← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2018:2566

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 17/6052 WET uitspraak van 19 april 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Middenweg B.V., gevestigd te Andel, eiseres, gemachtigde: mr. S.J.W.C. Lipman en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juli 2017 (bestreden besluit) inzake het opleggen van een boete van € 3.600,-- wegens het overtreden van artikel 3.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 maart

  1. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.W.C. Lipman en [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Atmar. Overwegingen
  2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres exploiteert een kassenteeltbedrijf met 35 tot 40 werknemers. De daken van de kassen worden gereinigd met behulp van een dakwasser die vanaf een verrijdbare dok (verplaatsingsplatform) heen en weer over de daken van de kassen gaat. Op 17 februari 2016 is een werknemer van eiseres van een dakwasser van een kassencomplex gevallen. De werknemer was via een draagbare ladder, die tegen het platform van het dok van de dakwasser was geplaatst, 4,5 meter naar boven geklommen om daar onderhoud te plegen. Toen hij op de vloer van het dok wilde stappen viel hij naar beneden en brak daarbij zijn polsen. Hij heeft vervolgens drie dagen in het ziekenhuis doorgebracht. De dakwasser was niet voorzien van leuningen, hekwerken of andere voorzieningen om houvast te bieden bij het betreden van het platform van het dok en om valgevaar te voorkomen. Dit ongeval heeft geleid tot het boeterapport van 23 mei 2016 van arbeidsinspecteur [arbeidsinspecteur] . Op 19 oktober 2016 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het voornemen om haar een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 3.2 van het Arbobesluit. Bij het primaire besluit van 8 november 2016 heeft verweerder conform zijn voornemen een boete van € 3.600,-- opgelegd wegens het overtreden van artikel 3.2, eerste lid, van het Arbobesluit. Daartegen heeft eiseres op 19 november 2016 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 15 februari 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat door eiseres geen gronden van bezwaar waren ingediend. Bij besluit van 24 maart 2017 is verweerder hier op teruggekomen en is eiseres wederom een termijn gegund om de gronden van haar bezwaar aan te voeren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.
  3. De rechtbank overweegt ambtshalve dat verweerder op goede gronden is teruggekomen op de niet-ontvankelijk verklaring van 15 februari
  4. Het bestreden besluit is de nieuwe beslissing op bezwaar, die als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt. Ter zitting is gebleken dat verweerder verzuimd heeft het onjuiste besluit van 15 februari 2017 te herroepen. Daarom zal de rechtbank dit besluit alsnog herroepen.
  5. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij er alles aan heeft gedaan om gevaar te voorkomen en - indien dat niet mogelijk was - zoveel mogelijk te beperken. Subsidiair heeft zij betoogd dat de boete gematigd dient te worden tot nihil wegens het volledig ontbreken van verwijtbaarheid dan wel gematigd dient te worden omdat, gelet op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en alle omstandigheden van het geval, de thans opgelegde boete niet evenredig genoemd kan worden. In dat verband heeft eiseres aangevoerd dat het slachtoffer een onderhoudsman is die elke dag verschillende werkzaamheden heeft, waardoor het feitelijk onmogelijk is om vooraf te beschrijven hoe ieder werkje uitgevoerd dient te worden. Met betrekking tot de dakwasser heeft eiseres gesteld dat een hekwerk of leuning de val niet zou hebben voorkomen, dat er ook geen dakwassers met hekwerk en/of leuning te koop zijn en dat daar ook een reden voor is omdat het de toegankelijkheid van het platform belemmert. Volgens eiseres is de onderhoudsman van de ladder gevallen en dat zou door de aanwezigheid van een hekje of een leuning ook niet voorkomen zijn.
  6. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van het Arbobesluit zijn arbeidsplaatsen veilig toegankelijk en kunnen ze veilig worden verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Krachtens artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in – voor zover hier van belang – artikel 3.
