en voorwaarden die voldoen aan de door de NVB opgestelde criteria, - meer subsidiair het Waterschap te gebieden medewerking te verlenen aan het vaststellen bij akte van verlenging van het erfpachtrecht onder de primair en subsidiair verzochte voorwaarden onder verbeurte van een dwangsom; - meest subsidiair het Waterschap te gebieden medewerking te verlenen aan het vaststellen bij akte van heruitgifte van het erfpachtrecht voor onbepaalde tijd, althans voor een periode van minimaal 30 jaar waarbij een in goede justitie te bepalen canon geldt en voorwaarden die voldoen aan de door de NVB opgestelde criteria onder verbeurte van een dwangsom; en voorts voor recht te verklaren dat: II - het aanbod van het Waterschap in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, althans de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, althans art. 1 EP; III - het van toepassing verklaring van de in het dictum genoemde bepalingen uit de AV 2004 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid; IV - het Waterschap op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden is bij uitgifte van de grond in erfpacht voor woningen voorwaarden te hanteren die voldoen aan de door de NVB opgestelde criteria zolang de banken het voldoen aan die criteria eisen voor het verstrekken van hypothecaire financiering; V - dat de artikelen 6 en 22 van de AV2004 onredelijk bezwarend zijn; VI, VII - het Waterschap te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.750,00 en met veroordeling van het Waterschap in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. De Vereniging verwijst ter onderbouwing van haar vordering naar hetgeen zij in conventie heeft gesteld ter betwisting van de vordering van het Waterschap. 3.9. Het Waterschap voert gemotiveerd verweer. Voor zover nodig zal de rechtbank hierna ingaan op hetgeen door het Waterschap ter betwisting van het standpunt van de Vereniging is aangevoerd. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. De rechtbank zal, gelet op de samenhang van de vordering in conventie met die vordering in reconventie geformuleerd onder II het ten aanzien van die vorderingen gestelde gezamenlijk beoordelen. 4.2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de erfpachtakte de mogelijkheid biedt tot verlenging van de erfpacht en dat de Vereniging van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Gelet op de lange duur van erfpachtcontracten moet ervan worden uitgegaan dat er tussen het tijdstip van verlening van het recht van erfpacht en (diverse) verlenging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.