RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/810647-15 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juli 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1945 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman mr. E. Manders, advocaat te Rotterdam 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 juni 2018 waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging Verdachte staat terecht, ter zake dat: hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2014 tot en met 28 juli 2014 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een of meer kogels in het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; art 289 Wetboek van Strafrecht 3De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding De dagvaarding is geldig. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte. Volgens de verdediging is er door het openbaar ministerie inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het openbaar ministerie heeft in deze zaak een tunnelvisie gehad waardoor het forensische en tactische onderzoek op diverse punten bewust onvolledig en onbetrouwbaar is geweest. Dit is met name naar voren gekomen bij het onderzoek naar DNA op het vuurwapen waarmee [slachtoffer] vermoedelijk is doodgeschoten, waarin het DNA van verdachte op de trekker aanvankelijk als hoofdprofiel is aangemerkt, hetgeen pas na door de verdediging verricht onderzoek onjuist bleek te zijn. Tevens is gebleken dat aan personen die op grond van het dossier mogelijk als verdachten aangemerkt konden worden, tijdens hun verhoren op voorhand is voorgehouden dat zij niet als verdachten werden aangemerkt in deze zaak. Het gaat daarbij om [naam 1] en [naam 2] . Naast deze punten zijn er nog diverse andere punten waarop het openbaar ministerie bewust het dossier onjuist of onvolledig heeft samengesteld, ten nadele van verdachte. In het licht van het tijdsverloop, de tijdsduur die nieuw onderzoek met zich mee zou brengen in combinatie met de leeftijd van verdachte en zijn medische situatie, is als gevolg hiervan sprake van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, is niet voldaan aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Tevens is volgens de verdediging gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Door op deze wijze het opsporingsonderzoek uit te voeren is waarheidsvinding onmogelijk gemaakt, op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging om bewijsuitsluiting van alle onderzoeksresultaten. 3.3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie voert aan dat er geen sprake is van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte. In deze zaak heeft een omvangrijk onderzoek plaatsgevonden waarbij breder is gekeken dan enkel naar deze verdachte. [verdachte] is aanvankelijk zelfs enkel als getuige gehoord. Er is wel degelijk onderzoek gedaan naar [naam 2] en [naam 1] , maar dat onderzoek heeft geen aanknopingspunten voor een verdenking opgeleverd. Het is niet vreemd dat de focus uiteindelijk komt te liggen op datgene wat, na het verrichtte onderzoek, het meest in het oog springt. Van tunnelvisie is dan ook geen sprake. Door al het onderzoek is de uiteindelijke focus op verdachte komen te liggen, wat niet kan worden aangemerkt als tunnelvisie. Het verwisselen van de donor van het DNA hoofdprofiel op de trekker van het vuurwapen is een menselijke fout geweest en geen doelbewuste actie. Wanneer die verwisseling onopgemerkt was gebleven, had het de zaak van verdachte zelfs zwakker gemaakt omdat al het andere dan niet in beeld was gekomen. Er kan gesproken worden van een integere opsporing en het verweer van de verdediging dient dan ook te worden verworpen. 3.3.3 Het oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 359a lid 1 sub c van het Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, indien door dit verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Van niet-ontvankelijkheid kan sprake zijn wanneer het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (Zwolsmancriterium). Daarnaast kan niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bij hoge uitzondering aan de orde komen indien, afgezien van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en van de vraag of daardoor de belangen van de verdachte zijn geschaad, een ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt (het Karmancriterium). Naar het oordeel van de rechtbank is van onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek niet gebleken. Meer in het bijzonder ten aanzien van de door de verdediging aangehaalde aanvankelijke fout in de aanduiding van DNA-hoofdprofielen op de trekker, merkt de rechtbank op dat sprake was van een vergissing, die tijdig door het openbaar ministerie is erkend, en dat deze vergissing en de mogelijke gevolgen daarvan in het eindproces-verbaal ook zijn beschreven. De rechtbank heeft daarmee in haar onderzoek rekening kunnen houden. Het geconstateerde verzuim is daarmee afdoende hersteld en de verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad. Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat er in deze strafzaak een uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden, dat zeker niet alleen op verdachte was toegespitst. Vanaf het moment van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is er breed gerechercheerd. Zo is er, anders dan de raadsman suggereert, ook onderzoek gedaan naar [naam 2] en [naam 1] . Deze onderzoeken hebben echter uiteindelijk geen verdere aanwijzingen opgeleverd voor betrokkenheid van deze personen bij de dood van [slachtoffer] . Verdachte is aanvankelijk niet als verdachte aangemerkt en is eerst gehoord als getuige. Gaande het onderzoek zijn er steeds meer aanwijzingen in de richting van verdachte gekomen. Pas op 24 maart 2015 is hij aangehouden als verdachte. Meer specifiek ten aanzien van de DNA-onderzoeken overweegt de rechtbank dat ook hier niet van een tunnelvisie is gebleken. Uit het dossier blijkt dat er van veel personen DNA is afgenomen (zie onder meer pagina 48a van het einddossier) en is onderzocht. Verder blijkt uit diverse rapporten van het NFI, dat is gevraagd om vergelijkend onderzoek te doen naar het DNA van specifieke personen, zoals bijvoorbeeld [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , maar dat dat telkens niets heeft opgeleverd. Integendeel, als resultaat is het DNA van verdachte juist naar voren gekomen, een persoon waarop de focus nog niet lag op het moment dat deze onderzoeken werden uitgevoerd. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van een tunnelvisie, zoals door de verdediging omschreven, geen sprake is. Hieraan doet niet af dat aan [naam 2] en [naam 1] door de politie op enig moment is medegedeeld dat zij niet als verdachte werden gezien. Van een dergelijke mededeling aan een derde kan naar het oordeel van de rechtbank immers niet worden gezegd dat hierdoor de verdachte in een rechtens te beschermen belang is geschaad. De rechtbank constateert op basis van het pleidooi van de raadsman voorts, dat verdachte vanaf november 2014 is voorzien van rechtsbijstand. Naar aanleiding van de uitkomsten van de onderzoeken van de politie bestond er voor de verdediging telkens de mogelijkheid om een contra-expertise te vragen en de mogelijkheid om onderzoekswensen in te dienen. Van die mogelijkheid is tot en met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak geen gebruik gemaakt. Voor het eerst bij pleidooi is gesteld dat er meer en ander forensisch onderzoek mogelijk zou zijn geweest en had moeten worden verricht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen, dat er geen inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad voor wat betreft het recht op een eerlijk proces. Evenmin is naar haar oordeel sprake van een ernstige schending waardoor het wettelijke systeem in de kern is geraakt. De rechtbank verwerpt dan ook het niet-ontvankelijkheidsverweer. Nu ook overigens niet is gebleken dat daar iets aan in de weg staat, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte. 3.4 De schorsing van de vervolging Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 26 juni 2014 schuldig heeft gemaakt aan doodslag op zijn schoonzoon [slachtoffer] . Hij voert daartoe aan dat uit het onderzoek van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] naar voren is gekomen, dat hij door twee, ieder op zichzelf dodelijke, schoten is overleden. Op het aangetroffen vuurwapen, waarvan uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] hiermee om het leven is gebracht, is het DNA van verdachte aangetroffen. Opmerkelijk daarbij is dat zijn DNA niet alleen op de trekker, hamer, greep en veiligheidspal zat, maar ook op de patroonhouder. Tevens is het DNA van verdachte getraceerd op de matras die in de Renault bus is aangetroffen, die op het terrein van [slachtoffer] stond. Deze matras is afkomstig uit de slaapkamer van [slachtoffer] . Daarbij is het opmerkelijk dat het DNA van verdachte is