  7. Ter uitvoering van de bij of krachtens de Arbowet gestelde regels heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandig-hedenwetgeving (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld. Voor overtreding van artikel 3.2 van het Arbobesluit geldt categorie 4 waarvoor ingevolge artikel 1, derde lid, sub a, van de Beleidsregel bij de berekening van een bestuurlijke boete het normbedrag van € 3000,-- geldt. Artikel 1, achtste lid, sub a, van de Beleidsregel, bepaalt dat de in het derde lid genoemde normbedragen uitgangspunt zijn voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Bedrijven of instellingen met 10 tot en met 39 werknemers betalen 30 procent. Op grond van artikel 1, tiende lid, aanhef en sub b, van de Beleidsregel, kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag: b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen vermenigvuldigd met vier. Aldus is de boete bepaald op € 3.600,-- (te weten € 3.000,-- x 30% x 4 = € 3.600,-- ). 5.1 De rechtbank stelt voorop dat bij het volledig ontbreken van verwijtbaarheid geen boete kan worden opgelegd en dat verminderde verwijtbaarheid een grond kan zijn om de boete te matigen. Het is daarbij aan eiseres om de (mate van) afwezigheid van verwijtbaar-heid te onderbouwen door aannemelijk te maken dat zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs verwacht mag worden om de overtreding te voorkomen. 5.2 Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres weliswaar heeft gesteld dat de onderhoudsman van de ladder is gevallen, maar blijkens de in het boeterapport opgenomen verklaring van de onderhoudsman is hij gevallen toen hij van de ladder op het dok wilde stappen. Nu het boeterapport op ambtsbelofte is opgemaakt zal de rechtbank hier van uitgaan. Dit betekent dat de arbeidsplaats niet zodanig veilig toegankelijk was dat gevaar voor de veiligheid van de werknemer zoveel mogelijk is voorkomen. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van artikel 3.2, eerste lid, van het Arbobesluit. Verweerder was op grond daarvan bevoegd om een boete op te leggen, tenzij eiseres geen enkel verwijt kan worden gemaakt. 5.3 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de enkele stelling van eiseres dat dakwassers met hekwerk en/of leuning niet te koop zijn, ontoereikend is om te kunnen concluderen dat eiseres geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Hieraan staat reeds in de weg dat ter zitting naar voren is gekomen dat een paar jaar geleden een model dakwasser mèt hekwerk op de markt is gebracht. Eiseres heeft in dit verband voorts gesteld dat zij veiligheid hoog in het vaandel heeft en er bij haar werknemers altijd op aandringt dat zij bij twijfel niet moeten doorgaan met de werkzaamheden, maar dat een onderhoudsman geconfronteerd kan worden met een grote variëteit aan problemen die opgelost moeten worden en dat het niet mogelijk is om al die situaties te beschrijven ten behoeve van een veilige aanpak. De rechtbank heeft oog voor deze feitelijke situatie, maar dit leidt niet tot het oordeel dat eiseres in dit specifieke geval geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat voor werkzaamheden die op meer dan 4 meter hoogte plaatsvinden meer verwacht mag worden dan de door eiseres getroffen maatregelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat het aanbrengen van een voorziening om houvast te bieden bij het betreden van het platform van het dok niet bijdraagt aan de veiligheid voor de onderhoudsman die het dok wil betreden. Het is immers zeer aannemelijk dat een hekwerk of leuning houvast biedt bij het overstappen op het platform van het dok en aldus het risico op vallen bij het betreden van het platvorm (aanmerkelijk) verkleint. Daarmee staat vast dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de onderhoudsman in dit geval niet zoveel als mogelijk is voorkomen. Dat betekent dat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid en dat artikel 3.2, eerste lid, van het Arbobesluit is overtreden. Verweerder was dus bevoegd om de boete op te leggen.
  8. Eiseres heeft subsidiair betoogd dat de boete gematigd had moeten worden omdat, gelet op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en alle omstandigheden van het geval, de thans opgelegde boete niet evenredig genoemd kan worden. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een van de in het bestreden besluit opgesomde en in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel genoemde inspanningen van de werkgever die kunnen leiden tot matiging van de boete. Ook overigens heeft eiseres geen concrete omstandigheden aangevoerd die verweerder hadden moeten nopen tot het matigen van de boete.
  9. Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: herroept het besluit van verweerder van 15 februari 2017 waarbij het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard; verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april
  10. P.H.M. Verdonschot, griffier G.M.J. Kok, rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.