RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/688062-16 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te 4388 JW Oost-Souburg, Burgemeester Stemerdinglaan 69, raadsman mr. N.A. Koole, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2016, waarbij de officier van justitie mr. I.H.C.M. van Dorst en de verdediging hun standpunt kenbaar hebben gemaakt, waarna het onderzoek ter terechtzitting formeel is gesloten op 5 december
- 2De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 22 november 2014 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1997 die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht bestond uit: het zich laten pijpen door die [slachtoffer] . 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op het onderzoek naar de vermissing van het slachtoffer, het onderzoek van de telefoon van het slachtoffer, het onderzoek naar de daarop aangetroffen WhatsAppberichten alsook de bekennende verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd. Verdachte heeft het feit bekend. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 december 2016; - de aangifte van [slachtoffer]; - een afschrift van de akte van geboorte van [slachtoffer]; - het onderzoek aan de telefoon van het slachtoffer. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hij op of omstreeks 22 november 2014 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1997 die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht bestond uit: het zich laten pijpen door die [slachtoffer] . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, waarbij zij zich onder meer heeft gebaseerd op artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (verder Sr) en de Richtlijn van het Openbaar Ministerie met betrekking tot artikel 248b Sr. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 22b Sr blijkt dat de wetgever nadrukkelijk heeft bedoeld dat voor delicten als artikel 248b Sr uitsluitend gevangenisstraf moet worden opgelegd. Artikel 22b Sr kan alleen buiten toepassing worden gelaten als sprake is van door de wetgever niet verdisconteerde omstandigheden. In dit geval is daar geen sprake van. Ook in geval van artikel 22b, lid 3 Sr dient een substantiële gevangenisstraf te worden opgelegd. Het opleggen van één dag gevangenisstraf zoals bijvoorbeeld in de Valkenburgse zedenzaak is gedaan, is in strijd met de nadrukkelijke ratio van de wetgever. Verdachte valt, gelet op de bewezen handelingen, in categorie 2 van de Richtlijn. Uitgangspunt is een gevangenisstraf van 6 maanden. In deze zaak gelden de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer en het feit dat hij ondanks dat hij het idee had dat zij werd gedwongen toch seksueel contact met haar heeft en zelfs een tweede keer probeert af te spreken als strafverzwarende omstandigheden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat diverse omstandigheden aannemelijk maken dat verdachte heeft gedwaald omtrent de leeftijd van de prostituee en dat er ook geen reden was voor extra alertheid, hetgeen de verwijtbaarheid vermindert. Hij heeft daarbij gewezen op het volwassen uiterlijk van het slachtoffer en op de controle door het Zeeuwse Prostitutie Controle Team (PCT), tijdens welke controle daarvoor getrainde verbalisanten geen argwaan hadden omtrent de leeftijd. Bovendien heeft verdachte gereageerd op een advertentie op een legale website waarbij was vermeld dat de prostituee ouder was. Hij heeft bepleit aan verdachte een geldboete op te leggen dan wel een gevangenisstraf van één dag en een voorwaardelijke straf. Daarbij is van belang dat verdachte een blanco strafblad heeft en volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd maken zijn kansen op een baan onmogelijk. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seks met een minderjarige prostituee, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 248b Sr. Het betreffende meisje is slachtoffer geworden van mensenhandel door derden. In voornoemd artikel staat de bescherming van minderjarigen centraal. Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Blootstelling aan prostitutie op jonge leeftijd heeft vaak grote gevolgen voor de minderjarige op langere termijn en gezien hun jeugdige leeftijd kan niet worden verwacht dat zij deze op dat moment kunnen overzien. Jeugdprostitutie is een ernstig zedendelict. Het slachtoffer heeft in een relatief korte periode tegen betaling seks gehad met een grote hoeveelheid mannen. Het feit van artikel 248b Sr kan zich in vele varianten van feitelijke situaties voordoen. Verdachte heeft gebruik gemaakt van de diensten van een minderjarige prostituee. Hij is met haar in contact gekomen via een advertentie op de website [website] . In deze advertentie werd onder meer vermeld dat zij meerderjarig was. Verdachte heeft met haar een afspraak gemaakt bij hem thuis. Verdachte had zijn twijfels over haar leeftijd, maar heeft vervolgens niet gecontroleerd of zij inderdaad meerderjarig was. Bij het seksueel contact is sprake geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer (pijpen). Ondanks dat verdachte vermoedens had dat zij gedwongen werd en zijn twijfels had bij de leeftijd van het slachtoffer heeft hij later nogmaals geprobeerd om met haar af te spreken, omdat hij zin had in seks. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan. Door het handelen van verdachte is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft door zijn handelwijze bijgedragen aan het in stand houden van jeugdprostitutie en dit kan hem ook worden aangerekend. Vast is komen te staan dat het om een extra kwetsbaar meisje ging. Blijkens de door het slachtoffer afgelegde verklaringen heeft zij als gevolg van hetgeen haar is overkomen te kampen met ernstige psychische problematiek. De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 4 november 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedenmisdrijf. Uit het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte vanwege een drugsverslaving in behandeling is geweest bij Emergis en thans abstinent is. Sinds zijn aanhouding in deze zaak heeft hij geen prostituee meer bezocht. Verdachte heeft oprecht spijt betuigd. Ingevolge artikel 22b Sr mag in geval van veroordeling voor jeugdprostitutie geen taakstraf worden opgelegd, tenzij daarnaast ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. Het uitgangspunt volgens de wetsgeschiedenis is een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen gelet op de ernst van het feit ook gerechtvaardigd is. Hierin zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte al verdisconteerd. Slechts bij bijzondere omstandigheden waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden is afwijking van dit artikel mogelijk. De rechtbank overweegt dat, hoewel voorop staat dat verdachte de leeftijd van de prostituee had moeten controleren en hij dit ten onrechte heeft nagelaten, zij het aannemelijk acht dat verdachte heeft gedwaald omtrent de leeftijd van het slachtoffer en dat hij er vanuit ging dat zij minimaal 18 jaar was, zoals ook vermeld stond in de advertentie op internet. Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat verdachte bewust op zoek is geweest naar een minderjarige prostituee. Er waren geen bijzondere situationele omstandigheden op grond waarvan hij gespitst had moeten zijn op de mogelijke minderjarigheid van het slachtoffer dan wel op misbruik van haar. Op basis van het uiterlijk van het slachtoffer was kennelijk ook niet zonder meer duidelijk dat zij nog geen 18 jaar was. Dit maakt de rechtbank op uit de omstandigheid dat de leden van het Zeeuwse PCT die op 11 november 2014 naar aanleiding van een advertentie op de website [website] in persoon met ‘ [naam] ’, zijnde het slachtoffer [slachtoffer] , hebben gesproken niet direct hebben ingegrepen. Er was een vermoeden dat deze ‘ [naam] ’ misbruikt werd, maar uit het dossier blijkt niet dat er op dat moment ook een vermoeden bestond dat zij minderjarig was. Zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van het strafbare feit en de gevolgen voor het slachtoffer, is het verwijt dat deze verdachte kan worden gemaakt dan ook minder groot dan in het geval dat iemand wel bewust op zoek is gegaan naar een minderjarige of wist respectievelijk gegronde reden had te vermoeden dat zij minderjarig was. De rechtbank is overigens van oordeel dat het Zeeuwse PCT naar aanleiding van de bevindingen tijdens genoemde controle onvoldoende adequaat heeft opgetreden. Gelet op de omstandigheden waaronder het slachtoffer toen is aangetroffen (het zich niet kunnen legitimeren en het niet kunnen dan wel willen beantwoorden van eenvoudige vragen over haar huidige woonplaats en wie de advertentie had geplaatst, de afspraak dat niet aan haar maar aan een ander moest worden betaald, dat die ander ook het gesprek met de politie voerde terwijl dit een bekende was van de politie waardoor op dat moment door de politie niet werd uitgesloten dat zij misbruik maakte van het slachtoffer) had het op de weg van de politie gelegen om direct, en niet pas een dag later, het door het slachtoffer opgegeven adres te controleren en nader onderzoek te doen naar de relatie van het slachtoffer en degene die op dat moment bij haar was en kennelijk de regie voerde. Als dit wel was gebeurd, had de politie al direct op 11 november 2014 kunnen ingrijpen en was voorkomen dat het slachtoffer in de daarop volgende periode tot en met 1 december 2014 was uitgebuit. Dit neemt echter niet weg dat verdachte zich wel degelijk van de leeftijd van het slachtoffer had moeten vergewissen. Dat hij dat niet heeft gedaan is een verantwoordelijkheid die niet wordt weggenomen door het nalaten van de politie op 11 november
- Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware strafmodaliteit. Zij acht een taakstraf het meest passend. Op grond van artikel 22b Sr is het uitsluitend opleggen van deze strafmodaliteit voor dit strafbare feit niet mogelijk. De rechtbank laat het onvoldoende adequate optreden van de politie op 11 november 2014 wel in het voordeel van verdachte meewegen bij het bepalen van de strafmaat. Zij is daarop maar ook gelet op de omstandigheid dat verdachte niet op zoek is geweest naar een minderjarige prostituee van oordeel dat in dit geval geen substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd. Ook met het oog op generale preventie is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur niet nodig. Immers, door onder meer de recente publiciteit rond de Valkenburgse zedenzaak en ook deze zaak, is wel duidelijk geworden dat voor klanten van prostituées een onderzoekplicht geldt naar de leeftijd van de prostituee. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één dag opleggen in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uur. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 10, 22c, 22d, 63 en 248b van het Wetboek van Strafrecht. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) dag; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Borm, voorzitter, mr. K.M. de Jager en mr. G.H. Nomes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst en mr. A.P.M. Philipsen, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 december
- Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2014270439 van de politie Zeeland-West-Brabant, DDR, Team AVIM, zaaksnaam 20VPM15001/Raguhn, verdachte 4 klant 2 [verdachte] , opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met
- De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 december
- Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] , pagina 38, eerste, tweede en derde alinea van voornoemd eindproces-verbaal. Het geschrift, te weten een afschrift van de akte van geboorte van [slachtoffer] , geboren op [geboortedag]
- Het proces-verbaal van verdenking, pagina 104, 105 en 106 en de WhatsAppberichten, pagina 113 van voornoemd eindproces-verbaal.