aangetroffen langs de snijrand van het verwijderde deel en op de kopse kant van de matras en niet op het liggedeelte. Het tijdstip waarop [slachtoffer] om het leven is gebracht moet, gelet op het laatst verstuurde bericht met zijn telefoon en de eerste waarneming van het blauwe pakket in het Markkanaal, zijn gelegen op 26 juli 2014 tussen 0.45 uur en 09.10 uur. De verklaring van verdachte, dat hij rond 23.00 bij [slachtoffer] op een Tomos-brommer is vertrokken, vindt geen steun in de verklaringen van [naam 2] en [naam 5] in combinatie met het aan de hand van de telefoongegevens van [naam 5] vast te stellen tijdstip van vertrek naar Spanje. Verder is het opvallend dat verdachte geen enkele poging heeft gedaan om [slachtoffer] te vinden en zich ook geen zorgen maakte, toen [slachtoffer] op 26 juli 2014 niet op het terrein aanwezig bleek te zijn, terwijl [naam 2] dat wel deed. Opvallende verklaringen zijn die van [naam 6] , dat hij van [naam 4] heeft gehoord dat verdachte tegen hem had gezegd “Jij bent ook een clown, ik kan jou ook laten verdwijnen. [slachtoffer] vinden ze nooit meer” en die van [naam 7] , waarin zij zegt dat zij van [slachtoffer] had gehoord dat [verdachte] en [naam 8] zijn terrein willen hebben. Wegens gebrek aan bewijs voor een uitvoering van de doodslag met voorbedachte raad, vordert de officier van justitie vrijspraak van moord. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat alle onderzoeksresultaten van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten wegens grove schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals is betoogd ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie. Verder is gesteld dat verdachte voor het eerst in zijn leven heeft meegewerkt aan een politieonderzoek. Hij wilde de dood van zijn schoonzoon opgehelderd zien. Volgens verdachte heeft de dood van [slachtoffer] ermee te maken dat hij samen met [naam 2] [naam 3] heeft omgebracht en dat [slachtoffer] loslippig was. Verdachte is op de bewuste avond bij [slachtoffer] geweest, maar hij is rond 23.00 uur op een Tomos-brommertje naar Rijsbergen vertrokken, waar hij rond middernacht is aangekomen. Zijn verklaring op dit punt kan niet worden geverifieerd aan het tijdstip van vertrek naar Spanje van [naam 5] en haar reisgenoten, nu iedereen daar iets anders over heeft verklaard. Bovendien kan op basis van zendmastgegevens geen locatie van de aanstraler worden vastgesteld. Verder waren er meerdere mensen die beschikten over sleutels van het terrein en het chalet van [slachtoffer] . De verklaringen van [naam 4] en [naam 6] , waarin in de richting van verdachte wordt gewezen, kunnen niet als betrouwbaar worden aangemerkt. Het is juist dat verdachte de Renault Master heeft verplaatst, maar dat was op een moment toen [slachtoffer] nog leefde. Van het vuurwapen kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat dit het wapen is waarmee [slachtoffer] om het leven is gebracht, de meting van de groeven had immers nauwkeuriger gemoeten. Voorts is er onjuist gerapporteerd over de overeenkomst tussen het aangetroffen DNA op het glas en het hoofdprofiel op de trekker van het vuurwapen. De excuusbrief van de vorige zaaksofficier van justitie ontbreekt in het dossier. Onderzoek naar de camerabeelden vanaf het moment van vertrek van verdachte bij [slachtoffer] ontbreekt; er is enkel naar beelden gekeken vanaf een uur na zijn vertrek. Er is ook geen onderzoek gedaan naar de maat van de aangetroffen schoensporen en de schoenmaat van verdachte. Tot slot blijkt uit het feit dat [naam 9] in het kantoor whiskyglazen heeft aangetroffen, dat [slachtoffer] inderdaad, zoals verdachte zegt, nog ander bezoek heeft gehad nadat verdachte al weg was. Onderzoek naar deze zaken had ontlastend materiaal voor verdachte op kunnen leveren. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Toelaatbaarheid bewijs Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen is er geen sprake van onherstelbare vormverzuimen of schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat ook het verweer dat op die grond alle onderzoeksresultaten van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten, wordt verworpen. Aantreffen en onderzoek stoffelijk overschot Op 28 juni 2014 omstreeks 15.15 uur is in het Markkanaal te Terheijden een in blauw zeil verpakt object aangetroffen. Het blauwe zeil was omwikkeld met grijze en zwarte tape en een soort witte kabel. Het object had de vorm van een menselijk lichaam