ECLI:NL:RBZWB:2015:8666
vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: 282039 / HA ZA 14-368 Vonnis van 16 december 2015 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DONGEN, zetelend te Dongen, eiseres, advocaat mr. A.J.H.W. Coppelmans, te Tilburg tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] , gevestigd te Amsterdam, 2. [gedaagde sub 2], wonende te Zaandam, gedaagden, advocaat mr. J. Blussé van Oud-Albas, te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de Gemeente Dongen en respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met 12 producties; de conclusie van antwoord met een productie; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek; akte na conclusie van dupliek van de zijde van de gemeente; antwoordakte van de zijde van [gedaagden] 1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten 2.1.
Op 16 april 2014 is het motorbeunschip “ [het schip] ” (hierna: het schip), eigendom van [gedaagde sub 1] , tegen de fietsbrug “Oversteek” over het Wilheminakanaal te Dongen gevaren. Doordat de achterste spudpaal niet tijdig naar beneden zakte, is het schip klem komen te zitten onder de fietsbrug. Hierdoor is schade ontstaan aan de fietsbrug die eigendom is van de gemeente. Ten tijde van de aanvaring werd het schip bestuurd door [gedaagde sub 2] .
2.2. [gedaagden] hebben de gemeente verwezen naar hun assurantiemakelaar Overvliet Assurantiemakelaars B.V. (hierna: Overvliet).
2.3.
Bij brief van 20 april 2011 heeft de gemeente Overvliet als verzekeraar van [gedaagden] aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van de aanvaring van het schip met de fietsbrug geleden schade.
2.4.
Overvliet heeft op 26 april 2011 ter inventarisatie en begroting van de schade de heer H. Gravendeel van Doldrums B.V. Marine & Technical Surveyors (hierna: Doldrums) ingeschakeld. Bij e-mail van 26 april 2011 heeft de heer M.J. Grandia van Overvliet de aansprakelijkstelling van de gemeente van 20 april 2011 doorgezonden naar de heer Gravendeel en verzocht om een opname van de schade aan de fietsbrug.
2.5.
Vervolgens heeft tussen de gemeente en de heer Gravendeel van Boldrums onder meer de navolgende correspondentie plaatsgevonden:
2.6.
Op 16 september 2013 heeft de gemeente telefonisch contact opgenomen met Overvliet. Overvliet heeft de gemeente toen medegedeeld dat zij het dossier heeft gesloten, omdat de vordering van de gemeente was verjaard.
2.7.
Bij brief van 14 februari 2014 aan Overvliet heeft de advocaat van de gemeente betwist dat de vordering van de gemeente is verjaard.
2.8.
Bij brief van diezelfde datum heeft de advocaat van de gemeente [gedaagden] gesommeerd tot vergoeding van de door de gemeente als gevolg van de aanvaring geleden schade ten bedrage van € 68.008,75.
3Het geschil 3.1.1.
Gemeente Dongen vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 68.044,65, vermeerderd met rente en kosten.
3.1.2.
De gemeente legt aan haar vordering het navolgende ten grondslag.
De aanvaring van het schip met de fietsbrug kan worden aangemerkt als een aanvaring in de zin van artikel 8:1001 jo 8:1002 BW. [gedaagde sub 1] is als eigenaresse van het schip op grond van artikel 8:1005 BW aansprakelijk voor de door de gemeente als gevolg van de aanvaring geleden schade. [gedaagde sub 2] is als bestuurder van het schip op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade. [gedaagde sub 2] heeft niet de nodige veiligheidsnormen in acht genomen door de achterste spudpaal op het schip niet tijdig te laten zakken en met een te hoge snelheid op de fietsbrug af te varen, zodat de onrechtmatige gedraging hem op grond van schuld kan worden toegerekend.
De gemeente stelt dat haar vordering niet is verjaard. [gedaagden] hebben de gemeente doorverwezen naar Overvliet en Overvliet heeft de gemeente op haar beurt weer doorverwezen door Doldrums. De verjaring is gestuit door de correspondentie die heeft plaatsgevonden tussen de gemeente en Doldrums, waaronder de schriftelijke aanmaningen van de gemeente aan Doldrums, en de (gedeeltelijke) erkenning door Doldrums van de aansprakelijkheid en de schade.
Subsidiair stelt de gemeente dat een beroep van [gedaagden] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij stelt in dat kader dat [gedaagden] op de dag van de aanvaring de aansprakelijkheid hebben erkend, dat er slechts discussie tussen partijen bestond over (de hoogte van) de schadeposten, dat Overvliet de gemeente zonder voorbehoud heeft verwezen naar Doldrums en dat er intensief overleg heeft plaatsgevonden tussen de gemeente en Doldrums.
3.2. [gedaagden] voeren het navolgende verweer.
In het onderhavige geval geldt de korte verjaringstermijn van twee jaar, omdat de bepalingen van aanvaring van toepassing zijn. De vordering van de gemeente is op grond van artikel 8:1790 BW verjaard. Nadat de aansprakelijkstelling door de gemeente in de brief aan Overvliet van 20 april 2011 hebben Overvliet of [gedaagden] tot september 2013 niets meer van de gemeente vernomen.
