RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 17/3303 uitspraak van 3 augustus 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats belanghebbende] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden beslissingen: De uitspraak van de inspecteur van 21 maart 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) (aanslagnummer [nummer 1] ), alsmede de daarbij opgelegde rentebeschikking; De dwangsombeschikking van 28 juli 2017. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2018 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [naam A] , vergezeld van [naam B] , verbonden aan [kantoornaam ] B.V. te Westerhoven , en namens de inspecteur [naam C] en [naam D] . 1Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep ongegrond; - verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van de terugbetaling van BPM; - wijst het verzoek om immateriële-schadevergoeding af. 2Gronden 2.1. Belanghebbende heeft een bedrag van € 6.078 aan BPM op aangifte voldaan ter zake van de registratie van een personenauto op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Het betreft een personenauto van het merk en type Toyota RAV4 9744 met VIN eindigend op [nummer 2] . 2.2. Naar aanleiding van een herberekening is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd van € 927. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is belastingrente in rekening gebracht van € 16. 2.3. Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief met dagtekening van 24 februari 2017 verzocht binnen veertien dagen uitspraak te doen. In het dossier bevindt zich deze brief met daarop een ontvangststempel van de Belastingdienst van 6 maart 2018. 2.4. Bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2018 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag alsmede de rentebeschikking vernietigd. Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen op 26 april 2017. 2.5. Bij beschikking van 28 juli 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een dwangsomvergoeding toegekend van € 20. Bij fax van 7 september 2017 heeft de rechtbank van belanghebbende een verzoek tot voeging ontvangen met betrekking tot de dwangsombeschikking. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek aangemerkt als een beroep en daarvoor een nieuw zaaknummer toegekend (17/6190). Er is geen griffierecht geheven. Vooraf 2.6. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar erover geklaagd dat verzuimd is een dwangsom toe te kennen. Gelet daarop en gelet op artikel 4:19 Awb, wordt het beroep tegen de uitspraak op bezwaar geacht mede betrekking te hebben op de later alsnog genomen dwangsombeschikking. Dat de dwangsombeschikking later is genomen dan het beroepschrift is ontvangen, doet daaraan niet af. Dit past bij de strekking van artikel 4:19 Awb (vgl. HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1 over de proceseconomie) en ligt ook in lijn met het systeem van de wet (vgl. artikel 6:20, derde lid, Awb). Dit betekent dat de nadien ingediende fax tegen de dwangsombeschikking moet worden aangemerkt als een aanvullend stuk in de procedure met zaaknummer 17/3303, dat dus ook over de dwangsom wordt beslist onder dat zaaknummer en dat geen uitspraak wordt gedaan onder het zaaknummer 17/6190. Uitspraak op bezwaar Schending hoorplicht 2.7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Volgens haar had zij gehoord moeten worden in verband met de vergoeding van de kosten van bezwaar, de dwangsom, de terugbetaling van de belasting en de rentevergoeding. 2.8. De rechtbank is van oordeel dat nu de inspecteur volledig aan het bezwaar van belanghebbende is tegemoetgekomen door de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag en rentebeschikking te vernietigen, de inspecteur – gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Awb – mocht afzien van het horen van belanghebbende. Daaraan doet niet af dat de inspecteur bij de uitspraak op het bezwaar geen integrale vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure heeft gegeven. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens ten aanzien van andere nevenbeslissingen zoals een rentevergoeding over de vermindering van de naheffingsaanslag. Bovendien is van belang dat voor zover belanghebbende op grond van Unierecht een hogere rentevergoeding bepleit dan op basis van de AWR kan worden toegekend, het ten tijde van de uitspraak op bezwaar al duidelijk was dat niet de inspecteur maar de ontvanger daarover gaat (zie 2.9 hierna). Belanghebbendes verwijzing naar het verdedigingsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Op de klacht over het niet-horen in verband met de dwangsom wordt hierna (2.12) ingegaan, omdat er geen bezwaarfase is geweest bij de dwangsombeschikking. Vergoeding van rente over de teruggaaf 2.9. Belanghebbende heeft gesteld dat zij in verband met de teruggaaf van BPM krachtens het Unierecht recht heeft op een passende rentevergoeding. De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341 overwogen dat na 1 januari 2015 uitsluitend de ontvanger van de Belastingdienst bevoegd is deze rente te vergoeden op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990. Tegen een beschikking van de ontvanger staat bezwaar en beroep open. Een (uitspraak op bezwaar tegen een) dergelijke beschikking ligt hier niet voor. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure niet bevoegd is een uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding. Anders dan belanghebbende betoogt dwingt het Unierecht niet om af te wijken van de zojuist beschreven nationaalrechtelijke bevoegdheidsverdeling. Een lidstaat mag – met inachtneming van beginselen zoals het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel – proceduregels treffen met betrekking tot de wijze waarop aanspraak kan worden gemaakt op een rentevergoeding. Of de procedure van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 op alle punten in overeenstemming is met het Unierecht, hetgeen belanghebbende bestrijdt, kan in een eventuele procedure tegen een beschikking op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 aan de orde worden gesteld. Al wat belanghebbende heeft aangevoerd, heeft geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. Opmerking verdient daarbij dat de kern van belanghebbendes betoog is dat van (Unie)rechtswege recht bestaat op volledige rentevergoeding. Het hier door de rechtbank gegeven oordeel houdt echter niet in dat dit betoog onjuist is, maar houdt in dat het niet in strijd is met het Unierecht dat de wetgever heeft bepaald dat de ontvanger degene is die in eerste instantie bevoegd is om vast te stellen of en in hoeverre (invorderings)rente wordt vergoed in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting. Het voor belanghebbende belangrijke pijnpunt of het effectueren van een recht op (aanvullende) rentevergoeding afhankelijk mag worden gesteld van een (tijdig) verzoek, kan in deze procedure niet aan de orde komen. De rechtbank heeft bij de onbevoegdverklaring ter zake van het verzoek om rentevergoeding niet een verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb opgenomen, omdat – zoals uit het voorgaande volgt – er wel een rechtsingang bij de belastingrechter is. Vergoeding van de kosten voor bezwaar 2.10. Aan belanghebbende is bij de uitspraak op bezwaar een vergoeding van de kosten toegekend van € 246. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van de werkelijke kosten aangezien volgens haar van te voren vaststond dat de naheffingsaanslag niet in stand kon blijven. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank stelt voorop dat artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) slechts kan worden toegepast indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Belanghebbende heeft daartoe onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld. Daarbij verdient opmerking dat het enkele feit dat in strijd met het Unierecht zou zijn geheven, niet meebrengt dat aanspraak op een hogere vergoeding dan een forfaitaire vergoeding kan worden gemaakt. Conclusie 2.11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is voor zover het ziet op de uitspraak op bezwaar en dat de rechtbank onbevoegd is ter zake van de verzochte rentevergoeding. Dwangsom Hoorplicht 2.12. Belanghebbende heeft erover geklaagd dat zij niet gehoord is voordat de dwangsombeschikking is vastgesteld. De rechtbank vat deze klacht op als een klacht over schending van artikel 4:8 van de Awb, nu een dwangsombeschikking geen beschikking op aanvraag maar een ambtshalve beschikking is. Gelet op artikel 4:12 van de Awb bestaat er geen verplichting tot het horen van belanghebbende nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.