ECLI:NL:RBZWB:2017:2490
vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht [plaatsnaam eiser] zaaknummer / rolnummer: C/02/314577 / HA ZA 16-294 Vonnis van 19 april 2017 in de zaak van [Voornamen] BUTTERMAN in hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser] , woonplaats kiezende te [plaatsnaam eiser] , eiser, advocaat mr. N.P.T. van Rijen te Breda, tegen de naamloze vennootschap naar Belgisch recht BELFIUS BANK NV, gevestigd te Brussel, gedaagde, advocaat mr. E.J.L. Mulderink te Breda.
Partijen zullen hierna de curator en Belfius Bank genoemd worden.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 september 2016 en de daarin vermelde stukken het proces-verbaal van comparitie van 11 januari 2017 de akte van Belfius Bank, met producties de antwoordakte van de curator, met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Het geschil 2.1.
De curator vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Belfius Bank te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van € 78.535,57, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding, met veroordeling van Belfius Bank in de proceskosten.
3De beoordeling 3.1.
De rechtbank stelt in deze zaak tussen partijen de volgende feiten vast.
3.1.1.
Bij vonnis van 15 februari 2011 is de heer [eiser] ( [eiser] ) door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in staat van faillissement verklaard. Het faillissement van [eiser] is op 17 februari 2011 in Nederland gepubliceerd. Mr P. Vermunt werd benoemd tot curator. Bij beschikking d.d. 28 juni 2012 is mr. P.E. Butterman tot vervangend curator benoemd.
3.1.2. [eiser] hield bij Belfius Bank in België een rekening aan onder nummer [rekeningnummer] . [eiser] heeft de Curator niet op de hoogte gesteld van deze rekening. De Curator is via een in bezit gekregen stuk op de betaalrekening van [eiser] bij Belfius Bank gestuit.
3.1.3.
Op 9 augustus 2013 heeft de Curator zijn bekendheid met de rekening bij Belfius bank gemeld. Voorts heeft hij Belfius verzocht inzicht te geven in alle transacties vanaf de faillissementsdatum.
3.1.4.
Uit de overgelegde transactieoverzichten (productie 1 bij dagvaarding) blijkt dat [eiser] in de periode na datum faillissement tot aan 28 augustus 2012 gebruik heeft gemaakt van zijn betaalrekening alsof er geen sprake was van een faillissement. Belfius Bank heeft dat gebruik toegestaan en gefaciliteerd. Uit de transactieoverzichten is gebleken dat er gedurende de periode van faillissement voor een bedrag van € 78.535,57 aan betalingen is bijgeschreven op de bankrekening (productie 2 bij dagvaarding). Deze rekening is op of omstreeks 28 augustus 2012 opgeheven. Op 28 augustus 2012 had de rekening een nul-saldo.
3.1.5.
Bij emailbericht van 15 januari 2016 heeft de curator Belfius Bank gesommeerd een bedrag van € 78.535,57 aan de curator te betalen op grond van de artikelen 20, 23 en 54 Fw. Deze sommatie is herhaald bij brief van 18 januari 2016.
3.2.
De curator legt nu aan zijn vordering het volgende ten grondslag:
In de dagvaarding: “Op grond van artikel 23 van de Faillissementswet is [eiser] sinds 15 februari 2011 vanaf 0.00 uur niet langer bevoegd om zonder toestemming van de Curator over zijn betaalrekening te beschikken. De boedel is ex artikel 24 Fw niet gebaat bij deze transacties. Er is immers vermogen dat tot de faillissementsboedel behoorde weggevloeid ten gunste van derden.
Alle debiteringen op de rekening zijn het gevolg van door [eiser] verrichte kasopnames en door hem gegeven betalingsopdrachten aan Belfius, terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Belfius wordt geacht op de hoogte te zijn van het faillissement - en daarmee dus van de handelingsonbevoegdheid van [eiser] - vanaf het moment van publicatie van het faillissement. Op grond van artikel 23 Fw en de jurisprudentie hieromtrent kan de Curator terugbetaling vorderen van het positieve saldo van de bankrekening (HR 23 maart 2012, JOR 2012/236 ( [Naam B] q.q./ING) en HR 28 april 2006, NJ 2006 ( [Naam A] q.q./Rabobank).
