RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers: BRE 15/1548 tot en met 15/1553 en 15/2758 tot en met 15/2761 uitspraak van 20 januari 2016 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar. De bestreden uitspraken op bezwaar De in één geschrift vervatte uitspraken van de heffingsambtenaar van: - 6 februari 2015 op de bezwaren van belanghebbende tegen – onder meer – de aan haar opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [plaats X] (hierna: [adres 1]); - 31 maart 2015 op de bezwaren van belanghebbende tegen – onder meer – de aan haar opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelasting voor het jaar 2012 voor de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 2] te [plaats Y] (hierna: [adres 2]); en - 3 april 2015 op de bezwaren van belanghebbende tegen – onder meer – de aan haar opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelasting voor het jaar 2013 voor de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 3] te [plaats Y] (hierna: [adres 3]). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende haar bestuurders [A] en [B] (de voorzitter) en ter bijstand [C] (de directeur) en [D], en namens de heffingsambtenaar: [verweerder]. De zaaknummers BRE 15/1548 tot en met 15/1553 en 15/2758 tot en met 15/2761 zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak is verzonden. Ter zake van de beroepen met zaaknummers 15/1548 tot en met 15/1553 heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. Ter zake van de beroepen met zaaknummers 15/2758 tot en met 15/2761 heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. 1Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen tegen de aanslagen onroerende-zaakbelasting 2013 betreffende [adres 3] (zaaknummers 15/2760 en 15/2761) gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar van 3 april 2015 voor zover deze zien op de aanslagen onroerende-zaakbelasting 2013 betreffende [adres 3]; vernietigt de aanslagen onroerende-zaakbelasting 2013 betreffende [adres 3]; verklaart de overige beroepen ongegrond; gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht tot een bedrag van € 331 aan haar vergoedt. 2Gronden 2.1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van [adres 1] voor de volgende kalenderjaren als volgt vastgesteld: Dagte- kening Aanslag- nummer Kalenderjaar Waardepeil-datum Waarde 31-12-2014 [aanslagnummer 1] 2012 1-1-2011 € 2.750.000 28-02-2013 [aanslagnummer 2] 2013 1-1-2012 € 3.786.000 28-02-2014 [aanslagnummer 3] 2014 1-1-2013 € 3.708.000 2.1.2. De heffingsambtenaar heeft ten behoeve van de [adres 1] de volgende aanslagen onroerende-zaakbelastingen aan belanghebbende opgelegd: Zaak- nummer Dagtekening Aanslagnr. Kalenderjaar Onroerende-zaakbelasting Bedrag 15/1548 31-12-2014 [aanslagnummer 1] 2012 gebruiker € 4.922,50 15/1549 31-12-2014 [aanslagnummer 4] 2012 eigenaar € 5.923,50 15/1550 30-09-2014 [aanslagnummer 5] 2013 gebruiker € 7.083,61 15/1551 30-09-2014 [aanslagnummer 6] 2013 eigenaar € 8.526,07 15/1552 30-09-2014 [aanslagnummer 7] 2014 gebruiker € 7.352,96 15/1553 30-09-2014 [aanslagnummer 8] 2014 eigenaar € 8.851,00 2.1.3. Bij uitspraken op bezwaar van 6 februari 2015 heeft de heffingsambtenaar de onder 2.1.1 vermelde waarde voor de jaren 2012, 2013 en 2014 verlaagd tot respectievelijk € 2.631.000, € 3.667.000 en € 3.548.000. Volgens de heffingsambtenaar was er te veel grond bij de waardering meegenomen. De onder 2.1.2 vermelde aanslagen onroerende-zaakbelasting zijn dienovereenkomstig verminderd. 2.2. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 augustus 2014 op grond van artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van [adres 2], per waardepeildatum 1 januari 2011, vastgesteld voor het kalenderjaar 2012 op € 4.834.000. In het desbetreffende geschrift is met aanslagnummer [aanslagnummer 9] ook de aanslag onroerende-zaakbelasting gebruiker bekendgemaakt (zaaknummer 15/2758). De aanslag onroerende-zaakbelasting eigenaar is bij separate beschikking met aanslagnummer [aanslagnummer 10] aan belanghebbende bekendgemaakt (zaaknummer 15/2759). In de uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde en de aanslagen gehandhaafd. 2.3. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 30 september 2014 op grond van artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van [adres 3], per waardepeildatum 1 januari 2012, vastgesteld voor het kalenderjaar 2013 op € 729.000. In het desbetreffende geschrift is met aanslagnummer [aanslagnummer 6] ook de aanslag onroerende-zaakbelasting gebruiker bekendgemaakt (zaaknummer 15/2760). De aanslag onroerende-zaakbelasting eigenaar is bij separate beschikking met aanslagnummer [aanslagnummer 11] aan belanghebbende bekendgemaakt (zaaknummer 15/2761). De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de waarde verlaagd tot € 632.000 en heeft de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. 