RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familierecht Middelburg zaak/rekestnr: C/02/283629/ FA RK 14-4197zaak/rekestnr: C/02/304549/ FA RK 15-5911 beschikking d.d. 20 juli 2016 in de zaak van [de vader] (hierna: de man) wonende te [adres] , verzoeker, advocaat: mr. J.A.B. van Dam te Goes, tegen [de moeder] (hierna: de vrouw) wonende te [adres] , verweerster, advocaat: thans mr. E. Sijnesael te Middelburg, voorheen mr. M.E. Blesgraaf. 1. Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het verzoekschrift tot echtscheiding, met bijlagen, ingekomen op 20 juni 2014; - de brief d.d. 5 september 2014 van Juvent; - het verslag, met bijlagen, van Juvent, ingekomen op 5 maart 2015; - de brief d.d. 27 maart 2015 van mr. van Dam; - het verweerschrift tevens voorwaardelijke tegenverzoeken, ingekomen op 12 mei 2015; - het verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken tevens aanvullend verzoek, ingekomen op 5 juni 2015; - het verweerschrift tegen aanvullende verzoeken, ingekomen op 6 augustus 2015; - de brief d.d. 7 augustus 2015 van mr. Van Dam, inhoudende een vermeerdering van verzoeken; - de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 17 augustus 2015; - de brief, met aanvullende stukken, d.d. 5 oktober 2015 van mr. Van Dam; - het formulier Verdelen en verrekenen van de zijde van de vrouw, ingekomen op 13 oktober 2015; - het rapport en advies van de Raad d.d. 19 oktober 2015; - de brief, met bijlagen, d.d. 10 maart 2016 van mr. van Dam, tevens inhoudende een vermeerdering van eis; - de brief, met aanvullend stuk, d.d. 11 maart 2016 van mr. Van Dam; - de brief, met aanvullende stukken, d.d. 18 maart 2016 van mr. Sijnesael; - het proces-verbaal van de zitting d.d. 29 maart 2016; - de brief, met aanvullende stukken, d.d. 11 april 2016 van mr. Sijnesael; - het F9-formulier d.d. 12 april 2016 van mr. Sijnesael; - de brief, met aanvullende stuk, d.d. 22 april 2016 van mr. Van Dam; - het F9-formulier d.d. 26 april 2016 van mr. Sijnesael. 1.2 Tussen partijen zijn voorlopige voorzieningen getroffen. 2De feiten 2.1 Partijen, Nederlanders, hebben op 9 augustus 2012 hun partnerschapsregistratie omgezet in een huwelijk. 2.2 Partijen hebben de navolgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] . 3Het geschil 3.1 De man verzoekt thans -na aanvulling en wijziging- de echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, een zorg- en contactregeling vast te stellen die inhoudt dat de kinderen op de vrije dagen van de man van 12:00 uur op de eerste vrije dag tot 18:30 uur op de laatste vrije dag alsmede gedurende de helft van de vakantie- en feestdagen bij hem verblijven, waarbij geldt dat de vrouw de kinderen voor aanvang van het contactmoment naar de man zal brengen en de man hen na afloop naar de vrouw zal terugbrengen, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen zorg- en contactregeling vast te stellen. Voorts verzoekt de man de gemeenschap van goederen te verdelen conform de alinea’s 5 tot en met 28 van het verweerschrift tevens aanvullend verzoek, ingekomen op 5 juni 2015, alsmede: - de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.092,-- aan de man, althans een in goede justitie door uw rechtbank te bepalen bedrag, ter zake van de schenking; - partijen te gebieden binnen veertien dagen na de in deze te wijzen beschikking hun medewerking te verlenen aan het te koop zetten van de woning aan de [adres] ; - de vrouw te gelasten om binnen veertien dagen na de in deze te wijzen beschikking tot ondertekening van de overeenkomst van opdracht met de makelaar over te gaan en de sleutel van de woning aan de makelaar ter beschikking te stellen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,--; - te bepalen dat de woning bij [de makelaar] te koop zal worden gezet voor een vraagprijs van € 247.500,-- en daarbij te bepalen dat partijen bij de start van het verkooptraject een minimum verkoopprijs vaststellen waarbij het advies van de makelaar over de hoogte van deze minimumprijs wordt gevolgd; - de vrouw te veroordelen om de woning open te stellen voor bezichtigingen, het maken van foto’s en alles wat nodig is om de woning op goede wijze te verkopen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 50.000,--; - de man dan wel de makelaar te machtigen zich toegang tot de woning te verschaffen, zo nodig door de sloten te vervangen, om zo de woning te kunnen betreden voor het maken van foto’s en dergelijke en de woning open te stellen voor bezichtigingen en dergelijke; - de vrouw te veroordelen om de uiteindelijke koopovereenkomst met betrekking tot voornoemde woning te ondertekenen, bij gebreke waarvan de in deze te wijzen beschikking in plaats treedt van de benodigde handtekening van de vrouw; - de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de levering van de voornoemde woning aan derden, bij gebreke waarvan de in deze te wijze beschikking in plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële leveringsakte; - de vrouw te veroordelen om de woning uiterlijk één week voor levering van de woning aan derden leeg en ontruimd en in goede staat ter beschikking te stellen en de woning te verlaten en niet verder te betreden, en de man te machtigen om zo nodig met behulp van de sterke arm de woning te ontruimen; - de vrouw te veroordelen om de helft van de kosten verbonden aan de verkoop van de woning te voldoen; - te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 april 2014, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen datum, gehouden is maandelijks een bedrag van € 88,51, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, aan de man te betalen ter zake van een gebruiksvergoeding; - de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.327,65 aan de man, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, ter zake van de gebruiksvergoeding over de periode april 2014 tot en met mei 2015. 