RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer AWB 14/1327 uitspraak van 8 februari 2016 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft aangifte loonbelasting gedaan over het tijdvak 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2013 van een af te dragen bedrag van € 6.043.023. Dit bedrag is door belanghebbende op 26 april 2013 afgedragen. Bij een door de inspecteur op 3 mei 2013 ontvangen brief heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de afdracht op aangifte. 1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak van 28 januari 2014 het bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen op 4 maart 2014 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. 1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Amsterdam en namens de inspecteur, [verweerder]. Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden. 1.7. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Bij brieven van 11 november 2015, 15 december 2015 en 1 februari 2016 is de uitspraakdatum met 6 weken verlengd. 2.Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende maakt onderdeel uit van de [A Groep]. [B BV] had tot 3 december 2013 100% van de aandelen in belanghebbende. Zij maakten tot oktober 2012 deel uit van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting [C BV] alsook de fiscale eenheid voor de omzetbelasting [C BV CS]. Na oktober 2012 maakte belanghebbende onderdeel uit van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting [D BV]. 2.2. Van het door belanghebbende onder 1.1 genoemde af te dragen bedrag van € 6.043.023 betreft € 926.179 een pseudo-eindheffing hoog loon (hierna ook: crisisheffing) als bedoeld in artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet). 2.3. Belanghebbende heeft over 2012 een totaal loon uit dienstbetrekking aangegeven van € 142.004.229, waarop € 49.003.765 aan loonheffingen is ingehouden. In 2013 bedroeg dit € 132.724.101 respectievelijk € 47.919.417. 2.4. In 2012 had belanghebbende 42 werknemers in dienst die een hoger loon uit tegenwoordige dienstbetrekking hadden dan € 150.000. 2.5. Uit de aangiften vennootschapsbelasting van de fiscale eenheid [C BV] waartoe belanghebbende behoorde blijkt onder meer het volgende: Jaar 2011 2012 (jan-sep) Winstreserves € 461.124.683 € 584.465.296 Som bedrijfsopbrengsten € 986.259.144 € 727.178.416 Af: lonen en salarissen € 299.824.959 € 222.490.130 Af: overige kosten € 712.016.710 € 509.608.118 Bij: saldo financiële baten en lasten € - 13.754.205 € - 2.753.250 Resultaat uit gewone bedrijfsvoering € - 39.336.730 € - 7.673.082 Bij: Resultaat uit deelnemingen € 4.514.323 € 132.527.373 Saldo fiscale winstberekening € - 34.822.407 € 124.854.291 2.6. De omzet van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting bedroeg volgens de aangiften omzetbelasting over de jaren 2010 t/m 2014 als volgt (in miljoenen euro’s): 2010 € 867 2011 € 867 2012 € 873 2013 € 675 2014 € 579 2.7. Het resultaat gewone bedrijfsvoering van de fiscale eenheid [D BV], waartoe belanghebbende vanaf oktober 2012 behoorde, bedroeg in 2012 € 9.294.081 en na resultaat deelnemingen bedroeg het saldo fiscale winst € - 571.301.889. 2.8. Uit de zogenoemde verkorte jaarrekeningen van belanghebbende over het jaar 2012 en 2013 blijkt dat het eigen vermogen in de jaren 2011 tot en met 2013 achtereenvolgens € 124.442 negatief, € 155.428 negatief en € 400.703 negatief bedroeg, en het netto resultaat over die jaren achtereenvolgens € 24.600 (negatief), € 44.965 (negatief) en € 29.238 (negatief) bedroeg (alle hiervoor genoemde cijfers x 1.000). 3Geschil 3.1. In geschil is of belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag loonbelasting heeft afgedragen. Meer in het bijzonder is in geschil of de crisisheffing in strijd is met: 1. de heffingssystematiek van) de Wet; 2. het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). 3. artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM; 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van de afgedragen loonbelasting tot een bedrag van € 926.179 en subsidiair voor een bedrag van € 502.414. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4Beoordeling van het geschil Strijd met (de heffingssystematiek van) de Wet? 4.1. Belanghebbende stelt in de kern dat (de heffingssystematiek van) de Wet geen mogelijkheid biedt voor de crisisheffing. 4.2. De rechtbank verwerpt dit standpunt, aangezien de Wet wel een afdoende basis biedt voor de crisisheffing. De rechtbank verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 2.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121 en rechtsoverweging 2.2. van het arrest van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124. Strijd met het gelijkheidsbeginsel? 4.3. Belanghebbende stelt dat de crisisheffing buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR. Zij voert daartoe verschillende vergelijkingen aan die er in de kern op neerkomen dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen dan wel gelijke behandeling van ongelijke gevallen. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. 4.4.1. Voor zover belanghebbende bij haar beroep op het gelijkheidsbeginsel uitgaat van een ongelijke behandeling tussen werknemers die in 2012 een loon genoten van meer dan € 150.000 en andere (rechts)personen met een hoog inkomen, faalt dit beroep, nu die gestelde ongelijke behandeling zich niet voordoet (zie rechtsoverweging 2.9.5. van het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124). 4.4.2. De door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling van gelijke gevallen dan wel gelijke behandeling van ongelijke gevallen is in alle overige vergelijkingen die belanghebbende maakt, in de kern terug te voeren op één of meer van de elementen waarvoor de wetgever gekozen heeft bij de vormgeving van de crisisheffing. Die elementen zijn: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.