2.4. Belanghebbende is eigenaar van [adres 1]. [adres 1] betreft een crematorium, urnentuinen en strooivelden. Het perceel is 29.053 m2 groot. Het gebouw van het crematorium heeft onder meer een grote en een kleine aula, dienstruimten, kantoren en ovens. De heffingsambtenaar heeft ter zake van [adres 1] de gebouwde onderdelen van het crematorium en daaraan dienstbare grond van 5.148 m2 (hierna: crematorium [adres 1]) in de waardering voor de Wet WOZ meegenomen. 2.5. [adres 2] betreft een crematorium. Naast het crematorium ligt een begraafplaats met een aula. Belanghebbende heeft recht van erfpacht op zowel het perceel van het crematorium als op het perceel van de begraafplaats. Belanghebbende is zakelijk gerechtigde tot de opstallen op voormelde percelen. De gemeente [plaats Y] is eigenaar van de betreffende percelen. Het crematoriumgebouw bestaat uit een grote aula, een ontvangstruimte, ovens en werkkamers. 2.6. [adres 3] betreft de onder 2.5 vermelde begraafplaats. 2.7. Ter zitting is komen vast te staan dat de beroepen geen betrekking hebben op de WOZ-waarden van [adres 1], [adres 2] en [adres 3] en evenmin op de aanslagen watersysteemheffingen die op sommige aanslagbiljetten en in sommige uitspraken op bezwaar zijn vermeld. 2.8. Tussen partijen zijn uitsluitend de aanslagen onroerende-zaakbelastingen in geschil. Meer specifiek is het antwoord op de volgende vragen in geschil: Is een vrijstellingsbepaling zoals die is opgenomen in de desbetreffende gemeentelijke verordening van toepassing? Slaagt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel? Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel? Is sprake van schending van het motiveringsbeginsel? Verordeningen 2.9. Artikel 3 van de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelasting van de gemeente [plaats X] voor het jaar 2012 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: ‘ Vrijstellingen 1. In afwijking (…) wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: (…); c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst (…); (…) l. begraafplaatsen en urnentuinen, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.’ 2.10. In de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelasting van de gemeente [plaats X] voor de jaren 2013 en 2014 is de in 2.9 weergegeven bepaling onder artikel 4 van de desbetreffende verordeningen opgenomen. 2.11. Artikel 3 van de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelasting 2012 van de gemeente [plaats Y] luidt, voor zover hier van belang, als volgt: ‘ Vrijstellingen 1. In afwijking (…) wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: (…); c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst (…); (…) m. begraafplaatsen en urnentuinen, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.’ Met betrekking tot [adres 3] te [plaats Y] 2.12. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat op grond van artikel 3, lid 1 aanhef en onderdeel m van de verordening de aanslagen onroerende-zaakbelasting ten behoeve van de [adres 3] dienen te worden vernietigd. De beroepen betreffende die aanslag zijn daarom gegrond. “Openbare erediensten”-vrijstelling en gelijkheidsbeginsel; [adres 1] en [adres 2] 2.13. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 4 december 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC4804) is een onroerende zaak in hoofdzaak bestemd voor de openbare erediensten indien deze daarvoor voor meer dan 70% wordt gebruikt. De stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat van dit laatste sprake is, rust op belanghebbende. 2.13.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in de aula’s van de crematoria met zeer grote regelmaat plechtigheden plaatsvinden met een geestelijke of een ritueel begeleider. Tevens stelt belanghebbende dat uitvaartplechtigheden voor 90% of meer openbaar zijn. Indien nabestaanden expliciet aangeven dat de dienst niet openbaar is, dan wordt dat kenbaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat wel sprake is van erediensten, maar dat deze niet openbaar zijn. Tevens wordt volgens de heffingsambtenaar niet aan het hoofdzakelijkheidcriterium voldaan. 2.13.2. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank laat in het midden of indien een plechtigheid plaatsvindt onder religieuze (bege)leiding in een aula, er sprake is van openbare eredienst. De rechtbank is namelijk van oordeel dat ook indien dat geval is, belanghebbende met hetgeen zij stelt niet aannemelijk heeft gemaakt dat [adres 1] onderscheidenlijk [adres 2] in hoofdzaak - wat betekent voor meer dan 70% - voor openbare erediensten wordt gebruikt. Immers in het gebouw van crematorium [adres 1] bevinden zich naast twee aula’s, ook dienstruimten, kantoren en ovens (zie 2.4) en in het gebouw van [adres 2] bevinden zich ook werkkamers en ovens. Bovendien vinden niet alle plechtigheden onder religieuze (bege)leiding plaats, althans belanghebbende heeft dit niet gesteld. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het hoofdzakelijkheidscriterium wordt voldaan, komt zij ter zake van zowel [adres 1] als [adres 2] niet in aanmerking voor de “openbare erediensten”-vrijstelling. 2.14. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij recht heeft op toepassing van de vrijstelling aangezien de heffingsambtenaar de aanslag onroerende-zaakbelasting van de Protestantse begraafplaats te [plaats X] voor een aula op een begraafplaats tot nihil heeft verminderd. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat die aanslag niet is vernietigd op grond van de “openbare erediensten”-vrijstelling, maar op grond van de vrijstelling voor begraafplaatsen omdat de aula dienstbaar is aan begraafplaats. Van een ongelijke behandeling met betrekking tot de “openbare erediensten”-vrijstelling is derhalve geen sprake. Begraafplaats/urnentuin-vrijstelling en gelijkheidsbeginsel; [adres 1] 2.15. Belanghebbende stelt voorts dat op het perceel waarop crematorium [adres 1] zich bevindt, zich ook een algemene begraafplaats, een Islamitische begraafplaats en urnentuinen bevinden. De aula’s van crematorium [adres 1] worden volgens belanghebbende ook voor diensten ten behoeve van die begraafplaatsen gebruikt. Nu in artikel 3 (voor 2013 en 2014 artikel 4), lid 1 aanhef en onderdeel l van de verordening begraafplaatsen en urnentuinen zijn vrijgesteld voor de onroerende-zaakbelasting, kan in verband met crematorium [adres 1] een beroep op die vrijstelling worden gedaan. Een crematorium is immers geen ‘woning’, waarvoor ter zake in de verordening expliciet een uitzondering wordt gemaakt op de vrijstelling, aldus belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift gesteld dat crematoria geen uitgezonderde objecten zijn bij de waardebepaling ten behoeve van de Wet WOZ. Voor de waardering van crematoria voor de Wet WOZ verwijst de heffingsambtenaar naar de landelijke taxatiewijzers voor crematoria. Daarbij worden getaxeerd: aula, opslagruimten, crematorium en portiersloge. Niet getaxeerd worden begraafplekken, grafkelders, grafmonumenten, grafstenen, urnenmuren, strooivelden en wegen op de begraafplaats. Een crematorium kan volgens de heffingsambtenaar geen beroep doen op de begraafplaats/urnentuin-vrijstelling. 2.15.1. De rechtbank overweegt als volgt. [adres 1] is een samenstel van gebouwde (crematorium) en ongebouwde (strooivelden en urnentuinen) eigendommen. De omstandigheid dat voor de afbakening van de Wet WOZ en onroerende-zaakbelasting dat samenstel van eigendommen als één onroerende zaak wordt aangemerkt, neemt niet weg dat het crematorium een zelfstandig eigendom is en geen (onder)deel is van de urnentuinen en strooivelden. Gelet hierop is het niet relevant dat in artikel 3 (voor 2013 en 2014: artikel 4), onderdeel l van de verordening alleen een woning is uitgezonderd en niet ook het crematorium. Verder kunnen de door belanghebbende aangevoerde niet tot de onroerende zaak behorende begraafplaatsen niet meebrengen dat [adres 1] onder de begraafplaats/urnentuin-vrijstelling valt, nu dat andere onroerende zaken zijn. Belanghebbende komt derhalve niet in aanmerking voor de genoemde vrijstelling. 2.15.2. Belanghebbende beroept zich voorts tevergeefs op het gelijkheidsbeginsel in verband met de aula van Protestantse begraafplaats te [plaats X]. Voor die aula is de vrijstelling toegepast omdat de aula volgens de heffingsambtenaar ten dienste staat aan de begraafplaats (zie 2.14). Met betrekking tot het crematorium kan echter niet worden gezegd dat het ten dienste staat van de omliggende urnentuinen (en strooivelden). Vertrouwensbeginsel; [adres 2] 2.16. Voor het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met [adres 2] heeft belanghebbende aangevoerd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.