RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 17/7620, 17/7722 tot en met 17/7729 uitspraak van 8 juni 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 19 oktober 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de inhouding van loonheffing over zijn genoten loon in de hierna genoemde tijdvakken in 2017. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] en ter bijstand [A], beiden verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Westerhoven, en namens de inspecteur, [verweerder]. 1Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. 2Gronden 2.1. Belanghebbende is in dienstbetrekking werkzaam bij [B BV] (hierna: de werkgever). De werkgever heeft aan belanghebbende in de hieronder genoemde aangiftetijdvakken de volgende personenauto ter beschikking gesteld: Zaaknummer Aangiftetijdvak in het jaar 2017 Merk en type auto 17/7620 1 januari tot en met 29 januari Volkswagen Golf 17/7722 30 januari tot en met 26 februari Volkswagen Golf 17/7723 27 februari tot en met 26 maart Volkswagen Golf 17/7724 27 maart tot en met 23 april Volkswagen Golf 17/7725 24 april tot en met 21 mei Volkswagen Golf 17/7726 22 mei tot en met 18 juni Volkswagen Golf 17/7727 19 juni tot en met 16 juli Volkswagen Golf 17/7728 17 juli tot en met 13 augustus Volkswagen Tiguan 17/7729 14 augustus tot en met 10 september Volkswagen Tiguan 2.2. Belanghebbende heeft in onderhavige tijdvakken de betreffende auto voor privédoeleinden ter beschikking gehad. De werkgever heeft ter zake hiervan, per tijdvak, loonheffing ingehouden in verband met het zogenoemde autokostenforfait op grond van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB). 2.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 13 september 2017 bezwaar gemaakt tegen de ingehouden loonheffingen in de in 2.1 vermelde aangiftetijdvakken. 2.4. Belanghebbende heeft in de motivering van zijn beroepschrift, bevestigd ter zitting, gemeld erin te berusten dat de inspecteur de bezwaren inzake de tijdvakken 1 januari tot en met 16 juli wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ter zitting heeft belanghebbende gemeld dat deze berusting niet betekent dat hij de desbetreffende beroepen intrekt; reden is dat hij geen rechten wil verspelen in verband met een eventuele civielrechtelijke procedure. De rechtbank begrijpt aldus dat belanghebbende geen gronden aanvoert tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de genoemde bezwaren. De beroepen in zaaknummers 17/7620, 17/7722 tot en met 17/7727 zijn daarom ongegrond verklaard. 2.5. De Volkswagen Tiguan (zaaknummers 17/7728 en 17/7729; hierna: de auto) heeft als datum eerste toelating 3 januari 2017 in Duitsland en is op 20 juli 2017 in het Nederlandse kentekenregister ingeschreven. 2.6. Niet in geschil is dat de berekening van het autokostenforfait in overeenstemming is met het nationale recht. Tussen partijen is in geschil of het bepaalde in artikel 13bis, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet LB verenigbaar is met de tweede volzin van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Juridisch kader 2.7. Op grond van artikel 13bis, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB wordt, indien ook voor privédoekeinden een auto ter beschikking is gesteld, het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste een bepaald percentage van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. Lid 5 van voornoemd artikel luidt (voor zover van belang): Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder waarde van de auto: catalogusprijs in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 [hierna: Wet Bpm] vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van die wet, met dien verstande dat de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer. Op grond van artikel 9 van de Wet Bpm wordt onder catalogusprijs verstaan (voor zover van belang) de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs, waarin geen Bpm is begrepen, welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Artikel 110 VWEU luidt (voor zover van belang): “De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.” Inhoudelijk 2.8. Artikel 13bis, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet LB bepaalt dat het autokostenforfait voor een auto die minder dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, dient te worden berekend op basis van de catalogusprijs (hierna: de waarderingsregel). Volgens belanghebbende dient deze waarderingsregel onverbindend te worden verklaard wegens strijdigheid met het Unierecht. Door op gebruikte auto’s een belasting te heffen die gebaseerd is op een hogere waarde (de catalogusprijs) dan de werkelijke waarde, zoals in het onderhavige geval, moet een dergelijke maatregel geacht worden te vallen onder de toetsing van de tweede volzin van artikel 110 VWEU. De genoemde volzin van artikel 110 VWEU richt zich namelijk tegen elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme in het geval van producten die, hoewel niet gelijksoortig zoals in de eerste volzin, toch gedeeltelijk, indirect of potentieel in een concurrentieverhouding staan met sommige producten van het land van invoer. De aankoop van een gebruikte, uit een andere lidstaat afkomstige, auto wordt zijdelings belemmerd door ter zake van die auto een belasting te heffen die gebaseerd is op een hogere waarde dan de werkelijke waarde van de auto. Aangezien de waarderingsregel geen onderscheid maakt tussen nieuwe en gebruikte auto’s – voor beide geldt de catalogusprijs –, zullen werknemers aan wie door de werkgever een auto ook voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld, liever een nieuwe en ongebruikte auto kiezen. Als gevolg daarvan wordt de aankoop van gebruikte (uit een andere lidstaat afkomstige) auto’s ontmoedigd. Er is sprake van een stelsel van binnenlandse belastingen waarbij het bedrag van de belasting is berekend zonder rekening te houden met de werkelijke waardevermindering, wat een protectionistische werking heeft ten gunste van nieuwe (binnenlandse) auto’s, aldus nog steeds belanghebbende. Belanghebbende benadrukt daarbij dat reeds een maatregel die in potentie protectionistisch is, niet verenigbaar is met de tweede volzin van artikel 110 VWEU. Volgens de inspecteur is van strijd met het Unierecht geen sprake. In de kern voert de inspecteur aan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.