3.2 De vrouw verzoekt tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn, te bepalen dat de contacten tussen de man en de minderjarigen via het omgangshuis worden opgebouwd, althans op basis van het advies van de Raad een alternatieve regeling vast te stellen en daarbij uit te gaan van een geleidelijke opbouw. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw een door de man met ingang van de te wijzen beschikking te betalen kinderbijdrage van € 282,-- per kind per maand vast te stellen alsmede een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 519,-- bruto per maand (€ 253,-- bruto per maand zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht), zulks met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts verzoekt zij: - de gemeenschap van goederen te verdelen conform het verzoek door de vrouw en te bepalen dat: - de voormalig echtelijke woning door partijen te koop wordt aangeboden bij [de makelaar] voor een vraagprijs van € 247.500,-- waarbij de (makelaars-)kosten door partijen bij helfte worden voldaan en met de verkoopprijs de op de woning rustende hypotheek wordt afgelost; - tot de datum van verkoop van de woning de volledige woonlasten van de voormalige echtelijke woning (te weten hypotheeklasten ad € 912,--, gemeentelijke heffingen en de heffingen van het waterschap) door partijen bij helfte zullen worden voldaan; - partijen een eventueel na verkoop van de voormalige echtelijke woning resterend inleg-depot, het opgebouwde spaarsaldo betreffende de hypotheek en een eventuele overwaarde of restschuld bij helfte zullen verdelen; - partijen de tot hun huwelijksgoederengemeenschap behorende inboedel conform door de vrouw aangeleverde inboedellijst (productie 6) zullen verdelen; - het motorvoertuig van het merk Ford type Focus met kenteken [nummer] aan de vrouw wordt toebedeeld; - de aandelen op naam van de man aan de man worden toebedeeld; - de man aan de vrouw ten aanzien van achterstallige kinderalimentatie en hypotheeklasten € 937,-- verschuldigd is; - partijen de saldi op hun respectievelijke bankrekeningen zonder nadere verrekening zullen behouden, althans dat het saldo op de bankrekeningen wordt geacht reeds verevend te zijn. De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte contactregeling alsmede de verdeling van de gemeenschap van goederen. 3.3 Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan. 4De beoordeling In de zaak met rek.nr. FA RK 14-4197: Ontvankelijkheid; 4.1 Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 RV). 4.2 Na binnenkomst van het verzoek- en verweerschrift heeft de rechtbank, hoewel niet uitdrukkelijk aan partijen medegedeeld, op grond van de standpunten van partijen geoordeeld dat van de man redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij binnen een redelijke termijn alsnog een ouderschapsplan overlegt dat voldoet aan alle vereisten van artikel 815 lid 3 RV. De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoeken. Echtscheiding; 4.3 Beide partijen verzoeken de echtscheiding uit te spreken. Gesteld is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal derhalve, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Hoofdverblijf minderjarigen; 4.4 Nu beide partijen verzoeken het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw vast te stellen en dit verzoek de rechtbank in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt, zal de rechtbank dit verzoek op onderstaande wijze toewijzen. Zorgregeling; 4.5 Reeds bij proces-verbaal van de zitting d.d. 29 maart 2016 is de zaak ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen aangehouden en verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 20 december 2016. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich op die rol uit te laten omtrent het verloop van de contacten tussen de man en de minderjarigen en de, eventueel door Juvent gefaciliteerde, gesprekken tussen hen beiden. Voorts kunnen partijen zich op die roldatum uit te laten omtrent het door hen gewenste verdere procesverloop. Kinderalimentatie; 4.6 De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten grondslag dat de minderjarigen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen. 4.7 In geschil is de behoefte van de minderjarigen en de draagkracht van de onderhoudsplichtigen om in die behoefte te voorzien. Behoefte minderjarigen; 4.8 Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: de expertgroep). 