RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 16/4025 WABO uitspraak van 28 oktober 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Port of Breda B.V., te Spijkenisse, eiseres, gemachtigde: mr. D. Kochx, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Op 30 juli 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een horecavestiging en een reclamemast met een technische ruimte op het Bagven Park te Breda. Op 22 juni 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege door het college (artikel 8:55f van de Algemene wet bestuursrecht; Awb). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 september 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] en mr. S. van Hengel, een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De reclamemast die eiseres voornemens is bouwen, is 45 meter hoog. Het totaal bebouwd oppervlak van de horecavestiging en de reclamemast met technische ruimte is volgens de aanvraag 414 m2. Op de locatie geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Zuid 2013” (bestemmingsplan). 2.1 Eiseres is van opvatting dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de mast van rechtswege is verleend en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De mast past binnen het bestemmingsplan. De mast is een gebouw, omdat het een bouwwerk is dat hol is van binnen, overdekt, omsloten is met wanden en voor mensen toegankelijk is. Het bestemmingsplan laat gebouwen toe tot een hoogte van 70 meter. De reguliere voorbereidingsprocedure is van toepassing. Omdat het college niet binnen de beslistermijn van acht weken (artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Wabo), dus uiterlijk op 29 april 2016, heeft beslist op de aanvraag, is de beschikking tot verlening van de omgevingsvergunning van rechtswege gegeven. 2.2 Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vergunningverlening van rechtswege en heeft het volgende aangevoerd. De mast is een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat in strijd is met het bestemmingsplan. De mast is 45 meter hoog en het bestemmingsplan laat voor bouwwerken slechts een hoogte van maximaal twaalf meter toe. De beslissing op de aanvraag dient dus niet met een reguliere, maar met een uitgebreide voorbereidingsprocedure te worden voorbereid. De beslistermijn is in dit geval zes maanden (artikel 3:18, eerste lid, van de Awb) en loopt nog. Deze termijn is diverse malen vanwege het overleg over de vormgeving van de mast en de indeling van het terrein opgeschort. Het college verwacht rond 1 december 2016 tijdig te kunnen beslissen op de aanvraag. 3.1 Artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven. Het tweede lid bepaalt dat de verlening van rechtswege als een beschikking geldt. Artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de beschikking bekend maakt binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven. 3.2 Artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt - voor zover hier van belang - dat het bevoegd gezag binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag op de aanvraag om een omgevingsvergunning beslist. Het derde lid, eerste volzin, bepaalt - voor zover hier van belang - dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (‘Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’) van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°. 3.3 Artikel 7.2, aanhef en onder c en d, van het bestemmingsplan bepaalt dat op of in de tot Bedrijventerrein bestemde gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden gebouwd ten dienste van de bestemming met dien verstande dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.