RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Kanton Bergen op Zoom zaak/rolnr.: 5405566 AZ VERZ 16-106 (verzoek) 5526405 AZ VERZ 16-123 (tegenverzoek) Beschikking d.d. 21 december 2016 in de zaak van: [voornamen] [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verblijvende te Hoogerheide, verzoekende partij, tevens verwerende partij in het tegenverzoek, verder te noemen: ‘ [verzoekster] ’, gemachtigde: mw.mr. C.A.E. van der Poel, advocaat te Bergen op Zoom, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [volledige naam verweerster] , statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , verwerende partij, tevens verzoekende partij in het tegenverzoek, verder te noemen: ‘ [verweerster] ’, gemachtigde: mr. E.F. Gomes, advocaat te Bergen op Zoom. 1Het procesverloop 1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken: het op 30 september 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift ex artikel 7:681 BW, met producties; het op 18 november 2016 ter griffie ontvangen verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek tot vergoeding ex artikel 7:677 BW, met producties; het daarop ontvangen verweerschrift betreffende het zelfstandig verzoek. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Ter zitting waren aanwezig [verzoekster] , bijgestaan door mw.mr. Van der Poel, alsmede de heer [directeur] (directeur) namens [verweerster] , bijgestaan door mr. Gomes. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen in het geding gebracht. 1.3 Ter zitting heeft mr. Gomes het tegenverzoek ingetrokken. Hierop wordt derhalve niet meer beslist. 2De feiten 2.1 Tussen partijen staan de volgende feiten in rechte vast: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] en thans 54 jaar, is op 1 september 2016 in dienst getreden bij [verweerster] , in de functie van [functie] voor 40 uur per week, tegen een loon van € 2.900,00 bruto per maand; de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden, zonder dat daarbij een tussentijdse opzegmogelijkheid overeengekomen is; [verzoekster] heeft daarvoor 18 jaar bij [volledige naam vorige werkgever] (hierna te noemen: ‘ [vorige werkgever] ’) gewerkt; via recruitmentbureau [recruitmentbureau] is [verzoekster] in contact gekomen met [verweerster] ; [verzoekster] heeft in de maand juli 2016 twee gesprekken met de heer [verweerster] gevoerd, waarna de arbeidsovereenkomst tussen partijen – na enige aanpassingen – is ondertekend; in de week van 22 augustus 2016 heeft [verzoekster] , zoals tussen partijen afgesproken, kennisgemaakt met het bedrijf [verweerster] en heeft zij meegekeken met de werkzaamheden; op of omstreeks 24 augustus 2016 heeft [verzoekster] gesprekken met de heer [verweerster] gehad, waarbij laatstgenoemde aan [verzoekster] heeft medegedeeld dat zij niet zou functioneren; op 31 augustus 2016 ontvangt [verzoekster] een brief met als onderwerp “geen doorgang arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd”; [verzoekster] heeft daarop laten weten dat ze hiermee niet akkoord gaat, waarna partijen onderhandelingen zijn gestart over het opmaken van een vaststellingsovereenkomst; na menige aanpassing hiervan (in een heel kort tijdsbestek), geeft [verzoekster] per brief d.d. 1 september 2016 aan, dat zij – naar aanleiding van een gesprek met haar advocaat – besloten heeft niet akkoord te gaan met de vaststellingsovereenkomst. Zij laat weten zich beschikbaar te houden voor werkzaamheden na terugkomst van haar vakantie; [verweerster] geeft per e-mail d.d. 1 september 2016 aan, dat zij onaangenaam is verrast door voornoemde wending en dat zij ook niet op de hoogte is van de door [verzoekster] geplande vakantie; [verzoekster] is op vakantie gegaan van 2 tot en met 13 september 2016; bij brief d.d. 9 september 2016 ontslaat [verweerster] [verzoekster] op staande voet. Als reden wordt – onder meer – aangegeven het onjuist informeren van [verweerster] tijdens de sollicitatiegesprekken en het feit dat [verzoekster] in ernstige mate de bekwaamheid en/of geschiktheid blijkt te missen voor de functie. 3Het verzoek 3.1 [verzoekster] verzoekt – verkort weergegeven – te verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet van 9 september 2016 onterecht is. Verder verzoekt ze [verweerster] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van primair € 18.792,00 bruto en subsidiair € 17.852,40 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verzoekster] om aan haar, ten laste van [verweerster] , een billijke vergoeding toe te kennen van € 18.