4.9 Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat ter bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2013, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. Uitgegaan wordt van de tarieven 2014_1. 4.10 Tussen partijen staat vast dat het NBI van de man in 2013 € 3.092,-- bedroeg. 4.11 Blijkens de jaaropgaaf over 2013 had de vrouw een inkomen van € 20.235,= per jaar. In fiscaal opzicht wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving van partijen op een bedrag van € 1.558,-- per maand. 4.12 Het NBI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 4.650,-- per maand. De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen rekening gehouden dient te worden met de netto kosten voor de kinderopvang. Nu in onderhavige situatie sprake is van een alleenstaande ouder met relatief hoge opvangkosten, houdt de rechtbank, conform de aanbevelingen van de expertgroep, rekening met die (netto) kosten. Echter, de rechtbank zal eerst, anders dan de vrouw doet, conform de aanbevelingen van de expertgroep, de opvangkosten vóór de scheiding aftrekken van het hiervoor vermelde NBI. Door de man is onbetwist gesteld dat tijdens de samenleving van partijen de opvangkosten ongeveer € 200,-- per maand bedroegen. De rechtbank gaat voor de berekening van de behoefte van de minderjarigen dan ook uit van een NBI van € 4.450,-- per maand. 4.13 Bij voormeld NBI dient het eventueel door partijen ontvangen kindgebonden budget te worden opgeteld. Gesteld noch gebleken is echter dat partijen ten tijde van hun samenleving hiervoor in aanmerking kwamen. 4.14 Uitgaande van voormeld NBI van € 4.450,-- per maand en rekening houdend met het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, bedraagt de totale behoefte van de minderjarigen (in 2014) € 1.062,-- per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte thans € 1.084,-- per maand. Conform de aanbevelingen van de expertgroep worden hierbij de huidige netto opvangkosten opgeteld. Uit de door mr. Sijnesael als bijlage 2 bij brief d.d. 18 maart 2015 overgelegde stukken volgt dat de opvangkosten voor de minderjarigen € 749,09 per maand bedragen. De rechtbank is, anders dan de man, van oordeel dat uit het eveneens bij die brief overgelegde toeslagenoverzicht 2016 voldoende valt af te leiden dat de door vrouw (over 2016) te ontvangen kinderopvangtoeslag € 5.899,-- per jaar bedraagt, zijnde € 491,58 per maand. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank de huidige netto kosten van de kinderopvang vast op € 257,51 per maand. Het vorenstaande resulteert derhalve in een behoefte van de minderjarigen van (afgerond) € 1.342,-- per maand, zijnde € 671,-- per kind per maand. Huidig NBI onderhoudsplichtigen; 4.15 Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de expertgroep, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het (huidige) NBI van partijen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt bij inkomens vanaf € 1.550,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 890,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.550,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. 4.16 Tussen partijen staat vast dat het huidige NBI van de man € 3.072,-- per maand bedraagt. 4.17 Voor wat betreft het inkomen van de vrouw wordt uitgegaan van het tussen partijen vaststaande basisinkomen van de vrouw van € 25.452,-- bruto per jaar, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Voorts wordt rekening gehouden met de door de man onbetwist gestelde eindejaarsuitkering van de vrouw van € 2.113,--. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies (premie AOP en Pensioen/NP, zijnde afgerond € 100,-- per maand), heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 2.093,-- per maand. Het NBI van de vrouw wordt verhoogd met het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waar zij thans voor in aanmerking komt (berekend op basis van het inkomen van de vrouw vermeerderd met de hierna te bespreken partneralimentatie). De rechtbank gaat uit van een NBI van de vrouw van € 2.429,-- per maand. Draagkracht onderhoudsplichtigen; 4.18 Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat aan de zijde van de man geen rekening gehouden wordt met de lasten van de echtelijke woning. De vrouw, die thans nog in de echtelijke woning woont, neemt (met ingang van de in deze procedure vast te stellen kinder- en partneralimentatie) de lasten van de echtelijke woning voor haar rekening. Verrekening van de woonlasten komt later in deze beschikking aan de orde. De draagkracht van de man bedraagt alsdan volgens de formule (afgerond) € 882,-- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule (afgerond) € 567,-- per maand. 