RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/700060-15 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 november 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 november 2015, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging Verdachte staat terecht, ter zake dat: hij op of omstreeks 09 januari 2015 te Noordwelle, gemeente Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een chalet/vakantiewoning [chalet 1] (vakantiepark [naam vakantiepark] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat/die chalet/vakantiewoning en/of de in dat/die chalet/vakantiewoning aanwezige goederen en/of de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen aanwezig in de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was; subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 09 januari 2015 te Noordwelle, gemeente Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een chalet/vakantiewoning [chalet 1] (vakantiepark [naam vakantiepark] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat/die chalet/vakantiewoning en/of de in dat/die chalet/vakantiewoning aanwezige goederen en/of de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen aanwezig in de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 21 januari 2015 te Vlaardingen en/of Renesse, althans elders in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, gezien het feit dat verdachte: - op de hoogte was van het voornemen om het/de chalet/vakantiewoning in brand te (laten) steken, en/of - zich niet heeft onttrokken aan dit voornemen, en/of - die [medeverdachte 1] heeft benaderd, en/of - die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met elkaar in contact heeft gebracht, en/of - contact heeft gehouden met die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en/of - besprekingen (in de auto van [medeverdachte 2] ) tussen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betreffende het voornemen tot het in brand steken van dat/die chalet/vakantiewoning en/of de betaling achteraf, heeft bijgewoond, en/of - samen met die [medeverdachte 1] op 14 december 2014 naar het vakantiepark is gereden. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat de filmpjes in het dossier en de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ontlastend zijn voor verdachte. De verklaringen van getuige [getuige 3] en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Verdachte was niet bij de brandstichting aanwezig en kan gelet op zijn rol in het geheel niet als medepleger worden aangemerkt. Ook bevat het dossier onvoldoende bewijs voor het subsidiair tenlastegelegde, te weten de medeplichtigheid van verdachte aan brandstichting. Voorts kan niet bewezen worden dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor andere goederen dan wel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op vrijdag 9 januari 2015 werd om 19.08 uur bij de politie melding gemaakt dat er een chalet in brand stond op vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ aan [adres vakantiepark] . De eigenaar van park ‘ [naam vakantiepark] ’, getuige [getuige 4] , verklaarde op 10 januari 2015 dat het chalet dat in brand stond chalet [chalet 1] betrof van eigenaar [medeverdachte 2] . Voorts verklaarde [getuige 4] dat [medeverdachte 2] door zijn financiële situatie de lasten van het chalet niet meer kon dragen en dat hij meerdere malen van [medeverdachte 2] had gehoord dat het chalet eigenlijk voor 1 januari 2015 verkocht zou moeten zijn. Na die tijd kon er door de bank beslag worden gelegd op bepaalde zaken. In opdracht van de verzekeringsmaatschappij is door Biesboer Expertise B.V. onderzoek verricht naar de brand. Hieruit is naar voren gekomen dat de brand in de onderhavige recreatiewoning het gevolg was van het opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur (brandstichting), waarbij gebruik is gemaakt van motorbenzine ter ontsteking en/of bevordering van de brand. Ten gevolge van die brand is het chalet grotendeels verloren gegaan. Uit het verslag van de brandweer is voorts gebleken dat erop is ingezet om uitbreiding naar het naastgelegen chalet te voorkomen. De afstand tussen de chalets was plusminus vijf meter. Gezien de erg harde wind was overslag niet ondenkbaar. Ook is door [getuige 4] gezien dat de vlammen er aan de achterzijde van het chalet uitkwamen. Hij heeft aan de commandant van de brandweer verteld dat de brandweer eerst aan de rechterzijde van het chalet moest beginnen met blussen om overslaan op chalet [chalet 2] te voorkomen. [getuige 4] verklaarde dat in het systeem Eco Greenbox een inbraakalarm stond geregistreerd voor chalet [chalet 1] omstreeks 18.38 uur. In het rapport van Biesboer Expertise B.V. is vermeld dat voor deze brandstichting de recreatiewoning betreden diende te worden. De rapporteur concludeert dat als de inbraakmelding is gegenereerd door het openen van de achterdeur en deze daarna slotvast is afgesloten, ernstig rekening dient te worden gehouden met negatieve betrokkenheid van een sleutelhouder. Een aantal weken eerder, in de nacht van 14 op 15 december 2014, was er bij de politie een melding binnengekomen dat er verdachte personen gezien waren op de Rampweg te Renesse. Ter plaatse troffen de verbalisanten een voertuig en twee mannen aan. Een van hen liep in de berm ter hoogte van vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’. Dit bleek medeverdachte [medeverdachte 1] te zijn. Door de diensthond is een spoor gevolgd dat in de richting van een noodingang van vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ liep. De loopdeur hiervan bleek niet afgesloten te zijn en stond op een kier. Het spoor dat de diensthond volgde, liep het park op en kwam direct uit bij enkele chalets. De persoon met wie [medeverdachte 1] die nacht bij vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ is aangetroffen, bleek verdachte te zijn. Op 17 maart 2015 werd in het kader van een onderzoek van het Woninginbraken Team Friesland de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] uitgelezen. Verbalisant [verbalisant] ziet op deze telefoon een mapje video’s staan met daarin twee filmpjes welke in een auto zijn opgenomen. Op beide filmpjes herkent verbalisant [verbalisant] [medeverdachte 1] . Gelet op de namen van de filmpjes, 20150105 en 20150121 vermoedt de verbalisant dat het gaat om omgekeerde data, te weten 5 januari 2015 (filmpje 1) en 21 januari 2015 (filmpje 2). [medeverdachte 1] spreekt op beide filmpjes met een man die hij aanspreekt met ‘ [medeverdachte 2] ’. Door [medeverdachte 2] wordt in het eerste filmpje uitgelegd hoe [medeverdachte 1] bij chalet [chalet 1] moet komen, dat hij twee buren heeft en dat zij in Eindhoven/Spijkenisse wonen. [medeverdachte 1] reageert hierop door te zeggen dat hij het daarom ook na de vakantie gaat doen zodat er niemand is. [medeverdachte 2] zegt verder dat hij morgenavond bij zijn zoon zit en dat hij woensdagavond zorgt dat hij ergens anders is. [medeverdachte 1] zegt daarop “zorg gewoon dat je morgen en overmorgen weg ben ja”. In het tweede filmpje zegt [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] dat hij verwacht dat hij 120.000 à 125.000 euro voor het chalet en 13 a 14.000 voor de inventaris krijgt, dat [medeverdachte 1] zijn geld krijgt en dat dat de afspraak was, waarop [medeverdachte 1] reageert dat hij zijn geld wil hebben als de verzekering aan [medeverdachte 2] uitkeert. In het tweede filmpje wordt ook door een andere in de auto aanwezige persoon gesproken, in het proces-verbaal van bevindingen aangeduid als NN. Hij zegt onder meer : “Zodra we hier zijn en je hebt het geld binnen en je komt hierheen je ken zeggen [verdachte] (fon.) het geld is binnen. Waar is het?” [medeverdachte 1] heeft ter zitting verklaard dat hij beide filmpjes heeft gemaakt. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij op de filmpjes te zien/horen zijn. Ter zitting heeft de rechtbank bij het afspelen van de filmpjes waargenomen dat door de persoon die in het proces-verbaal van bevindingen als NN is weergegeven niet “ [verdachte] ” wordt gezegd maar “ [verdachte] ”. Dit is de voornaam van verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaarde voorts dat hij in de keuken bij [getuige 2] met verdachte over de verkoop van zijn chalet heeft gesproken en toen heeft gezegd dat hij het beter kon laten afbranden dan verkopen. Verdachte zei daarop dat hij wel iemand wist om het chalet in de fik te steken. Als hij dat zou doen, moest [medeverdachte 2] betalen. Verdachte zelf verklaarde op 9 april 2015 dat hij als tussenstation tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gebruikt. [medeverdachte 2] zou het geld, waarover in het tweede filmpje wordt gesproken, aan verdachte geven en verdachte zou het aan [medeverdachte 1] geven. Verdachte verklaarde niet bij de brand geweest te zijn, maar wanneer hij medeplichtig zou worden bevonden, dan vindt hij dat goed. Getuige [getuige 1] verklaarde op 21 april 2015 dat hij op 9 januari 2015 in Zeeland is geweest. Medeverdachte [medeverdachte 1] had hem gevraagd of hij hem naar Renesse wilde brengen. Zij zijn toen samen naar Renesse gereden. Eerst zijn ze langs de woning van [medeverdachte 1] gereden. [medeverdachte 1] is daar uitgestapt en is teruggekomen met twee jerrycans. Onderweg zijn ze gestopt bij een tankstation om de jerrycans te vullen. Aangekomen in Renesse is getuige [getuige 1] in de auto blijven zitten. [medeverdachte 1] stapte uit en nam beide jerrycans mee. Hij had de sleutels van het vakantiehuisje waar hij heen wilde bij zich. De sleutels had hij onderweg op het dashboard van de auto gelegd. Uit verkeersgegevens is gebleken dat een voertuig met het kenteken [kenteken] op 9 januari 2015 om 18.34.09 uur over de Brouwersdam Zeeland in is gereden en om 18.58.09 uur over de Brouwersdam Zeeland uit is gereden. Voornoemd kenteken bleek sinds 17 december 2014 op naam van getuige [getuige 1] te staan. Verdachte wordt primair verweten dat hij met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht in het chalet van medeverdachte [medeverdachte 2] . De kwalificatie medeplegen zoals tenlastegelegd vereist een bewuste en nauwe samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Nu uit het dossier niet blijkt van een actieve bijdrage van verdachte aan de feitelijke brandstichting en het ontbreken van een rol van verdachte in de feitelijke uitvoering niet wordt gecompenseerd door een grotere rol in bijvoorbeeld de voorbereiding van de brandstichting, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de brandstichting en zal hem dan ook van het primair tenlastegelegde vrijspreken. Dit ligt anders ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde. Gelet op het voorgaande, waaronder de filmpjes, de verklaring van verdachte zelf en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , welke de rechtbank betrouwbaar acht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op de hoogte was van het voornemen van [medeverdachte 2] om het chalet in brand te (laten) steken. Verdachte heeft zich daar niet aan onttrokken maar heeft zich er juist actief in gemengd door hiervoor zijn vriend [medeverdachte 1] te benaderen. Verdachte heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vervolgens met elkaar in contact gebracht. Daar hield zijn rol niet op. Uit de filmopname van 5 januari 2015 die is aangetroffen op de telefoon van de medeverdachte blijkt dat verdachte in de directe nabijheid van de medeverdachten was toen zij over de uitvoering van het voornemen om het chalet in brand te steken spraken op 5 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.