In voornoemde arresten heeft de Hoge Raad bepaald dat de Curator deze bedragen terug kan vorderen, indien de betalingsopdrachten door de gefailleerde op of na dag van faillietverklaring zijn verstrekt, ongeacht of de bankinstelling door publicatie van het faillissementsvonnis of op andere wijze bekend was of kon zijn met de faillietverklaring. Dat in het onderhavige geval sprake is van een buitenlandse (Belgische) bank doet hieraan niets af.
Openbaarmaking van een in een andere EU-lidstaat (Nederland) geopende insolventieprocedure is geen voorwaarde voor erkenning van de procedure, noch voor de erkenning en de uitoefening van de bevoegdheden van de in die procedure benoemde curator.
De bijzondere regels van het faillissementsrecht en de bepalingen uit de faillissementswet zijn daarmee onverkort van toepassing, zoals bijvoorbeeld (maar niet alleen) artikel 20, 23 (…) Fw.
De automatische erkenning van een in een andere EU-lidstaat geopende insolventieprocedure en het achterwege laten van een algemene regeling inzake voorafgaande openbaarmaking, garanderen dat de beslissing tot opening van de procedure in alle EU-lidstaten die onder de Insolventieverordening vallen onmiddellijk rechtswerking heeft. De Curator kan Belfius op grond van het voorgaande derhalve aanspreken om de verrichte betalingen na datum faillissement terug te betalen.
De betalingen waarvan de Curator terugbetaling vordert zijn verricht - althans op de rekening van [eiser] gedebiteerd - in de periode van 21 februari 2011 tot en met 28 augustus 2012. Dit is derhalve na publicatiedatum gebeurd (17 februari 2011). Door deze debiteringen is de boedel ernstig benadeeld. Regelmatig zijn er bedragen op de bankrekening bijgeschreven, welke vervolgens weer door medewerking van Belfius aan derden zijn overgemaakt of contant door [eiser] zijn opgenomen. Indien Belfius de onbevoegd gegeven betalingsopdrachten niet had verricht, had de bankrekening ten tijde van de opheffing een creditsaldo gekend van in ieder geval € 78.535,57. (…) Door te handelen in strijd met de wet op gronden als hiervoor vermeld, heeft Belfius bovendien onrechtmatig jegens de curator en de gezamenlijke schuldeisers gehandeld, hetgeen schade heeft veroorzaakt ter grootte van het na faillissement op de bankrekening bijgeschreven (en nadien weer daarvan verdwenen) bedrag als voornoemd. (…) Ter zitting: “(…) De uitzonderingen van artikel 24 IVO zijn op deze casus niet van toepassing. Er moet immers aan twee voorwaarden zijn voldaan, te weten, geen publicatie in het buitenland en enkel de betalingen ten voordele van de gefailleerde zelf kunnen onder dit toepassingsbereik vallen ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Er is in casu geen sprake van betalingen ten voordele van de failliet (…)”.
3.3.
De verweren van Belfius Bank worden hierna waar nodig in de beoordeling betrokken. In de kern komt het standpunt van Belfius Bank erop neer dat zij als van het faillissement onwetende derde te goeder trouw bescherming verdient, zodanig dat de curator zijn vordering niet jegens haar geldend kan maken. De rechtbank wordt gevraagd een van de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de EU afwijkend standpunt in te nemen.
3.4.
Deze zaak betreft een faillissementskwestie met een internationaal karakter. Gelet op de datum van het in geding zijnde faillissement is hier niet de herziene insolventieverordening van toepassing, maar de Verordening (EG) Nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (IVO). In het vonnis in incident van 7 september 2016 heeft de rechtbank beslist dat zij op grond van artikel 3 lid 1 IVO jo artikel 106 Rv bevoegd is deze zaak te beoordelen en te beslissen.
3.5.
Partijen hebben ter zitting verklaard dat volgens hen de inhoudelijke beoordeling van dit geschil moet plaatsvinden op grond van Nederlands recht, inclusief het in Nederland geldende IVO. Op grond van artikel 4 lid 1 IVO is Nederlands recht van toepassing omdat de insolventieprocedure van [eiser] in Nederland is geopend.
3.6.