waarbij duidelijk een vorm van een hoofd was te onderscheiden en de vorm van een romp. De brandweer heeft het object uit het water gehaald en na een kort onderzoek werd geconstateerd dat het om een stoffelijk overschot ging. Op 29 juli 2014 heeft een schouw plaatsgevonden. Bij deze schouw werd bevonden dat het pakket verpakt zat in een geweven dekzeil waarvan de ene kant blauw en de andere kant donkergroen van kleur was. Het zeil had rondom aan de uiterste zijden diverse zilverkleurige ringen. Het pakket was omwikkeld met drie soorten tape. De hoofdzijde was ter hoogte van de nek eenmaal omwikkeld met een beige/witte elektriciteitskabel. Aan de elektriciteitskabel was een vermoedelijke wielnaaf bevestigd. Uit onderzoek bleek dat het slachtoffer [slachtoffer] , wonende [adres slachtoffer] , betrof. Uit het pathologisch onderzoek is naar voren gekomen dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard op basis van orgaanfunctiestoornissen ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld: een doorschot aan het hoofd en een doorschot aan de borstkas. Uit het radiologisch onderzoek van het Academisch ziekenhuis Maastricht blijkt, dat de letsels in het verloop van beide trajecten de dood ieder afzonderlijk kunnen verklaren. Tussenconclusie Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast, dat het op 28 juni 2014 aangetroffen stoffelijk overschot [slachtoffer] , bij leven verblijvende aan het [adres slachtoffer] , betrof en dat hij door vuurwapengeweld, dat bestond uit twee op zichzelf dodelijke schoten, om het leven is gekomen. Onderzoek [adres slachtoffer] Op 1 augustus 2014 heeft er een oriënterend onderzoek plaatsgevonden op het terrein en in het chalet op [adres slachtoffer] . Het chalet was afgesloten, met uitzondering van de schuifdeur aan de linkerzijde van de woonkamer. In de keuken zat op de rand van het keukenblok een bloedspoor. In de slaapkamer, linksvoor op de bedrand van het tweepersoonsbed, waarin een matras ontbrak, zat bloed. Er zat ook bloed op een naast dit bed staande eenpersoons lattenbodem. Op de tussenmuur van de slaapkamer met de badkamer zat een bloedspattenpatroon. In een van de latten van een in de bedombouw gelegen eenpersoons lattenbodem zat een gat. In de slaapkamervloer daaronder zat een beschadiging. Naar aanleiding hiervan is op 1 augustus 2014 een uitgebreid onderzoek in het chalet ingesteld. Op grond daarvan is vastgesteld dat er in de slaapkamer een persoon gewond is geraakt waarbij, gelet op het bloedbeeld, niet uitgesloten kan worden dat er sprake is geweest van twee bloedbronnen. Gezien het aantreffen van munitiedelen kan vuurwapengeweld aldaar niet worden uitgesloten. Vanuit de slaapkamer heeft een bloedbron of bloedbronnen zich verplaatst naar de voordeur. Door schoonmaakwerkzaamheden is een latent bloedbeeld ontstaan in de hal, keuken, badkamer en slaapkamer. Er is onder meer een bloedbeeld, gevormd in de rechterhoek van het bed bemonsterd (SIN-nummer AAHM6193NL). Ook is een bloedbeeld onder de rechterhoek bemonsterd (SIN-nummer AAHM6184NL). Tijdens dit onderzoek is onder meer het linker blauwe glas dat op het aanrecht in de keuken stond bemonsterd (SIN-nummer AAHM6212NL). Ook is op de vloer achter de staande lattenbodem een manteldeel van een kogel veiliggesteld . Het onderzoek van het NFI naar de bemonsteringen van de SIN-nummers AHM6193NL en AAHM6184NL van het aangetroffen bloed leverde als uitslag op dat het hierin aangetroffen DNA profiel van [slachtoffer] afkomstig was. In de bemonstering van het glas is het DNA-profiel van verdachte aangetroffen. Tijdens het voortgezette sporenonderzoek op 2 augustus 2014 bleek in de slaapkamer van het chalet, onder het midden van het hoofdeinde van de lattenbodem, een beschadiging in het zeil te zitten. In de houten vloer onder dit zeil is een projectiel (kogel) aangetroffen dat is veiliggesteld (SIN-nummer AAHM6179NL). Tussenconclusie Gelet op het aangetroffen sporenbeeld in de slaapkamer van het chalet op [adres slachtoffer] is de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel dat vastgesteld kan worden dat het vuurwapengeweld waardoor [slachtoffer] is overleden in deze slaapkamer heeft plaatsgevonden. Tijdstip overlijden Getuige [naam 10] heeft op zaterdag 26 juli 2014 om 09.10 uur een zelfde soort blauw pakket in het Markkanaal gezien als op 28 juli 2014 daar is aangetroffen. Uit onderzoek naar de aangetroffen telefoon van het merk LG in de woning van [slachtoffer] is gebleken dat daarin een Whatsapp-conversatie stond tussen accounts [naam 8] en [slachtoffer] . Op 26 juli 2014 zijn tussen deze twee accounts de volgende berichten gestuurd: Inkomend van [naam 8] om 0.44.05 uur: Pff. Weet eg niet wat je lullt gezelge weeke Uitgaand van [slachtoffer] om 0.45.41 uur: Ja jij ook bedoel fijne vakantie en voorzichtig. Tussenconclusie De rechtbank gaat ervan uit dat het pakket dat [naam 10] heeft gezien, het pakket is met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . De rechtbank gaat er verder, mede gelet op het voorafgaande Whatsapp-verkeer, van uit dat het laatste vermelde Whatsapp-bericht is verstuurd door [slachtoffer] . Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat het tijdstip waarop [slachtoffer] is overleden, is gelegen op 26 juli 2014 tussen 0.45 uur en 09.10 uur. Aangetroffen vuurwapen Zastava Tijdens de doorzoeking op het terrein van [adres slachtoffer] is in een tuinhuis/ terrasoverkapping achter de houten bank die daar stond een tas aangetroffen met daarin onder meer een vuurwapen (SIN-nummer AAGA2344NL). Er is vervolgens door het NFI onderzoek gedaan naar dit vuurwapen in combinatie met de aangetroffen kogel in de slaapkamer. Het vuurwapen betrof een semi-automatisch werkend pistool van het merk Zastava, model M57, kaliber 7,62 Tokarev. Met dit vuurwapen zijn vier proefschoten gelost. In de groeven van de kogel bevinden zich kraslijnen die tijdens het afvuren zijn ontstaan. Deze sporen zijn geschikt voor vergelijkend kogelonderzoek. Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de sporen in de kogel en die in de proefkogels uit het pistool is gebleken dat de kraslijnen in de groeven voor een groot deel aansluitingen vormen. De waarneming dat de kraslijnen in de kogel en de proefkogels uit het pistool grotendeels aansluiten past bij de hypothese dat de kogel is afgevuurd uit de loop van dit pistool. Op basis van de structuur van de kraslijnen zijn deze sporen zeer kenmerkend voor de loop van het pistool. Hierdoor is het nagenoeg uitgesloten om deze mate van aansluiting waar te nemen als de kogel is afgevuurd uit een andere loop dan de loop van dit pistool. De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn dan ook zeer veel waarschijnlijker als de kogel is afgevuurd uit de loop van het aangetroffen vuurwapen dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het pistool. Tussenconclusie De vraag is of op grond van het voorgaande vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] met dit vuurwapen is doodgeschoten. De verdediging heeft betoogd, dat die conclusie niet kan worden getrokken en baseert zich daarbij op een rapport van het instituut Forensicon. De verdediging heeft een deel van dit rapport overgelegd (pagina’s 46 tot en met 48 van een rapport dat in totaal 59 pagina’s beslaat). De rechtbank acht deze overgelegde informatie te summier om op basis daarvan de conclusie die de verdediging hieruit trekt (te weten dat de aangetroffen kogel niet uit de aangetroffen Zastava afkomstig is) te kunnen verifiëren en slaat op dit rapport geen acht. Zij geeft de verdediging daarbij wel mee dat zij het bewijs dat er op dit punt ligt en dat de verdediging tracht te bestrijden, zoals altijd kritisch zal bekijken. Op grond van het hiervoor aangehaalde NFI-rapport komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet zozeer om de groeven van de kogels gaat, maar om de kraslijnen in die groeven. De structuur van de kraslijnen zijn volgens het NFI zeer kenmerkend voor de loop van een pistool. Het NFI zegt hier tevens over dat het nagenoeg is uitgesloten om deze mate van aansluiting waar te nemen wanneer de kogel uit een andere loop dan die van dit pistool zou zijn afgevuurd en dat het aldus zeer veel waarschijnlijker is dat de kogel uit dit pistool is afgevuurd dan dat het uit een andere loop met hetzelfde kaliber en dezelfde systeemkenmerken zou zijn afgevuurd. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd noch om andere reden aanleiding om aan de conclusies van het NFI te twijfelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de graad ‘zeer veel waarschijnlijker’ de hoogste graad van waarschijnlijkheid is die het NFI in dit verband hanteert. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat het in de slaapkamer aangetroffen projectiel (SIN-nummer AAHM6179NL) is afgevuurd met het aangetroffen vuurwapen (SIN-nummer AAGA2344NL) en dat [slachtoffer] dus met dit wapen is doodgeschoten. DNA vuurwapen In de tas werd een pistool (SIN-nummer AAGA2344NL) aangetroffen in een holster in een blauwe doek (SIN-nummer AAGX7915NL). In deze tas zaten tevens een paar grijze handschoenen en een zwarte bivakmuts. De hamer van het pistool was gespannen. De patroonhouder is verwijderd, waarin zes patronen werden aangetroffen. Op de blauwe poetsdoek is een bloedspoor aangetroffen en veiliggesteld (SIN-nummer AAGX7914NL). Het onderzoek van het TMFI naar de bemonsteringen van het vuurwapen Zastava (AAGA2344NL) levert de volgende resultaten op: De bemonstering #02 (trekker) bevat een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren waarvan het DNA hoofdprofiel is gedefinieerd als DNA-sporenprofiel A. Verdachte kan donor zijn van celmateriaal in de bemonstering. De bemonstering #04 (hamer) bevat een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren. Het DNA-hoofdprofiel matcht met dat van verdachte. De bemonsteringen #01 (greep) en #03 (ribbels/zijkanten achterzijde slede) bevatten een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren. Het DNA-hoofdprofiel matcht met dat van verdachte. De bemonstering #05 (veiligheidspal) bevat een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren. Het DNA-hoofdprofiel matcht met dat van verdachte. De bemonsteringen #06 (voorzijde loop/slede) en #12 (onderzijde slede aan de voorkant) bevatten een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren. Verdachte kan donor zijn van celmateriaal in de bemonsteringen. De bemonstering #11 (bovenzijde slede aan de voorkant) bevat een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren. Verdachte kan donor zijn van celmateriaal in de bemonstering. Alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel zijn ook aangetoond in het DNA-mengprofiel. De bemonstering #13 (ingang patroonhouder) bevat een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren. Verdachte is niet uitgesloten als donor van celmateriaal in de bemonstering. De bemonstering #14 (zijkanten patroonhouder) bevat een complex DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren. Verdachte kan donor zijn van celmateriaal in de bemonsteringen. De bemonstering #15 (onderkant patroonhouder) bevat een onvolledig DNA-profiel. Het onvolledig DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. De bemonstering van het bloedspoor op de blauwe poetsdoek (SIN-nummer AAGX7914NL) bevatte het DNA-profiel van [slachtoffer]. In de bemonstering van een zijde van de blauwe poetsdoek (AAGX7915NL#01) is het DNA-profiel van verdachte aangetroffen en in de bemonstering van de andere zijde (AAGX7915#02) is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen aangetroffen waaronder dat van verdachte. Tussenconclusie Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat op het vuurwapen waarmee [slachtoffer] is doodgeschoten, het DNA van verdachte is aangetroffen. Op de ribbels van de greep, de slede, de hamer én de veiligheidspal is het DNA-hoofdprofiel van verdachte aangetroffen. Het DNA-hoofdprofiel op de trekker is weliswaar niet van verdachte afkomstig, maar zijn DNA is wel op de trekker aanwezig. Daarnaast is het DNA van verdachte aangetroffen op de zij- en onderkant van de patroonhouder. Op de poetsdoek, die in het tasje bij het vuurwapen is aangetroffen, zat bloed van [slachtoffer] en het DNA van verdachte. Renault Master en matras Op het terrein van [adres slachtoffer] stond een Renault Master bestelbus. Tijdens het onderzoek van deze Renault Master is in de laadruimte een matras aangetroffen. Op deze matras zat bloed. De matras was op meerdere plaatsen beschadigd, er was onder meer een hoek afgesneden en op meerdere plaatsen was de toplaag weggesneden. De verwijderde stukken passen bij het wegmaken van bloedsporen. Het gaatje in beschadiging C aan de ene kant van de matras stond in verbinding met beschadiging G aan de andere kant en past bij een schotbeschadiging. De matras is veiliggesteld (SIN-nummer AAHJ0455NL) en op diverse plaatsen bemonsterd. Het NFI heeft de diverse bemonsteringen onderzocht, waarbij de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] , [naam 2] , [naam 3] en het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering van het glas (AAHM6212NL#01) gekoppeld aan onbekende man A zijn betrokken. In vrijwel alle gevallen is DNA van [slachtoffer] aangetroffen, onder andere in de bemonsteringen met de SIN-nummers AAHJ0468NL#01 en AAGA2949NL#
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.