RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 15/818 WET uitspraak van 18 april 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2015 (bestreden besluit) van het college inzake het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaren tegen de besluiten van 28 oktober
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 15 maart
- Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] . Overwegingen
- Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij afzonderlijke besluiten van 28 oktober 2014 heeft het college [buitengewoon ambtenaar1] , [buitengewoon ambtenaar2] , [buitengewoon ambtenaar3] , [buitengewoon ambtenaar4] en [buitengewoon ambtenaar5] met ingang van 28 oktober 2014 benoemd tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tholen. Op 3 december 2014 zijn genoemde personen daartoe door de rechtbank beëdigd. Eiser heeft bezwaar gemaakte tegen deze besluiten. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet is en dat door eiser, gelet op het bepaalde in artikel 8:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen beroep kan worden ingesteld.
- Eiser heeft verzocht om vernietiging van de benoemingsbesluiten van de vijf buitengewoon ambtenaren van de burgerlijke stand en in elk geval van de besluiten waarbij drie van hen met gewetenbezwaren tegen het sluiten van een huwelijk met hetzelfde geslacht zijn benoemd. Eiser heeft ter zitting betoogd dat hij als staatsburger het recht heeft om beroep in te stellen, omdat de benoemingsbesluiten in strijd met het recht zijn genomen.
- Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet is ambtenaar in de zin van deze wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Ingevolge artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb kan, voor zover hier van belang, geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig. Op grond van artikel 7:1 van de Awb, voor zover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.
- De rechtbank stelt vast dat eiser geen ambtenaar is als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet. Nu tegen het bestreden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 8:4, derde lid, van de Awb, voor eiser geen beroep openstaat, kan hij evenmin in zijn bezwaar tegen de besluiten van 28 oktober 2014 worden ontvangen, zodat het college eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het standpunt van eiser dat hij als staatsburger beroep mag instellen tegen onrechtmatige benoemingsbesluiten, vindt geen steun in het recht. Al hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd behoeft, gezien het voorgaande, geen bespreking.
- Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.