← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2015:7527

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/811270-12 beslissing van de rechtbank d.d. 24 november 2015 in de ontnemingszaak tegen [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), wonende te [woonplaats] , raadsman mr. Van Asselt, advocaat te Roosendaal. 1De procedure Op 10 november 2015 is de strafzaak behandeld tegen verdachte. De officier van justitie heeft hierbij ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. Deze vordering is gelijktijdig met de strafzaak behandeld, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hennepkwekerij en daarmee een voordeel heeft behaald ter hoogte van € 153.910,00. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport van de politie met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel. 3Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd en derhalve ook geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. 4Het oordeel van de rechtbank Verdachte is door de rechtbank bij vonnis van 24 november 2015 vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit. De rechtbank heeft kennis genomen van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 14 juli 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:2631) waarin het gerechtshof heeft geoordeeld dat er gelet op de vrijspraak van de gehele tenlastelegging geen grondslag is voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dient te worden afgewezen. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat – overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009: BG4258) – het openbaar ministerie in haar ontnemingsvordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e eerste lid jo artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. 5De beslissing De rechtbank: - verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze beslissing is gegeven door mr. Prenger, voorzitter, mr. De Kroon en mr. Huiskamp, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Van Beijsterveldt en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 november 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.