4.19 De verdeling van de kosten van de kinderen over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel: het aandeel van de man bedraagt: € 882 / € 1.449 x € 1.342 (afgerond) € 816,-- het aandeel van de vrouw bedraagt: € 567 / € 1.449 x € 1.342 (afgerond) € 524,-- Zorgkorting; 4.20 De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage. De vrouw voert hiertegen verweer en stelt zich op het standpunt dat, gelet op de minimale zorgregeling, geen zorgkorting toegepast dient te worden. De rechtbank overweegt als volgt. Indien het standpunt van de vrouw gevolgd zou worden, zou dit resulteren in vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 816,-- per maand, zijnde € 408,-- per kind per maand. Indien een zorgkorting van 15% toegepast zou worden, zou deze korting, uitgaande van de becijferde behoefte van de minderjarigen van € 1.342,-- per maand, (afgerond) € 201,-- per maand bedragen. Wordt het aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen verminderd met de zorgkorting, dan zou een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 615,-- (816 – 201) per maand, zijnde € 307,50 per kind per maand vastgesteld dienen te worden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een overweging omtrent de vraag of een zorgkorting toegepast dient te worden en zo ja, hoe hoog het te hanteren percentage dient te zijn, gelet op het navolgende, achterwege kan blijven. De vrouw heeft namelijk bij haar oorspronkelijke verzoek verzocht een door de man te betalen kinderbijdrage van € 282,-- per kind per maand vast te stellen. Hoewel ter zitting namens de vrouw is verzocht haar verzoek te mogen aanvullen, heeft de rechtbank de vrouw hiertoe geen gelegenheid meer geboden, nu de man tegen aanvulling van het verzoek bezwaar heeft gemaakt en de vrouw voldoende gelegenheid heeft gehad om voor aanvang van de zitting haar verzoek schriftelijk aan te vullen. Nu de door de rechtbank vast te stellen kinderbijdrage maximaal het door de vrouw verzochte bedrag van € 282,-- per kind per maand kan zijn en dit bedrag het aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen niet overstijgt, zal de rechtbank, daarbij dus in het midden latend of een zorgkorting toegepast dient te worden, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 282,-- per kind per maand vaststellen. Partneralimentatie; 4.21 De rechtbank zal voor wat betreft de berekening van de behoefte van de vrouw –nu de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd– uitgaan van de Hofnorm, inhoudende dat de behoefte gelijkgesteld wordt aan 60% van het NBI ten tijde van de samenleving van partijen verminderd met de kosten van de minderjarigen. Het NBI in 2014 bedroeg -zoals in rechtsoverweging 4.12 is overwogen- € 4.650,-- per maand. Hierop strekken de kosten van de minderjarigen ten tijde van de samenleving, te weten € 1.062,-- en de kosten van kinderopvang van € 200,-- per maand, in mindering. Bij toepassing van de Hofnorm resteert er alsdan een huwelijksgerelateerde behoefte aan de zijde van de vrouw van € 2.033,-- netto per maand, thans geïndexeerd tot een bedrag van (afgerond) € 2.076,-- netto per maand. 4.22 Op voormelde behoefte strekt in mindering het NBI van de vrouw. Dit NBI is onder rechtsoverweging 4.17 becijfert op € 2.093,-- netto per maand. Dit NBI zal de rechtbank vermeerderen met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Nu het hier de persoonlijke behoefte van de vrouw betreft en zij van haar NBI per maand ook € 524,-- aan aandeel in de kosten van de kinderen zal moeten voldoen, ziet de rechtbank aanleiding om haar NBI te verlagen met haar (resterende) aandeel in de kosten van de kinderen. Het NBI van de vrouw wordt uiteindelijk gesteld op € 1.842,-- per maand. 4.23 Gelet op de behoefte van de vrouw van € 2.076,-- per maand en haar in aanmerking te nemen netto maandinkomen van € 1.842,-- heeft de vrouw behoefte aan een aanvullende bijdrage van de zijde van de man van € 234,-- netto per maand, zijnde € 400,-- bruto per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de man draagkracht heeft om in deze aanvullende behoefte te voorzien. 4.24 Voor wat betreft het vaststellen van die draagkracht gaat de rechtbank uit van de niet betwiste draagkrachtberekening zoals is overgelegd als productie 5 bij de brief d.d. 10 maart 2016 van mr. Van Dam. Rekening houdend met de door de man te betalen kinderbijdrage van € 564,-- per maand (en geen rekening houdend met een zorgkorting) heeft de man voldoende draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. De rechtbank zal derhalve op onderstaande wijze een door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 400,-- per maand vaststellen, zulks met ingang van de dag waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In de zaak met rek.nr. FA RK 15-5911; Verdeling; 4.25 Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Dit betekent dat de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap bij helfte moet worden gedeeld en dat ieder van partijen in gelijke mate moet delen in de baten van de gemeenschap en de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. 4.26 Partijen zijn het er over eens dat voor de omvang van de gemeenschap 19 juni 2014 als peildatum gehanteerd dient te worden. De rechtbank gaat dan ook van deze peildatum uit. Voor zover van belang overweegt de rechtbank hierna omtrent de peildatum voor wat betreft de waardering van deze bestanddelen. 4.27 Ten aanzien van de diverse bestanddelen overweegt de rechtbank als volgt. a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.