Belfius Bank lijkt als verweer een beroep op rechtsverwerking te doen. Omdat uit de toelichting van Belfius Bank niet meer blijkt dan dat ze op grond van enkel stilzitten van de curator na zijn eerste contact op 9 augustus 2013 meende dat de curator geen vordering meer jegens haar geldend zou maken, moet dit verweer worden verworpen. Het enkele feit dat de curator na 9 augustus 2013 een ruime periode geen contact met Belfius Bank heeft gezocht en geen aanspraak op betaling heeft gemaakt is in dit geval onvoldoende om te oordelen dat de curator zijn rechten jegens Belfius Bank heeft verwerkt. Bijkomende feiten en omstandigheden die daar wel grond voor kunnen bieden zijn niet aangevoerd.
3.7.
De curator doet een beroep op de volgende bepalingen:
Artikel 23 Fw: Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
Artikel 24 Fw: Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voorzover deze ten gevolge daarvan is gebaat.
Belfius Bank doet een beroep op de volgende bepalingen:
Artikel 52 Fw:
Artikel 21 IVO: Openbaarmaking 1. De curator kan verzoeken dat de hoofdzaken van de beslissing tot opening van de insolventieprocedure en, in voorkomend geval, van de beslissing inzake de aanwijzing van de curator in elke andere lidstaat openbaar worden gemaakt volgens de in die lidstaat geldende openbaarmakingsregels; in de openbaarmakingsmaatregelen wordt tevens de aangewezen curator vermeld alsmede de bevoegdheidsregel die van toepassing is krachtens artikel 3 lid 1 dan wel artikel 3 lid 2.
Artikel 24 IVO: Uitvoering ten voordele van de schuldenaar 1. Degene die in een lidstaat een verbintenis uitvoert ten voordele van de schuldenaar die is onderworpen aan een in een andere lidstaat geopende insolventieprocedure terwijl hij die verbintenis had moeten uitvoeren voor de curator van die procedure, wordt bevrijd indien hij niet van de opening van de procedure op de hoogte was.
3.8.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV0653) het volgende overwogen: “3.2. Het gaat in dit geding om de vraag of de curator betaling (creditering in rekening-courant) van de bank kan vorderen van bedragen die de bank na de faillietverklaring aan een derde heeft voldaan ingevolge door de gefailleerde rekeninghouder na de faillietverklaring gegeven opdrachten tot betaling ten laste van diens creditsaldo in rekening-courant, terwijl de bank noch door publicatie van het faillissement noch op andere wijze op de hoogte was of moest zijn van het faillissement. (…) 3.3.
Voorzover de rechtbank ervan is uitgegaan dat art. 52 F. rechtstreeks toepasselijk is, geldt het volgende. Het gaat in gevallen als het onderhavige om de aanvaarding en uitvoering door de bank van een na de faillietverklaring door de gefailleerde gegeven betalingsopdracht, tot het geven waarvan de gefailleerde ingevolge art. 23 F. niet bevoegd was. Nu de boedel door de uit die opdracht voortvloeiende betaling niet is gebaat, kan in beginsel deze betaling, ongeacht of de bank door publicatie van het faillissementsvonnis of op andere wijze bekend was of kon zijn met de faillietverklaring, niet aan de boedel worden tegengeworpen, en kan de curator hetgeen ingevolge de betalingsopdracht door de bank is betaald terugvorderen (vgl.
HR 11 januari 1980, nr. 11512, NJ 1980, 563). Op het beginsel dat de rechtstoestand bij aanvang van de dag van de faillietverklaring ook ten opzichte van onwetende derden wordt gefixeerd, vormt het bepaalde in art. 52 F. een uitzondering voorzover het gaat om een betaling aan de gefailleerde vóór de publicatie van het faillissement door een derde die met het inmiddels uitgesproken faillissement niet bekend was. Vereist is dat de betaling geschiedt ter nakoming van een verbintenis die vóór het faillissement is ontstaan. Van dit laatste is hier evenwel geen sprake. Weliswaar bestond tussen de gefailleerde en de bank een rekening-courantverhouding, en was de bank in de tussen haar en de rekeninghouder bestaande rechtsverhouding klaarblijkelijk verplicht tot het aanwenden van het door de rekeninghouder aangehouden creditsaldo overeenkomstig diens instructies, bijvoorbeeld door het uitvoeren van door de rekeninghouder gegeven betalingsopdrachten.
