RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 17/4372, 17/4501 en 17/4575 uitspraak van 3 augustus 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden beslissingen De uitspraken van de inspecteur van 15, 16 en 17 mei 2017 op de bezwaren van belanghebbende tegen: - de voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) van 21 maart 2016 (zaaknummer 17/4372); - de voldoening op aangifte van BPM van 21 juli 2016 (zaaknummer 17/4501); - de voldoening op aangifte van BPM van 10 november 2015 (zaaknummer 17/4575); - de rentebeschikkingen van nihil (zie 2.11). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2018 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] (hierna: de gemachtigde), vergezeld van [A], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Westerhoven, en namens de inspecteur [verweerder]. 1Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond voor zover deze zien op de rentebeschikkingen; verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - stelt de belastingrente vast op een bedrag berekend over de desbetreffende teruggaaf en over de periode: - 1 april 2017 tot en met 29 mei 2017 (zaak 17/4372); - 1 april 2017 tot en met 31 mei 2017 (zaak 17/4501); - 1 april 2016 tot en met 30 mei 2017 (zaak 17/4575); - verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van de terugbetaling van BPM voor zover de AWR daarin niet voorziet; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.002; - gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 999 aan deze vergoedt. 2Gronden Zaaknummer 17/4372 2.1. Belanghebbende heeft een bedrag van € 6.216 aan BPM op aangifte voldaan ter zake van de registratie van een personenauto op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Het betreft een personenauto van het merk en type Ford Kuga 2.0 TDCi 180pk 4 WD Titanium met VIN eindigend op [VIN]. 2.2. Belanghebbende heeft tegen deze voldoening op aangifte bezwaar aangetekend. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en een teruggaaf verleend van € 502. Zaaknummer 17/4501 2.3. Belanghebbende heeft een bedrag van € 3.701 aan BPM op aangifte voldaan ter zake van de registratie van een personenauto op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Het betreft een personenauto van het merk en type Ford Kuga 1.5 EcoBoost 150pk Titanium Edition met VIN eindigend op [VIN]. 2.4. Belanghebbende heeft tegen deze voldoening op aangifte bezwaar aangetekend. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en een teruggaaf verleend van € 186. Zaaknummer 17/4575 2.5. Belanghebbende heeft een bedrag van € 6.409 aan BPM op aangifte voldaan ter zake van de registratie van een personenauto op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Het betreft een personenauto van het merk en type Ford Galaxy 2.0 TDCI 150pk Titanium met VIN eindigend op [VIN]. 2.6. Belanghebbende heeft tegen deze voldoening op aangifte bezwaar aangetekend. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en een teruggaaf verleend van € 510. 2.7. Omdat in alle zaken dezelfde beroepsgronden zijn aangevoerd, behandelt de rechtbank alle zaken tegelijk. Schending hoorplicht 2.8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Volgens haar had zij gehoord moeten worden, aangezien de inspecteur haar standpunt over vergoeding van de kosten van bezwaar niet volgde, en zich niet heeft uitgelaten over de rentevergoeding. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Vast staat dat de enige bezwaargrond van belanghebbende in het bezwaarschrift de btw/marge-kwestie betreft. Niet gebleken is dat belanghebbende op enig moment nadien een andere bezwaargrond heeft aangevoerd. De inspecteur heeft belanghebbende in het gelijk gesteld met betrekking tot de btw/marge-kwestie. Niet is aangevoerd dat de teruggaaf in verband met die kwestie te laag is geweest. Nu aldus ervan moet worden uitgegaan dat volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen, mocht de inspecteur – gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Awb – afzien van het horen van belanghebbende. Daaraan doet niet af dat de inspecteur bij de uitspraak op het bezwaar geen integrale vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure heeft gegeven. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens ten aanzien van andere nevenbeslissingen zoals over een rentevergoeding over de teruggaaf van BPM. Met betrekking tot de rentevergoeding is bovendien van belang dat voor zover het gaat om rente op grond van de AWR, dit een afzonderlijke nieuw te nemen beschikking betreft en dat in dat kader artikel 4:12 van de Awb van toepassing is. Overigens kan een gebrek met betrekking tot die beschikking niet leiden tot vernietiging van een andere beschikking (de uitspraak op bezwaar). Voor zover belanghebbende op grond van Unierecht een hogere rentevergoeding bepleit dan op basis van de AWR kan worden toegekend, was het ten tijde van de uitspraak op bezwaar al duidelijk dat niet de inspecteur maar de ontvanger daarover gaat (zie 2.14 hierna). Belanghebbendes verwijzing naar het verdedigingsbeginsel en naar de artikelen 41, tweede lid en 47 en 48 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie geven geen aanleiding tot andere oordelen. Ex-rental 2.9. Belanghebbende heeft bij de aangifte voor elk van de auto’s de BPM berekend rekening houdend met soortgelijke binnenlandse voertuigen die geen verhuurverleden hebben, omdat niet ondubbelzinnig uit de beschikbare documenten valt op te maken of de desbetreffende auto in de andere lidstaat een verhuurverleden had. Belanghebbende voert in beroep echter aan – zo begrijpt de rechtbank – dat aangezien, gelet op artikel 110 VWEU, de bewijslast bij de inspecteur ligt dat niet naar een te hoog bedrag BPM wordt geheven, het aan de inspecteur is om inzichtelijk te maken of al dan niet sprake is van een verhuurverleden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Nu belanghebbende zich op een extra waardevermindering beroept in verband met een verhuurverleden, rust op haar op dat punt de bewijslast. De rechtbank begrijpt verder dat belanghebbende betoogt dat ook als de onderhavige auto’s geen verhuurverleden zouden hebben, niettemin toch rekening moet worden gehouden met een ‘ex-rentalkorting’ bij de bepaling van de BPM, omdat op een vergelijkbare binnenlandse auto die wél een verhuurverleden heeft, de restant-BPM lager is. Ook in dit betoog gaat de rechtbank niet mee. Als de enkele omstandigheid dat een gebruikte binnenlandse auto een verhuurverleden heeft (dat wil zeggen onafhankelijk of er daadwerkelijk meer schade is dan normale gebruikschade) betekent dat sprake is van een waardedrukkend effect, is het al dan niet hebben van een verhuurverleden dus een relevant verschil voor de waarde van die auto en daarmee voor de BPM die (naar evenredigheid) geacht wordt nog te rusten op die waarde. Dit betekent dat een ingevoerde auto zonder verhuurverleden vergeleken moet worden met een binnenlandse auto die evenmin een verhuurverleden heeft. Bij voormeld betoog van belanghebbende heeft belanghebbende ook gesteld dat sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten. Deze stelling heeft geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. Het klopt dat voor de BPM-heffing op een nieuwe auto een ex-rentalstatus geen rol kan spelen, terwijl bij de BPM-heffing op een ingevoerde auto de ex-rentalstatus wel een rol kan spelen. Dat laatste gebeurt dan echter in het kader van de bepaling van de hoogte van de handelsinkoopwaarde. Dit laatste gebeurt weer om te zorgen dat de BPM-heffing bij een ingevoerde auto niet hoger is dan de BPM die nog rust op de waarde van een soortgelijke binnenlandse auto. Dat sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten volgt de rechtbank dan ook niet. 2.10. Nu belanghebbende overigens geen (voldoende duidelijke) gronden heeft aangevoerd tegen de voldoening op aangifte, is het beroep in zoverre ongegrond. Vergoeding van rente over de teruggaaf 2.11. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat zij recht heeft op vergoeding van rente over de teruggegeven BPM. Belanghebbende heeft in dat kader aangevoerd dat de inspecteur het aangewezen bestuursorgaan is om dat te doen. Belanghebbende heeft in dat kader gesteld dat het arrest HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, onjuist is uit het oogpunt van het Unierecht en dat artikel 28c van de Invorderingswet 1990 in strijd is met het Unierecht. 2.12. De onderhavige zaken zijn op een zitting behandeld waarbij (daarvóór) ook een groot aantal andere BPM-zaken van dezelfde gemachtigde is behandeld. Tijdens de mondelinge behandeling van de onderhavige zaken is vooral de eerdergenoemde ex-rentalkwestie besproken. De rentekwestie is niet aan de orde geweest. Deze kwestie was wel uitgebreid aan de orde geweest in zaken die daarvóór zijn behandeld (met dezelfde ambtenaren die namens de inspecteur optraden). De inspecteur heeft daarbij in zaken waarin sprake was van teruggaaf van BPM die op aangifte was voldaan, het standpunt ingenomen dat, kort gezegd, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.