RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/800728-15 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1932 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) wonende te [adres] thans gedetineerd in het penitentiair psychiatrisch centrum te Vught raadsman mr. W.A. Lensink advocaat te Bergen op Zoom 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging Verdachte staat terecht, terzake dat: primair: hij op of omstreeks 04 november 2015 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans een dergelijk scherp en/of puntig voorwerp, meermalen heeft gestoken in de richting van de borststreek, althans het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair: hij op of omstreeks 04 november 2015 te Roosendaal aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door met een mes, althans een dergelijk scherp en/of puntig voorwerp, meermalen te steken in de richting van de borststreek en/of in de (linker)hand, althans het lichaam van die [slachtoffer] ; tweede subsidiair: hij op of omstreeks 04 november 2015 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een dergelijk scherp en/of puntig voorwerp, meermalen heeft gestoken in de richting van de borststreek en/of in de (linker)hand, althans het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de borststreek van [slachtoffer] en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris en de eigen verklaring van verdachte dat hij probeerde om [slachtoffer] in zijn hart te steken en [slachtoffer] wilde doden. De officier van justitie heeft tevens gewezen op de foto’s van het mes in het dossier en daarbij aangevoerd dat als iemand met dat mes in de borstkas wordt gestoken, de kans groot is dat die persoon komt te overlijden. Naar de mening van de officier van justitie is er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om te komen tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en heeft verzocht verdachte daarvan vrij te spreken. De raadsman heeft daarbij gewezen op de plattegrond van de plaats delict, de door de verdediging ingebrachte foto’s van de plaats delict en de verklaring van [getuige] dat verdachte achter het muurtje stond toen zij hem zag. Daaruit kan volgens de raadsman worden afgeleid dat er sprake was van een behoorlijke ruimte waarin het feit zich heeft afgespeeld en een afstand van ruim drie meter tussen de plaats waar [slachtoffer] stond en waar [getuige] verdachte achter het muurtje zag staan. Nu de bloedsporen blijkens de foto’s nog geheel intact zijn, kan dat naar de mening van de raadsman tot geen andere conclusie leiden dan dat er steeds sprake is geweest van een behoorlijke afstand tussen [slachtoffer] en verdachte. Deze afstand alleen al heeft eraan in de weg gestaan dat verdachte [slachtoffer] zodanig had kunnen raken dat hij er rekening mee moest houden dat dit dodelijk letsel tot gevolg zou kunnen hebben. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer] zich volgens zijn verklaring heeft verweerd tegen de stekende bewegingen van verdachte door naar het mes te grijpen, hetgeen tot een snijwond aan de binnenzijde van zijn hand heeft geleid. De wond in de hand van [slachtoffer] is volgens de raadsman dan ook niet door steken ontstaan maar betreft een snijwond die is ontstaan door het pakken van (in) het mes. Ook ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling kan de rechtbank naar de mening van de raadsman niet tot een bewezenverklaring komen. Het steken in de richting van de borststreek van [slachtoffer] met een mes kan volgens de raadsman bij gebreke van enig daardoor veroorzaakt letsel niet als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Ten aanzien van het letsel aan de linkerhand van [slachtoffer] heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op het voorspoedige en algehele herstel, dit niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de onder tweede subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank [slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij verdachte op 4 november 2015 tegen kwam bij de lift in de flat in Roosendaal waar beiden wonen. Hij zag een mes liggen op de rollator van verdachte. Hij zag dat verdachte ineens naar het mes greep. Vervolgens maakte verdachte verschillende stekende bewegingen richting de borstkas van [slachtoffer] . Verdachte stond achter zijn rollator toen hij dit deed en moest echt naar voren hangen om bij hem te komen. Het betrof steken en niet zwaaien. [slachtoffer] probeerde het mes af te weren met zijn hand. Hij voelde meteen pijn aan zijn hand en zag het bloed eruit spuiten. De binnenkant van zijn handpalm lag open. De wonden aan de bovenzijde van zijn hand zijn veroorzaakt door de stekende bewegingen van verdachte. [getuige] was op dat moment in de flat aanwezig en hoorde geschreeuw. Zij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat ze de trap afrende en [slachtoffer] zag staan. Hij had zijn ene arm omhoog voor zijn gezicht, als het ware om zich af te weren, en zijn andere arm bloedde erg. Toen [getuige] omkeek zag zij verdachte staan met een mes. Verdachte maakte een stekende beweging naar boven. Feitelijk steunde hij steeds met twee handen op de handvatten van zijn rollator met dan in zijn rechterhand het mes. Vanuit die houding maakte hij stekende bewegingen om vervolgens met die rechterhand te gaan steunen. Blijkens de medische verklaring heeft [slachtoffer] meerdere (diepe) snijwonden in zijn hand die gehecht moesten worden. Verdachte heeft verklaard dat hij uit de lift kwam en [slachtoffer] zag staan. Hij pakte het mes en stak [slachtoffer] . Hij wilde [slachtoffer] doden en mikte op zijn hart. Gelet op bovenstaande verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] meerdere malen probeerde te steken en dat [slachtoffer] zich daarbij heeft afgeweerd, waardoor de wonden in zijn handpalm en op zijn hand zijn ontstaan. Op dat moment kwam [getuige] ter plaatse. Zij zag dat de hand van [slachtoffer] bloedde. De verklaring van [slachtoffer] dat verdachte meerdere malen heeft proberen te steken, ook richting de borststreek, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] en de medische informatie. Nu verdachte met een mes steekbewegingen heeft gemaakt richting de borststreek van [slachtoffer] en zelf heeft verklaard dat hij [slachtoffer] wilde doden en op het hart van [slachtoffer] mikte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op het doden van [slachtoffer] . Het verweer van de raadsman dat verdachte [slachtoffer] nooit had kunnen raken gaat, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, naar het oordeel van de rechtbank niet op. De raadsman baseert zijn verweer met name op de verklaring van [getuige] . De rechtbank gaat er echter vanuit dat, op het moment dat [getuige] kwam, de poging doodslag waarbij aangever gewond is geraakt aan zijn hand, reeds had plaatsgevonden. Ook het verweer van de raadsman dat er geen sprake is van steken maar van snijden wordt, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, verworpen. Het feit dat [slachtoffer] in het mes greep toen hij probeerde zich af te weren en daarbij snijwonden heeft opgelopen, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de stekende bewegingen die verdachte met het mes heeft gemaakt in de richting van de borststreek van [slachtoffer] . 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte primair: hij op of omstreeks 04 november 2015 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans een dergelijk scherp en/of puntig voorwerp, meermalen heeft gestoken in de richting van de borststreek, althans het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. 5.2 De strafbaarheid van verdachte 5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van de rapportages gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging nu hij ten tijde van het ten laste gelegde feit als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. 5.2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan de conclusies van de deskundigen. 5.2.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Omtrent de persoon van verdachte zijn rapportages opgesteld door C. Doornhein en S. Labrijn, beiden GZ-psycholoog, gedateerd 16 juni 2016, en door J.L.M. Dinjens, psychiater, gedateerd 20 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.