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten. 3.2 [verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag – verkort weergegeven – dat het ontslag onrechtmatig is, omdat er geen gegronde reden is voor het ontslag. Zowel een objectieve als een subjectieve dringende reden ontbreekt en volgens [verzoekster] heeft [verweerster] niet alle omstandigheden van het geval meegewogen. [verzoekster] stelt zich daarnaast op het standpunt dat het ontslag niet rechtsgeldig is, daar de arbeidsovereenkomst door [verweerster] niet onverwijld is opgezegd. Daarbij komt dat [verzoekster] niet is geconfronteerd met de resultaten uit enig onderzoek die tot het ontslag hebben geleid, zodat zij zich niet heeft kunnen verweren. 3.3 [verzoekster] berust in de opzegging en maakt – gelet op het voorgaande – aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Deze schadevergoeding bestaat uit het loon vanaf 1 september 2016 tot aan het einde van het dienstverband d.d. 28 februari 2017 ad € 18.792,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. 3.4 Nu [verweerster] in deze zaak op ondeugdelijke gronden en lichtvaardig tot ontslag op staande voet is overgegaan, zonder [verzoekster] te horen, treft haar een ernstig verwijt, aldus [verzoekster] . Zij heeft geen andere baan en geen WW-uitkering. [verzoekster] stelt dan ook dat haar een billijke vergoeding toekomt, die zij – gelet op de omstandigheden van het geval – begroot op € 18.000,00 bruto. 4Het verweer 4.1 [verweerster] voert aan dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Zij stelt daartoe dat [verzoekster] [verweerster] tijdens de sollicitatiegesprekken heeft misleid over haar kennis en kunde. Al tijdens de kennismakingsdagen bleek [verzoekster] niet in staat te zijn de bedongen arbeid uit te voeren, omdat ze onbekwaam is. Nadat [verweerster] een en ander bij [vorige werkgever] had nagevraagd, werd duidelijk dat [verzoekster] nauwelijks expeditie-ervaring had. Vervolgens is [verweerster] overgegaan tot het ontslag op staande voet, gegrond op – onder meer – het onjuist informeren door [verzoekster] van [verweerster] en het feit dat [verzoekster] in ernstige mate de bekwaamheid en/of geschiktheid blijkt te missen voor de functie. Er is sprake van objectief en subjectief dringende redenen, die aan [verzoekster] onverwijld, nadat [verweerster] nader onderzoek had gepleegd en nadere informatie had ingewonnen, zijn medegedeeld. Volgens [verweerster] heeft [verzoekster] zich ernstig misdragen door de heer [verweerster] op 30 augustus 2016 op zijn kantoor te beledigen en te bedreigen en door zonder toestemming op vakantie te gaan. 4.2 Het toekennen van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, is niet aan de orde. Mocht er toch een dergelijke vergoeding worden toegekend, dan verzoekt [verweerster] deze te matigen tot nihil, althans tot het minimum, gelet op het feit dat [verzoekster] in het geheel niet voor [verweerster] heeft gewerkt. 4.3 Volgens [verweerster] is het toekennen van een billijke vergoeding evenmin op zijn plaats, omdat een rechtens relevante grondslag daartoe ontbreekt. Niet [verweerster] is een verwijt te maken van de ontstane situatie, maar [verzoekster] . Alle consequenties daarvan, ook de financiële, dienen voor haar rekening te komen. 4.4 Tot slot verzoekt [verweerster] – gelet op al het voorgaande – de gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente af te wijzen en [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten. 5De beoordeling 5.1 [verzoekster] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar verzoek. 5.2 Bij de beoordeling wordt tot uitgangspunt genomen dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (WWZ), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht. 5.3 Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereen-komst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ex artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. 5.4 Allereerst dient te worden beoordeeld of het gegeven ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven. Een ontslag op staande voet is een ingrijpende maatregel die slechts dan mag worden genomen wanneer de voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer kan worden verlangd van de werkgever. 