RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: 15/5538, 15/5539, 15/5540, 15/5541 en 16/157 uitspraak van 12 mei 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen 1. [naam eiser1] en [naam eiser2]te [plaats] , eisers sub 1; 2. [naam eiser3]te [plaats] , eiseres sub 2; 3. [naam eiser4]te [plaats] , eiseres sub 3; 4. [naam eiser5]te [plaats] , eiseres sub 4, gemachtigde: mr. A.C.P.M. van Dun, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Derde partij: de maatschap [naam maatschap] en [naam vergunninghouder], te [plaats] , vergunninghoudster. Gemachtigde: mr. drs. B.F.J. Bollen. Procesverloop Per formulier, gedateerd 19 december 2014 (hierna: aanvraag 1), heeft vergunninghoudster gevraagd om verlening van een vergunning voor de uitbreiding van een medisch centrum Ahoed de Blaak op het perceel Beeklaan 105-107 te [plaats] . Bij besluit van 6 maart 2015 (hierna: vergunning 1), verzonden op dezelfde datum, heeft het college aanvraag 1 gehonoreerd, door verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Op 13 maart 2015, 26 maart 2015 resp. 9 april 2015 hebben eisers, met uitzondering van eiseres [naam eiser2] , bezwaren tegen het primaire besluit gemaakt. Bij besluit van 30 juni 2015 (hierna: bestreden besluit), verzonden op 7 juli 2015, heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder gelijktijdige verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo toegevoegd. Op 17 augustus 2015 hebben eisers beroepen tegen het bestreden besluit ingesteld. Deze zaken staan bij de rechtbank bekend onder de nummers 15/5538 ( [naam eiser1] ), 15/5539 ( [naam eiser3] , 15/5540 ( [naam eiser4] ) en 15/5541 ( [naam eiser5] ). Per formulier, ontvangen op 16 oktober 2015 (hierna: aanvraag 2) heeft vergunninghoudster wederom gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het gebouw. In aanvraag 2 is de uitbreiding voorzien van een andere gevel dan in de eerder verleende vergunning 1. Bij besluit van 20 november 2015 (hierna: vergunning 2), verzonden op dezelfde dag, heeft het college aanvraag 2 gehonoreerd, door verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Op 29 december 2015 hebben eisers bezwaar tegen vergunning 2 gemaakt. Bij die gelegenheid hebben zij het college - onder verwijzing naar artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - verzocht om instemming met rechtstreeks beroep. Bij besluit van 11 januari 2016 heeft het college de gevraagde toestemming gegeven. De rechtbank acht het geschil over vergunning 2 geschikt voor rechtstreeks beroep. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer 16/157. De beroepen zijn gezamenlijk behandeld in Breda, ter zitting van 31 maart 2015. Eiser [naam eiser2] en eiseressen [naam eiser3] en [naam eiser4] waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde mr. A.C.P.M. van Dun. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.P.F. Warnier, [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] . Vergunninghoudster is gehoord bij monde van [naam vergunninghouder] en haar gemachtigde mr. drs. B.F.J. Bollen. Overwegingen 1. Vergunninghoudster exploiteert een huisartsenpraktijk in het pand op het perceel dat plaatselijk bekend staat als Beeklaan 105-107 te [plaats] . Zij wil het gebouw uitbreiden en daartoe een tweede bouwlaag realiseren, met het oog op uitbreiding van de huisartsen-praktijk. De tweede bouwlaag voorziet in een toename van het aantal behandelkamers. Aanvankelijk was het college van mening dat het bouwplan zonder meer past binnen de mogelijkheden die het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Blaak Oost 2007” biedt, dat de extra parkeerbehoefte kan worden opgevangen dankzij het naast het perceel gelegen parkeerterrein en dat overigens geen gronden voor afwijzing van aanvraag 1 bestaan. Dat heeft geleid tot het primaire besluit, waarbij tevens een ontheffing van artikel 2.5.30, eerste lid, van de gemeentelijke Bouwverordening is verleend. Tijdens de bezwaarfase is het college tot de conclusie gekomen dat het bouwplan zich voor een beperkt deel niet met het bestemmingsplan verdraagt. Die conclusie heeft geleid tot bestreden besluit 1, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1, sub a, van de Wabo vergunning is verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Tijdens de beroepsfase kreeg vergunninghoudster het inzicht dat de uitbreiding van het gebouw overeenkomstig het primaire besluit te duur zou worden. Daarom heeft zij aanvraag 2 ingediend. Daarin zal de bouwmassa van de tweede bouwlaag gelijk blijven, maar zullen het uiterlijk aanzien en de inpandige afwerking van die laag veranderen. Het college zag geen redenen voor afwijzing van aanvraag 2 en heeft daarom bestreden besluit 2 genomen. Bij dat besluit is zowel de onderbouwing als de grondslag van de op grond van de Bouwverordening verleende ontheffing gewijzigd. 2. Eisers wonen in de nabijheid van het perceel en hebben vanuit hun woningen zicht op de achtergevel van het gebouw. Zij vrezen dat hun woongenot door de realisatie van het bouwplan zal worden aangetast, onder meer vanwege de beperking van licht- en zoninval, vermindering van hun privacy en de toename van de parkeerdruk in hun straat. Zij hebben verzocht om vernietiging van het bestreden besluit en (uiteindelijk) de definitieve afwijzing van beide aanvragen. Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan in een grotere mate afwijkt van het bestemmingsplan dan het college veronderstelt en dat het college geen vergunning voor die afwijking had mogen verlenen. Voorts hebben zij betoogd dat er geen geldige reden is voor ontheffing van de – in artikel 2.5.30, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening neergelegde – parkeernorm. Daarnaast is volgens eisers het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand is en hebben zij zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen volledige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing van dit betoog hebben eisers onder meer gewezen op het gegeven dat het pand na de beoogde uitbreiding sterk lijkt op een blokkendoos. 