RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 17/704 uitspraak van 4 april 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], statutair gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 26 oktober 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2013 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 25.000 (aanslagnummer [aanslagnummer].V.36.0.112, hierna: de aanslag) en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 633 (hierna: de rentebeschikking). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018 te Breda. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [verweerder]. De gemachtigde en tevens bestuurder van belanghebbende, [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Leiderdorp, is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 13 februari 2018 naar het adres [adres] te Leiderdorp, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De gemachtigde is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op woensdag 14 februari 2018 aan gemachtigde op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. 1Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2Gronden 2.1. Belanghebbende vormde in het onderhavige jaar, evenals in 2012, een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (hierna: FE) met [A BV]. (hierna ook: de dochtermaatschappij). 2.2. Belanghebbende heeft op 7 augustus 2014 na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand een aangiftebiljet Vpb 2013 binnen de aanmaningstermijn ingediend. Op dit aangiftebiljet is in de vakjes ‘Ondernemingsvermogen einde boekjaar’, ‘Ondernemingsvermogen begin boekjaar’ en ‘Belastbare winst’ telkens 0 ingevuld. Bij het aangiftebiljet zijn geen (jaar)cijfers van belanghebbende en de dochtermaatschappij gevoegd. In de rubriek ‘Specifieke uitspraak van de Belastingdienst gewenst’ is ingevuld: “Aangifte is niet compleet”. 2.3. De inspecteur heeft bij brief aan belanghebbende van 5 oktober 2015, voor zover van belang, het volgende geschreven: “U heeft ten name van [belanghebbende] een concept-aangifte vennootschapsbelasting 2013 ingediend, dit ter voorkoming van een verzuimboete (…) De definitieve aangifte vennootschapsbelasting 2013 heeft u nog niet ingediend. Hierbij verzoek ik u de definitieve aangifte vennootschapsbelasting 2013 op elektronische wijze in te dienen. Ik verzoek u vóór 31 oktober 2015 aan mijn verzoek gehoor te geven. Mocht u dit niet voor deze datum hebben gedaan, dan zal ik de aanslag naar een door mij geschat bedrag opleggen”. 2.4. De inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2015 de bestreden aanslag opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur de belastbare winst en het belastbaar bedrag geschat op € 25.000. Gelijktijdig is de rentebeschikking vastgesteld. 2.5. Bij brief van 7 januari 2016 heeft de toenmalige directeur van belanghebbende, wijlen [B] (hierna: [B]) bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Als reden voor het bezwaar is aangegeven “dat de belastbare winst incorrect is en verminderd dient te worden, waarbij een verliespositie niet uitsluitbaar is”. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende de inspecteur verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om haar bezwaar nader te motiveren. Tevens heeft belanghebbende verzocht te worden gehoord. 2.6. De inspecteur heeft bij brief van 29 januari 2016 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om vóór 27 februari 2016 haar bezwaar nader te motiveren. 2.7. Bij rappelbrief van 2 maart 2016 heeft de inspecteur het volgende geschreven: “Om uw bezwaar te kunnen behandelen, heb ik u op 29 januari 2016 verzocht om binnen 4 weken nadere informatie te verschaffen. Tot op heden heb ik geen reactie op mijn brief mogen ontvangen. Ik stel u nog eenmaal in de gelegenheid binnen 2 weken alsnog de motivering toe te zenden. Nadat ik uw volledige motivering heb ontvangen, zal ik uw bezwaar verder behandelen. Als ik binnen 2 weken de gevraagde informatie niet heb ontvangen, zal ik het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. In dat geval wordt van horen afgezien”. 2.8. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2016 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. 2.9. Namens belanghebbende heeft de gemachtigde beroep ingesteld. Zij heeft de rechtbank bericht dat de vorige bestuurder (de rechtbank begrijpt: [B]) is overleden en heeft een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit blijkt dat zij met ingang van 31 januari 2017 als alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van belanghebbende is ingeschreven. 2.10. Belanghebbende stelt zich in beroep op het standpunt dat zij in de bezwaarfase wel degelijk alsnog een motivering heeft ingezonden en dat de inspecteur onterecht eenzijdig van het horen van belanghebbende heeft afgezien. De rechtbank begrijpt hieruit dat belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugverwijzing naar de inspecteur. 2.11. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende aangevoerd dat zij op 29 maart 2016 per aangetekende post een conceptjaarrekening naar de Belastingdienst heeft verstuurd en dat volgens de informatie van PostNL deze aangetekende post op 31 maart 2016 door de Belastingdienst is ontvangen. 2.12. De inspecteur heeft hiertegen aangevoerd dat er in de bezwaarfase veelvuldig telefonisch contact is geweest met [B], de voormalige bestuurder van belanghebbende, en met [C] (hierna: [C]), de externe boekhouder die door [B] was ingeschakeld om de jaarstukken op te stellen. Belanghebbende is meermalen in de gelegenheid gesteld om gegevens te verstrekken en nu zij dat telkens heeft nagelaten, is van horen afgezien en is het bezwaar ongegrond verklaard, aldus de inspecteur. Dat bij aangetekende post alsnog een (concept)jaarrekening van belanghebbende aan de Belastingdienst zou zijn verzonden, en door de Belastingdienst zou zijn ontvangen, wordt door de inspecteur uitdrukkelijk betwist. Uit het door belanghebbende overgelegde bewijsstuk volgt dit niet: daarop is geen kenmerk vermeld en is niet te zien aan wie of aan welke afdeling het is gericht. Afschriften van de brief en van de jaarstukken die meegezonden zouden zijn, worden niet overgelegd. De gestelde gang van zaken is voorts zeer onwaarschijnlijk gelet op de notities die van het telefoonverkeer zijn gemaakt. Uit deze notities blijkt dat ook na de datum waarop de jaarrekening volgens gemachtigde zou zijn toegezonden, namens belanghebbende bij voortduring is verzocht om uitstel voor motivering van en toelichting op de aangifte. Aldus de inspecteur. 2.13. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geciteerd uit het bezwaarverslag waarin aantekeningen zijn opgenomen van 13 telefoongesprekken die de bezwaarbehandelaar in de periode tussen 11 april 2016 tot en met 7 september 2016 met [B] (10
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.