← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2016:6550

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 16/2107 ZORG proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 29 september 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres, gemachtigde: mr. D. Marcus, en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 februari 2016 (bestreden besluit) van de Belastingdienst/Toeslagen inzake haar recht op zorgtoeslag en kindgebondenbudget voor het jaar

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 29 september
  2. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Belastingdienst/Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Mhamdi. Tevens is voor eiseres verschenen M.J. Teunissen, tolk in de Poolse taal. Overwegingen
  3. De rechtbank stelt allereerst vast dat dat nog sprake is van procesbelang bij de onderhavige procedure, ondanks dat inmiddels een definitieve vaststelling heeft plaatsgevonden, nu Belastingdienst/Toeslagen ter zitting heeft gesteld dat het besluit over de definitieve vaststelling, zal worden aangepast aan het oordeel van de rechter over de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit.
  4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [naam toeslagpartner eiseres] terecht als toeslagpartner van eiseres is aangemerkt en of zijn inkomen terecht is betrokken bij de vaststelling van de zorgtoeslag en het kindgebondenbudget voor het jaar
  5. Niet in geschil is dat eiseres met haar kind op het adres [adres eiseres] stond ingeschreven. Ook is niet in geschil dat [naam toeslagpartner eiseres] op dat adres stond ingeschreven. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir moet [naam toeslagpartner eiseres] dan ook worden aangemerkt als toeslagpartner van eiseres, tenzij eiseres door middel van een schriftelijke huurovereenkomst aantoont dat zij, zoals gesteld, op zakelijke gronden een gedeelte van de woning van [naam toeslagpartner eiseres] huurt.
  6. De rechtbank is van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir te eng uitlegt door te stellen dat eiseres niet onder dit artikel valt, omdat zij het gehele appartement op het adres [adres eiseres] huurt en niet ‘een gedeelte van een woning’ zoals in het artikel staat. De rechtbank ziet niet in waarom deze uitzondering slechts van toepassing is als een gedeelte van een woning wordt gehuurd en niet bij de huur van de gehele woning. De uitleg van de Belastingdienst/Toeslagen leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen gevallen waarin een deel van de woning wordt gehuurd en gevallen waarin de gehele woning wordt gehuurd. Bovendien voert het naar het oordeel van de rechtbank te ver om van een huurder te verlangen dat hij eist dat de verhuurder zich uitschrijft op het betreffende adres in de BRP alvorens de huurovereenkomst aan te gaan.
  7. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een huurovereenkomst overgelegd tussen haar en [naam toeslagpartner eiseres] voor de huur van het betreffende appartement. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat de overgelegde huurovereenkomst geen reële weergave is van de door de partijen bij de overeenkomst beoogde verhouding. Bij ministeriële regeling zijn voorts geen nadere voorwaarden gesteld waaraan een schriftelijke huurovereenkomst moet voldoen, zodat eiseres onder de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir genoemde uitzondering valt en als huurder van [naam toeslagpartner eiseres] moet worden aangemerkt.
  8. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir vernietigd.
  9. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De Belastingdienst/Toeslagen zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
  10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.
  11. De rechtbank zal Belastingdienst/Toeslagen veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de Belastingdienst/Toeslagen op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt Belastingdienst/Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt Belastingdienst/Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 29 september
  12. griffier rechter De rechter is niet in staat deze uitspraak te ondertekenen, Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.