5.5 [verweerster] verwijt [verzoekster] dat zij tijdens de sollicitatiegesprekken onjuiste informatie aan [verweerster] heeft gegeven over haar kennis en kunde en zij verwijt [verzoekster] dat zij onbekwaam is voor de werkzaamheden. [verweerster] stelt dat [verzoekster] geen kennis bleek te hebben van het systeem Timocon, zijnde het systeem dat [verweerster] gebruikt om vrachten aan te bieden en te raadplegen. Ook met het systeem Teleroute bleek [verzoekster] nooit gewerkt te hebben. [verzoekster] was volgens [verweerster] helemaal niet bekend met automatisering. Tevens moest [verweerster] tijdens de kennismakingsdagen constateren dat [verzoekster] geen kennis had van de transportmarkt, omdat zij geen tarieven kon noemen. Ook haar topografische kennis van Duitsland en België bleek zwak te zijn. Dit alles in tegenstelling tot de mededelingen van [verzoekster] tijdens de sollicitatiegesprekken. [verzoekster] stelt daar tegenover dat zij geen onjuiste informatie heeft verstrekt. Zij heeft 18 jaar bij [vorige werkgever] gewerkt waar zij expeditie werkzaamheden heeft verricht. Tijdens de sollicitatie-gesprekken kon zij derhalve stellen een redelijke kennis te hebben van de transportmarkt. [verzoekster] stelt aangegeven te hebben niet specifiek werkzaam te zijn geweest met transporten naar België en Duitsland, maar wereldwijd. Volgens [verzoekster] worden tarieven specifiek per klant op maat gemaakt, zodat het niet vreemd is dat zij niet lukraak tarieven op kon hoesten toen [verweerster] daarover begon. Tijdens de sollicitatieprocedure heeft [verzoekster] aangegeven wel eens te hebben gehoord van de systemen Timocon en Teleroute, maar dat zij binnen [vorige werkgever] met een eigen ontwikkeld systeem werkten, namelijk FIQS. Ook bij [vorige werkgever] is alles geautomatiseerd, zodat het onzin is dat [verzoekster] niet bekend zou zijn met automatisering. 5.6 De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van [verweerster] had gelegen om tijdens de sollicitatiegesprekken een goed beeld te krijgen van de kennis en kunde van [verzoekster] . Tijdens die gesprekken was er de gelegenheid geweest om [verzoekster] concreet te bevragen over haar kennis van de transportmarkt, tarieven, specifieke automatiserings-systemen en dergelijke. [verweerster] heeft ter zitting aangegeven dat zij niet zo vaak sollicitatiegesprekken voert. Daar kan [verweerster] zich echter niet achter verschuilen. Ook heeft [verweerster] er op gewezen dat het voortraject in het sollicitatieproces is uitbesteed aan het recruitmentbureau [recruitmentbureau] . Dit is echter de keuze van [verweerster] zelf geweest. Daar komt bij dat de heer [verweerster] zelf ook twee gesprekken met [verzoekster] heeft gevoerd. Hoe dan ook, het komt voor rekening en risico van [verweerster] , dat zij zich onvoldoende heeft laten informeren over de kennis en vaardigheden van [verzoekster] in relatie tot de werkzaamheden die zij bij [verweerster] zou moeten gaan verrichten. Dat [verzoekster] tijdens de gesprekken onjuiste informatie aan [verweerster] heeft gegeven, is niet komen vast te staan. 5.7 Voorts maakt [verweerster] aan [verzoekster] het verwijt, dat zij in ernstige mate de bekwaamheid en/of geschiktheid blijkt te missen voor de functie. Dit was volgens [verweerster] ook voor [verzoekster] duidelijk nu zij twee maal halverwege de kennismakings-dagen naar huis is gegaan. [verzoekster] stelt daar tegenover dat zij niet eens de kans heeft gehad om zich te bewijzen. Tijdens de kennismakingsdagen had men nauwelijks tijd voor haar. [verzoekster] geeft aan dat zij op de 2e dag inderdaad ziek naar huis is vertrokken. Dit heeft zij echter gemeld bij de zoon van de heer [verweerster] , die knikte en zei dat dat goed was. De andere dag was zij weer aanwezig. Toen werd zij door de heer [verweerster] bij zich geroepen en kreeg zij te horen dat zij niet zou functioneren. 5.8 De kantonrechter constateert dat partijen niet dezelfde lezing geven over wat er zich precies bij de kennismakingsdagen heeft afgespeeld. Wat daar ook van zij, de kantonrechter stelt vast dat een tijdsbestek van enkele dagen, nota bene voordat het dienstverband officieel een aanvang had genomen, te kort is geweest voor [verweerster] om te kunnen beoordelen of [verzoekster] in ernstige mate de bekwaamheid en/of geschiktheid blijkt te missen voor de functie, zodanig dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het moge zo zijn dat de prestaties van [verzoekster] achterbleven bij hetgeen [verweerster] van haar had verwacht, maar dan rechtvaardigt dit nog niet het gegeven ontslag op staande voet. Volgens [verweerster] bleek na onderzoek bij [recruitmentbureau] en [vorige werkgever] dat [verzoekster] [verweerster] onjuist had geïnformeerd en dat [verzoekster] – gelet op die onjuiste informatie – onbekwaam bleek voor de functie, echter [verweerster] brengt geen stukken in het geding die haar standpunt onderbouwen. Het had op de weg van [verweerster] gelegen om, voordat zij [verzoekster] aannam, het nodige onderzoek te doen. Eenmaal aangenomen, had zij [verzoekster] een echte kans moeten geven om zich te bewijzen. Dit heeft [verweerster] echter nagelaten. 5.9 In de pleitnota voert mr. Gomes nog het volgende aan: ‘Het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.