RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers AWB 14/1467 en 15/1185 uitspraak van 16 maart 2016 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft aangifte loonbelasting gedaan over de tijdvakken 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2013 en 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 van de af te dragen bedragen € 5.452 (14/1467) respectievelijk € 12.201 (15/1185). Deze bedragen zijn door belanghebbende op 2 mei 2013 respectievelijk 29 april 2014 afgedragen. Bij door de inspecteur op 18 april 2013 respectievelijk 17 april 2014 ontvangen brieven heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de afdrachten op aangifte. 1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken van 28 januari 2014 respectievelijk 4 februari 2015 de bezwaren afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen op 10 maart 2014 (14/1467) respectievelijk 2 maart 2015 (15/1185) beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende griffierechten geheven van € 328 in 14/1467 en € 331 in 15/1185. 1.4. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. 1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [verweerder]. Belanghebbende is, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. 1.7. Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden. 1.8. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Bij brieven van 11 november 2015, 15 december 2015, 1 februari 2016 is de uitspraakdatum met telkens 6 weken verlengd. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende houdt zich volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel bezig met de aan- en verkoop, huur en verhuur en beleggen in onroerend goed, projectontwikkeling van onroerende goederen alsmede beleggen van vermogen in effecten, obligaties en of andere waardepapieren. 2.2. Belanghebbende vormt een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met verschillende andere vennootschappen. 2.3. [A] (hierna: [A]) houdt 100% van de aandelen in belanghebbende. De heffing van pseudo-eindheffing hoog loon in 2013 en 2014 ziet enkel op het loon van [A]. 2.4. Van het door belanghebbende onder 1.1 genoemde af te dragen bedragen van € 5.452 respectievelijk € 12.201 betreft € 5.200 respectievelijk € 4.800 de pseudo-eindheffing hoog loon (hierna ook: crisisheffing) als bedoeld in artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet). 2.5. Belanghebbende heeft over 2012 en 2013 een totaal loon uit dienstbetrekking aangegeven van € 197.360 respectievelijk € 200.525, waarop € 81.748 respectievelijk € 83.490 aan loonheffingen is ingehouden. 2.6. Uit de aangiften vennootschapsbelasting van de fiscale eenheid waartoe belanghebbende behoort, blijkt onder meer het volgende: Jaar 2011 2012 Winstreserves € -43.482.835 € - 48.279.410 Som bedrijfsopbrengsten € 962.626 € 2.298.264 Af: lonen en salarissen € 36.331 € 631.633 Af: overige kosten € 434.452 € 748.917 Bij: saldo financiële baten en lasten € - 4.298.582 € - 2.908.455 Resultaat € 4.651.341 € - 4.796.575 2.7. De omzet van belanghebbende bedroeg volgens de aangiften omzetbelasting over de jaren 2010 t/m 2013 als volgt: 2010 € 678.861 2011 € 1.728.520 2012 € 673.980 2013 € 1.465.384. 3Geschil 3.1. In geschil is of belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag loonbelasting heeft afgedragen. Meer in het bijzonder is in geschil of de crisisheffing in strijd is met: 1. de heffingssystematiek van) de Wet; 2. het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). 3. artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM; 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en teruggaaf van de afgedragen loonbelasting tot een bedrag van € 5.200 respectievelijk € 4.800 . De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. 4Beoordeling van het geschil Strijd met (de heffingssystematiek van) de Wet? 4.1. Belanghebbende stelt in de kern dat (de heffingssystematiek van) de Wet geen mogelijkheid biedt voor de crisisheffing. 4.2. De rechtbank verwerpt dit standpunt, aangezien de Wet wel een afdoende basis biedt voor de crisisheffing. De rechtbank verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 2.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121 en rechtsoverweging 2.2. van het arrest van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124. Strijd met het gelijkheidsbeginsel? 4.3. Belanghebbende stelt dat de crisisheffing buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR. Zij voert daartoe verschillende vergelijkingen aan die er in de kern op neerkomen dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen dan wel gelijke behandeling van ongelijke gevallen. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. 4.4.1. Voor zover belanghebbende bij haar beroep op het gelijkheidsbeginsel uitgaat van een ongelijke behandeling tussen werknemers die in 2012 onderscheidenlijk 2013 een loon genoten van meer dan € 150.000 en andere (rechts)personen met een hoog inkomen, faalt dit beroep, nu die gestelde ongelijke behandeling zich niet voordoet (zie rechtsoverweging 2.9.5. van het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124). 4.4.2. De door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling van gelijke gevallen dan wel gelijke behandeling van ongelijke gevallen is in alle overige vergelijkingen die belanghebbende maakt, in de kern terug te voeren op één of meer van de elementen waarvoor de wetgever gekozen heeft bij de vormgeving van de crisisheffing. Die elementen zijn: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.