De communicatie die heeft plaatsgevonden tussen de gemeente en Doldrums stuit de verjaring niet omdat Doldrums alleen de taak had de omvang van de schade vast te stellen. Als expert ging hij niet over de aansprakelijkheid. Doldrums heeft zich ook nimmer gepresenteerd als vertegenwoordiger van [gedaagden] dan wel Overvliet. De gemeente heeft zich bovendien richting Doldrums niet ondubbelzinnig op stuiting van de verjaring beroepen. [gedaagden] betwist voorts dat zij en/of Overvliet de aansprakelijkheid voor de schade hebben erkend. Het beroep van [gedaagden] op verjaring is dan ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
De aanvaring is voorts veroorzaakt door een technische storing en kan niet worden toegerekend aan de schipper, Tijsterman.
4De beoordeling 4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat op het toebrengen van de schade aan de fietsbrug door het schip de bepalingen van artikel 8:1001 BW e.v. van toepassing zijn. Aangezien het hier schade als gevolg van een aanvaring met een binnenschip betreft, geldt ten aanzien van de vordering van de gemeente de verjaringstermijn van artikel 8:1793 BW. Dit is ook het geval voor zover de vordering is gegrond op een onrechtmatige daad van de schipper, [gedaagde sub 2] . De verjaringstermijn van twee jaar geldt dan ook.
Deze termijn begint met de dag volgend op de dag van het voorval. De tweejarige verjaringstermijn dus aangevangen op 17 april 2011. Dit betekent dat vóór 17 april 2013 een geldige stuitingshandeling moet hebben plaatsgevonden om verjaring van de rechtsvordering van de gemeente te voorkomen.
4.2.
Nadat [gedaagden] kort na de aanvaring de gemeente heeft verwezen naar hun assurantiemakelaar Overvliet, is er tussen de gemeente en [gedaagden] geen contact meer geweest. Tussen partijen staat vast dat Overvliet na deze verwijzing door [gedaagden] de behandeling van de schade als gevolg van de aanvaring van [gedaagden] heeft overgenomen. De gemeente heeft Overvliet bij brief van 20 april 2011 aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van de aanvaring geleden schade. Dit betekent dat vóór 21 april 2013 opnieuw een geldige stuitingshandeling jegens Overvliet moet hebben plaatsgevonden om verjaring van de rechtsvordering van de gemeente te voorkomen.
Na voornoemde aansprakelijkstelling van de gemeente van 20 april 2011 heeft er tot 16 september 2013 geen contact meer plaatsgevonden tussen de gemeente en Overvliet. Gelet hierop kan in het midden blijven of [gedaagden] op de dag van de aanvaring aansprakelijkheid hebben erkend. Een erkenning direct na de aanvaring heeft geen invloed op de verjaring. Ook na erkenning kan een vordering verjaren.
Overvliet heeft in de tussenliggende periode nimmer nadrukkelijk aansprakelijkheid aanvaard, noch heeft zij richting de gemeente andere handelingen verricht waaruit de gemeente in redelijkheid kon afleiden dat Overvliet aansprakelijkheid erkende. De gemeente heeft na haar aansprakelijkstelling verder contact gehad met de door Overvliet ingeschakelde schade-expert, de heer Gravendeel van Boldrums.
4.3.
De gemeente heeft er in redelijkheid niet van mogen uitgaan dat de contacten met deze expert stuiting van de verjaring tot gevolg hadden. Zoals ook blijkt uit de e-mail van Overvliet aan de heer Gravendeel van 26 april 2011 (productie 7 bij dagvaarding) heeft Overvliet de heer Gravendeel verzocht om de schade aan de fietsbrug op te nemen en de omvang van de schade vast te stellen. Gesteld noch gebleken is dat Overvliet de gemeente heeft medegedeeld dat zij de beoordeling en beslissing omtrent de aansprakelijkheid van [gedaagden] jegens de gemeente op haar beurt verder overliet aan Boldrums. Dit heeft de gemeente ook niet kunnen afleiden uit de door haar met de heer Gravendeel van Boldrums gevoerde correspondentie. Deze correspondentie, verkort weergegeven bij de feiten onder 2.5, heeft slechts betrekking op de vaststelling van de omvang van de schade en de beoordeling door de heer Gravendeel van door de gemeente opgevoerde schadeposten. De aansprakelijkheidsvraag is daarbij niet aan de orde geweest. De omstandigheid dat het voor de gemeente van meet af aan duidelijk was dat [gedaagden] aansprakelijk zijn voor de schade, heeft niet tot gevolg dat haar rechtsvordering niet kan verjaren en rechtvaardigt een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet. Dat beroep wordt dan ook verworpen.
4.1.3.
Er is meer dan twee jaar is verstreken tussen de aansprakelijkstelling van de gemeente van 20 april 2011 en het beroep op verjaring door Overvliet in september 2013. Tussentijds heeft geen erkenning van aansprakelijkheid door of namens [gedaagden] plaatsgevonden en zijn geen stuitingshandelingen door de gemeente verricht. Dit betekent dat het vorderingsrecht van de gemeente op grond van artikel 8:1793 BW is verjaard en dat haar vordering reeds hierom dient te worden afgewezen.
4.2.
De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op: griffierecht: € 1.892,- salaris advocaat: € 2.235,- (2,5 punten maal € 894,-) Totaal € 4.127,-.
5De beslissing De rechtbank:
5.1. wijst de vorderingen van de gemeente af;
5.2. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 4.127,-;
5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.