RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Kanton [woonplaats 2] Zaaknummer: 3662550 CV EXPL 14-9781 Vonnis van 11 november 2015 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats 1] , eiser, verder ook: [eiser] , gemachtigde: mr. S.M.E. van Dijsseldonk, tegen de [gedaagde] , gevestigd in [woonplaats 2] , gedaagde, verder ook: [gedaagde] , gemachtigde: mr. H.A.J.M. Geven. 1Het procesverloop Dat blijkt uit: de dagvaarding met producties; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek met producties; de conclusie van dupliek. Voormelde stukken dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Vonnis is nader bepaald op heden. 2Het geschil [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 16.827,99, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] heeft de vordering bestreden. 3De beoordeling 3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan. a. In 2009 heeft [eiser] een rechtsbijstandsverzekering gesloten met FBTO. FBTO laat de uitvoering van deze overeenkomst over aan [gedaagde] . b. Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft (het bestuur van) de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan [eiser] een onderzoek opgelegd naar zijn geschiktheid een motorrijtuig te besturen. c. Bij besluit van 25 mei 2011 heeft CBR het rijbewijs van [eiser] ongeldig verklaard voor alle categorieën. d. Op 31 mei 2011 heeft [eiser] krachtens de door hem gesloten rechtsbijstandsverzekering, aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, verbonden aan het aantasten van het besluit van CBR van 25 mei 2011. e. Bij e-mail van 1 juni 2011 is zijdens [gedaagde] aan [eiser] in reactie hierop onder meer medegedeeld: “U heeft al contact met een advocaat gespecialiseerd op CBR zaken gehad. Ik begreep van u dat u meende dat u op kosten van onze stichting een advocaat kon inschakelen. Helaas moet ik u vertellen dat dit niet het geval is. In de polisvoorwaarden die van toepassing zijn op uw verzekering is bepaald dat de zaken door juristen in dienst van de stichting [gedaagde] rechtsbijstand worden behandeld. Na de recente uitspraak in kort geding tegen DAS rechtsbijstand over vrije advocaatkeuze, waartegen Das overigens hoger beroep heeft ingesteld, heeft ook onze stichting haar beleid hierover nog eens tegen het licht gehouden. De uitkomst daarvan is dat de stichting haar beleid handhaaft. Met dien verstande dat als een verzekerde een andere opvatting heeft de behandelaar de zaak aan het klachtenbureau binnen de Stichting voorlegt. Dit bureau bespreekt dan de kwestie met een verzekerde en zoekt dan naar een passende oplossing (…)”. f. Bij e-mail van 3 juni 2011 heeft [eiser] aan [gedaagde] onder meer medegedeeld: “Daar het belang van deze zaak voor mij zeer groot is, wil ik graag gebruik maken van de advocaat waar ik al eerder contact mee heb gehad. Het gaat hier om mr. [naam] (…). Buiten het feit om dat ik een goed gevoel heb bij deze advocaat, is mr. [naam] zeer ervaren met vergelijkbare zaken tegen het CBR. Ik ben dan ook van mening dat we hier kunnen spreken van een specialisme. (…) Ik hoop dat u mijn standpunt begrijpt en dat het klachtenbureau van uw stichting met een passende oplossing komt.”. g. Bij e-mail van 3 juni 2011 is zijdens [gedaagde] aan [eiser] onder meer medegedeeld: “Vooralsnog zie ik niet op welke grond wij moeten afwijken van de polisvoorwaarden. Artikel 8.1 bepaalt dat de rechtsbijstand door juristen van de stichting [gedaagde] Rechtsbijstand wordt verleend. In enkele gevallen heeft u aanspraak op een zelf te kiezen advocaat, maar deze gevallen doen zich hier niet voor. Ik kan u verzekeren dat onze juristen ruimschoots kennis en ervaring hebben, en uitstekend werk leveren.”. h. Na nadere correspondentie heeft (een medewerker van het klachtenbureau van) [gedaagde] bij e-mail van 6 juni 2011 aan [eiser] medegedeeld: “Ik heb aangegeven dat wij een tegemoetkoming kunnen aanbieden, maar ook niet meer dan dat. Het gaat om een bedrag van € 1.000,- incl. Dit is dan tegen finale kwijting: u kunt geen aanspraak meer maken op rechtsbijstand in deze zaak.”. Bij e-mail van 15 juni 2011 heeft [gedaagde] aan [eiser] onder meer medegedeeld: “Ik bood u € 1500 aan, met daarbij wel de aantekening dat ik verder dan dit echt niet kan gaan. Als u hiermee akkoord gaat betekent dit dat er geen beroep meer kan worden gedaan op ons voor rechtsbijstand in deze zaak. Graag verneem ik van u of u dit voorstel accepteert. Het alternatief is dat wij de zaak intern zullen behandelen. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] bij e-mail van 20 juni 2011 aan [gedaagde] te kennen gegeven: “Graag maak ik gebruik van uw aanbod van € 1.500,- in deze.”. i. Door mr. [naam] zijn voor de kosten van de behandeling van het geschil bij vier instanties in totaal in rekening gebracht € 15.345,74 inclusief btw. j. Bij vonnis van 8 maart 2011 (LJN: BP7547) heeft de voorzieningenrechter bij de rechtbank Amsterdam, onder meer en kort weergegeven, beslist dat op grond van de Richtlijn 87/344/EEG, waarvan artikel 4:67 van de Wet Financieel Toezicht (WFT) een uitvoering is, binnen het kader van een rechtsbijstandsverzekering, recht bestaat op vrije advocaatkeuze. Daartegen is beroep en cassatie ingesteld. Naar aanleiding van door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2012:567) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap op 7 november 2013 uitspraak gedaan (NJ 2015,54), kort weergegeven, inhoudende dat een verzekerde bij een gerechtelijke of administratieve procedure op grond van artikel 4, lid 1, onder a, van voormelde Richtlijn altijd de keuze heeft tussen behandeling van het geschil door een jurist van de verzekeraar of een zelf in te schakelen advocaat of jurist. Zie HR 21 februari 2014 (ECLI:NL:HR: 2014:396). 3.2 [eiser] heeft, kort weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de overeenkomst van partijen omtrent de tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van € 1.500,- tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. 3.3 Daartegen heeft [gedaagde] , kort weergegeven, aangevoerd: dat [eiser] niet tot vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling bevoegd is omdat de gestelde dwaling een toekomstige omstandigheid betreft; dat, zo er al sprake zou zijn van dwaling, deze naar verkeersopvatting voor rekening van [eiser] dient te blijven omdat hij werd bijgestaan door de door hem ingeschakelde advocaat; dat de vordering tot vernietiging van het besluit in vier instanties is afgewezen, zodat geen sprake was van een redelijke kans op succes als bedoeld in de polisvoorwaarden, in welk geval zij niet of niet geheel tot dekking van de kosten van de gekozen advocaat gehouden is. 3.4 In artikel 6:228 BW is bepaald, kort weergegeven, dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.