De verbintenis tot het doen van een betaling ontstond echter telkens eerst op het moment dat de rekeninghouder een door de bank aanvaarde concrete betalingsopdracht verstrekte, en eerst vanaf dat moment was de bank verplicht overeenkomstig de instructie van de rekeninghouder ten laste van het saldo van de rekening-courant een betalingsopdracht uit te voeren en gerechtigd het bestaande creditsaldo met een corresponderend bedrag te verminderen. Nu de betalingsopdrachten, naar in de aan dit geding ten grondslag gelegde feiten besloten ligt, telkens werden gegeven op of na de dag van de faillietverklaring, is art. 52 F. hier niet rechtstreeks van toepassing.
3.4.
Voorzover de rechtbank op grond van een extensieve uitleg van art. 52 F. heeft geoordeeld dat bepalend is het moment waarop de bank wist of behoorde te weten dat sprake was van een (dreigend) faillissement, geldt het volgende. De omstandigheid dat het bepaalde in art. 52 F. is opgenomen ter bescherming van derden te goeder trouw brengt, zoals nader is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 tot en met 12, niet mee dat in het faillissementsrecht de bescherming van derden te goeder trouw als een algemeen uitgangspunt is gekozen, dat aanleiding zou kunnen geven tot een extensieve uitleg van art. 52 F. in afwijking van het hiervoor bedoelde fixatiebeginsel, waarmee nu juist niet is gekozen voor een stelsel van bescherming van derden tegen onbekendheid met het uitgesproken maar nog niet gepubliceerde faillissement.”
In zijn arrest van 23 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV0614) heeft de Hoge Raad overwogen: “3.4. Onderdeel 1 strekt in de kern ertoe de Hoge Raad te laten terugkomen van zijn oordeel in het hiervoor genoemde arrest van 28 april 2006. (…) 3.5.
Een rekening-courantverhouding met een bank brengt weliswaar mee dat een eventueel creditsaldo ten gunste van de rekeninghouder “op ieder tijdstip” door de bank “verschuldigd” is (art. 6:140 lid 1 BW), maar dit betekent niet dat op die enkele grond reeds een verbintenis tot betaling (aan de rekeninghouder of aan een door deze aangewezen derde) voor de bank bestaat.
Het verschuldigd zijn van het creditsaldo houdt slechts in dat de bank dat saldo ter beschikking van de rekeninghouder dient te houden, zodat deze daarover desgewenst en op een door hem te bepalen wijze en tijdstip kan beschikken. Een verbintenis tot uitbetaling van het saldo (of een deel daarvan) bestaat echter nog niet. Deze “verbintenis” is immers onvoldoende bepaald, omdat het beschikken over het creditsaldo op velerlei wijzen kan geschieden. Het is immers aan de rekeninghouder om te bepalen welke bedragen op welk moment aan welke derden of aan hemzelf ten laste van het saldo van de rekening-courant moeten worden uitbetaald. Daarom ontstaat, zoals is beslist in meergenoemd arrest van 28 april 2006, eerst op het moment dat de rekeninghouder een door de bank aanvaarde concrete betalingsopdracht verstrekt, een verbintenis om overeenkomstig die instructie een betalingsopdracht ten laste van het saldo van de rekening-courant uit te voeren. Het onderdeel faalt derhalve.”
3.9.
Het Hof van Justitie van de EU heeft in zijn uitspraak van 19 september 2013 (C-251/12) ter beantwoording van een prejudiciële vraag van een Belgische rechter over de uitleg van de woorden “ten voordele van” in artikel 24 lid 1 IVO het volgende overwogen: “(…) 31. Hieruit kan worden geconcludeerd dat volgens de bewoordingen van de bepaling die het voorwerp van het verzoek om uitlegging is, de door deze bepaling beschermde personen de schuldenaars van de gefailleerde schuldenaar zijn die, rechtstreeks of indirect, te goeder trouw een verbintenis uitvoeren ten gunste van deze laatste.
3.10.
Op grond van voormelde prejudiciële beslissing, waar evenals in de onderhavige procedure de positie van de bank aan de orde is, vallen alleen betalingen aan [eiser] die ten voordele van hem zijn verricht door derden te goeder trouw, dat zijn derden die onwetend waren van het faillissement, onder de door het Hof genoemde omstandigheden buiten de boedel. Betalingen die door [eiser] , op grond van hetzij een betalingsopdracht aan de bank, hetzij door een kasopname, na faillissement zijn verricht, vallen op grond van artikel 24 IVO niet buiten de boedel. Dat geldt ook voor betalingen aan [eiser] door derden die niet te goeder trouw waren ten tijde van de betaling. Op grond van overweging 37 van het hof dient op grond van het toepasselijke nationale recht te worden beoordeeld of Belfius Bank gehouden is de tot de boedel behorende bedragen aan de curator te betalen.