3.1 Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. 3.2 Eiseres [naam eiser2] heeft geen bezwaarschrift ingediend. Haar gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat dit verzuim niet verschoonbaar is. De rechtbank zal daarom haar beroep niet-ontvankelijk dienen te verklaren. 4.1 Volgens vaste jurisprudentie zijn, indien hangende een bezwaar- of een beroepsprocedure met betrekking tot een omgevingsvergunning voor bouwen, bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag vergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere vergunning is verleend, op dat nadere besluit artikelen 6:19 van de Awb van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is. Van belang is daarbij dat voor een dergelijke wijziging van ondergeschikte aard volgens vaste jurisprudentie geen nieuwe bouwaanvraag behoeft te worden ingediend. 4.2 Naar het oordeel van de rechtbank is de wijziging van de gevel in aanvraag 2 van ondergeschikte aard. Vergunning 2 ziet niet alleen op de wijziging, maar op de uitbreiding van het medisch centrum met daarin een wijziging ten opzichte van vergunning 1. Deze vergunning 2 kan derhalve zelfstandig worden uitgevoerd. Het college heeft vergunning 1 niet ingetrokken, zodat vergunninghoudster thans beschikt over twee vergunningen voor beide varianten. Ter zitting heeft zij te kennen gegeven dat het bouwplan conform vergunning 2 uitgevoerd zal worden. De rechtbank zal daarom vergunning 1 intrekken en de daartegen gerichte bezwaren van eisers zullen worden geacht te zijn gericht tegen vergunning 2. 5.1 Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk te bouwen. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag van een bestemmingsplan af te wijken. 5.2 In het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Blaak Oost 2007”is aan het onderhavige perceel de bestemming ‘Maatschappelijk’ toegekend. Artikel 5.1.1 van de planvoorschriften bepaalt dat de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd zijn voor maatschappelijke instellingen en bouwwerken van algemeen nut. Krachtens artikel 5.2.2 van de planvoorschriften mogen - voor zover hier van belang – gebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven hoofdbebouwingsvlak worden gebouwd en mogen het bebouwingspercentage en de goot- en bouwhoogte binnen het hoofdbebouwingsvlak niet meer bedragen dan het op de plankaart aangegeven maximum. Blijkens de plankaart geldt voor het onderhavige perceel een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 8 meter. Op grond van artikel 5.4.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met inachtneming van de procedureregels in artikel 22.1 en de vrijstellingsvoorwaarden in artikel 5.4.3, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 5.2.2 onder c met betrekking tot de maximale goot- en bouwhoogte tot een maximum van 15 meter. Artikel 1, lid 27, onder a, van de planvoorschriften definieert ‘bouwhoogte’ van een gebouw - voor zover hier van belang - als de hoogte van een gebouw gemeten uit het hoogste punt boven het (straat-)peil. Artikel 1, lid 53, van planvoorschriften definieert ‘goothoogte’ als de hoogte waarop zich de snijlijn bevindt van een verticaal en een hellend vlak, waarbij die vlakken de begrenzing zijn van het toegestane bouwvolume. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de planvoorschriften wordt de goothoogte gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 5.3 De rechtbank stelt vast dat de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan niet voorschrijven dat een gebouw een dak met een hellend vlak moet hebben. Anders gezegd, het bestemmingsplan laat toe dat een gebouw een plat dak heeft. Indien een gebouw een dak heeft met een hellend vlak en de verticale vlakken en de hellende vlakken vormen de begrenzing van het toegestane bouwvolume, dan is sprake van een goothoogte als bedoeld in artikel 1, lid 53, van planvoorschriften die conform artikel 2, tweede lid, van de planvoorschriften moet worden gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot. 5.4 Indien, zoals in het onderhavige geval, een gebouw is voorzien van een dak met een hellend vlak en een plat dak, dan kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat dit gebouw een goothoogte heeft als bedoeld in artikel 1, lid 53, van planvoorschriften. De verticale en hellende vlakken vormen immers niet de begrenzing van het toegestane bouwvolume. Voor die begrenzing is ook het platte dak nodig. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom in deze situatie de enige hoogtebegrenzing gelegen in de bouwhoogte als bedoeld in artikel 1, lid 27, onder a, van de planvoorschriften. Het in geding zijnde bouwplan heeft een bouwhoogte van 7,20 meter en is daarmee niet in strijd met het bestemmingsplan. Dit betekent tevens dat het bouwplan zeker niet in een grotere mate afwijkt van het bestemmingsplan dan het college heeft verondersteld. 6.1 Artikel 2.5.30, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening bepaalt dat ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij een gebouw behoort, indien de omvang of de bestemming van dat gebouw daartoe aanleiding geeft. Artikel 2.5.30, tweede lid, van de bouwverordening bepaalt dat slechts aan het eerste lid wordt voldaan indien het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor parkeren of stallen van auto’s is bepaald overeenkomstig de normen en werkwijze in de ‘Notitie parkeernormen 2003’, zoals vastgesteld op 30 maart 2004 of zoals deze laatstelijk is vastgesteld. Laatstelijk op 25 juli 2012 heeft de gemeenteraad van Tilburg de ‘Notitie parkeernormen 2011’ vastgesteld. Volgens artikel 2.5.30, vijfde lid, eerste volzin, van de bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het vierde lid: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.