3.11.
Op grond van voormelde arresten van de Hoge Raad kan de curator van Belfius Bank betaling vorderen van die bedragen die niet onder het bereik van artikel 24 IVO vallen. De Hoge Raad heeft daarbij geoordeeld dat niet van belang is of de bank met het faillissement bekend was of bekend kon zijn. Op grond van het IVO is ook Belfius Bank aan deze jurisprudentie van de Hoge Raad gebonden op grond van artikel 4 lid 1 IVO, dat het Nederlandse recht als het op het faillissement van [eiser] toepasselijke recht aanwijst. Uit het IVO volgt dat dit een bewuste keuze van de Europese wetgever is geweest en dat onbekendheid met het faillissement van een in een andere lidstaat geopende faillissementsprocedure geen omstandigheid is geweest die aanleiding heeft gegeven om verdere beperkingen op het toepasselijke nationale recht aan te brengen dan die welke in de artikelen van het IVO zijn terug te vinden. Dat volgt uit artikel 4 IVO dat handelt over het toepasselijke recht en dat luidt:
Een secundaire procedure als bedoeld in artikel 3 lid 2 is niet aan de orde. Evenmin is in deze zaak sprake van een verplichte inschrijving van de opening van de faillissementsprocedure van [eiser] in een Belgisch register.
Deze keuze van de Europese wetgever voor het primaat van het toepasselijke nationale recht komt tot uitdrukking in de volgende overwegingen in de considerans van het IVO.
3.12.
Belfius Bank heeft gevraagd om ten gunste van Belfius Bank het standpunt in te nemen dat de curator geen vordering jegens haar geldend mag maken op de grond dat zij te goeder trouw is en van het faillissement van [eiser] niet wist en ook niet kon weten. Deze omstandigheid is echter al door de Hoge Raad in zijn beoordeling betrokken en ten gunste van de gezamenlijke crediteuren en ten nadele van de bank beslist. Feiten en omstandigheden die de Hoge Raad niet in zijn beoordeling heeft betrokken zijn door Belfius Bank niet aangevoerd. De rechtbank heeft daarom die jurisprudentie tot uitgangspunt bij haar beoordeling genomen. Voormelde uitspraak van het Hof van Justitie van de EU over de werking van artikel 24 IVO maakt duidelijk dat onbekendheid van de bank met een faillissement slechts in zoverre ten gunste van de bank werkt waar het gaat om betalingen die in de visie van dat hof zijn aan te merken als “ten voordele van” de failliet.
3.13.
Aan de orde is nu nog of is vast te stellen dat er na het faillissement van [eiser] betalingen “ten voordele van” [eiser] zijn verricht, een en ander in de betekenis als daaraan door het Hof van Justitie is toegekend. Daarover hebben partijen zich na de zitting uitgelaten. Belfius bank duidt betalingen “ten voordele van” als “betalingen aan c.q. bestemd voor [eiser] , dan wel aan hem gelieerde stromannen”. Zij stelt zich op het standpunt dat nagenoeg alle betalingen buiten de boedel vallen.
Volgens het Hof vallen betalingen gedaan door derden/schuldenaars van de failliet op grond van een verbintenis die tot betaling aan die failliet verplicht buiten de boedel indien die derden/schuldenaars te goeder trouw zijn. De definitie die Belfius Bank als uitgangspunt neemt is in strijd met de uitspraak van het hof en daarmee onjuist. Belfius Bank heeft in haar akte niet gemotiveerd welke transactie op grond van welke argumenten heeft te gelden als een betaling ten voordele van de failliet als bedoeld in artikel 24 IVO. Stellingen die zich lenen voor bewijslevering zijn er niet. De rechtbank kan niet vaststellen dat enige betaling buiten de boedel valt.
3.14.
Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van de curator voor toewijzing gereed ligt. Belfius Bank wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de curator veroordeeld.
4De beslissing De rechtbank veroordeelt Belfius Bank om aan de curator te betalen een bedrag van € 78.535,57, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 maart 2016 tot de dag van algehele betaling; veroordeelt Belfius Bank in de proceskosten van de curator, tot heden begroot op € 2.944,34 waarin begrepen € 1.788,- aan salaris advocaat; verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.