RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 16/8554 uitspraak van 29 januari 2018 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de [gemeente S], de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende bij nota van 15 april 2015 leges in rekening gebracht (kenmerk: [kenmerk] ). 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 september 2016 de leges gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 november 2016, ontvangen bij de rechtbank op 2 november 2016, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334. 1.4. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018 te Breda. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de ter zitting verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen toegezonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. [A NV] (de aandeelhouder van belanghebbende; hierna: de NV) was in 2007 eigenaar van een golfbaan en de daarop gevestigde opstallen. De [gemeente S] was in 2007 eigenaar van een perceel grond en de daarop gevestigde opstallen, waaronder varkensstallen (hierna: het perceel). De NV en de [gemeente S] (gezamenlijk hierna: de contractspartijen) zijn in 2007 overeengekomen dat het perceel aan de NV wordt overgedragen. Deze afspraken zijn vastgelegd in overeenkomsten van 17 april 2007, 24 mei 2007 en 13 juni 2007 (hierna samen: de Overeenkomst). Het betreffende perceel zou worden gebruikt om de bestaande golfbaan uit te breiden, met daarbij de bouw van onder andere 35 woningen. In 2013 is belanghebbende opgericht en is het perceel ingebracht in belanghebbende. 2.2. De NV heeft op 30 juni 2008 een aanvraag ingediend voor één bouwvergunning voor de bouw van 35 woningen. Ter zake van het in behandeling nemen van deze aanvraag heeft de heffingsambtenaar een bedrag van € 163.531,58 aan leges in rekening gebracht. In mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de [gemeente S] de gevraagde bouwvergunning verleend. 2.3. Belanghebbende heeft op 29 december 2014 ter zake van vier van de bovenstaande woningen aanvragen voor gewijzigde omgevingsvergunningen ingediend. 2.4. De heffingsambtenaar heeft ter zake van het in behandeling nemen van de in 2.3 genoemde aanvragen de onderhavige leges van € 19.803,44 aan belanghebbende in rekening gebracht. 3Geschil 3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:- heeft de heffingsambtenaar naar aanleiding van de aangevraagde wijzigingen terecht leges in rekening gebracht? - heeft de heffingsambtenaar de leges tot het juiste bedrag in rekening gebracht? In het bijzonder is hierbij in geschil of sprake is van een nieuwe aanvraag of van geringe wijzigingen in het project. 3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de nota leges en subsidiair tot vermindering van de nota leges. 3.4. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4Beoordeling van het geschil Wettelijk kader 4.1. Ingevolge artikel 2, onderdeel a van de Legesverordening 2015 (hierna: de Verordening) worden onder de naam “leges” rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, een en ander zoals genoemd in die verordening en de daarbij behorende tarieventabel. 4.2. In hoofdstuk 3 van titel 2 van de Tarieventabel, behorende bij de Verordening staat, voor zover hier van belang, in onderdeel 2.3 het volgende vermeld: “Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, (…)”. 4.3. In onderdeel 2.7.1 van hoofdstuk 7 van titel 2 van de onder 4.2 vermelde tarieventabel is het volgende vermeld:“Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, gering wijziging in het project € 39,18”. Terecht leges geheven? 4.4. Niet in geschil is dat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan en dat daarom beoordeeld op basis van alleen de Verordening bij belanghebbende terecht leges in rekening zijn gebracht. Belanghebbende stelt zich evenwel primair op het standpunt dat heffing van leges in dit geval geheel achterwege moet blijven. Belanghebbende voert daartoe, in de kern, aan dat, gelet op de Overeenkomst, het de bedoeling van de contractspartijen was dat slechts eenmaal leges zou worden geheven, althans dat bij de NV het vertrouwen is gewekt dat dat het geval zou zijn. Ter ondersteuning van haar betoog wijst belanghebbende onder meer op de schriftelijke verklaring van [B] en de verklaringen van [C] ter zitting en tijdens het gesprek met de wethouder op 23 januari 2017. 4.5. De rechtbank is van oordeel dat wat belanghebbende aangevoerd heeft, geen grond biedt om te kunnen oordelen dat de heffing van leges achterwege moet worden gelaten. De rechtbank motiveert dit als volgt. 4.5.1. Een (fiscale) bestuursrechter toetst niet of een overheidslichaam toerekenbaar is tekortgeschoten in de naleving van de verplichting die het bij de overeenkomst op zich genomen heeft, maar of er reden is het besluit te vernietigen wegens strijd met de wet of met het vertrouwensbeginsel (vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057). 4.5.2. Vast staat dat de heffingsambtenaar zelf geen toezegging heeft gedaan dat bij dit project heffing van leges achterwege zou blijven bij een aanvraag van een gewijzigde vergunning na de vergunning die eerder is verleend (hierna: een aanvraag van een tweede vergunning). Van een (impliciete) standpuntbepaling van de heffingsambtenaar zelf is evenmin sprake. 4.5.3. Vast staat eveneens dat in de Overeenkomst geen bepalingen zijn opgenomen met afspraken over (de heffing van leges bij) een aanvraag van een tweede vergunning. Vast staat ook dat ambtenaren van de gemeente niet op enig moment expliciet hebben toegezegd dat geen leges zouden worden geheven bij een aanvraag van een tweede vergunning. Volgens belanghebbende is het echter, kort gezegd, altijd de bedoeling geweest van de contractspartijen – past het in de geest van de Overeenkomst – dat geen leges zouden worden geheven bij een aanvraag van een tweede vergunning. Belanghebbende wijst in dit verband vooral op de rekenmethodiek die ten grondslag heeft gelegen aan de afspraken van de contractspartijen. 4.5.4. Over die rekenmethodiek en de achtergrond daarvan hebben [B] en [C] verklaringen afgelegd. De inhoud van die verklaringen zijn niet, althans niet gemotiveerd, bestreden en de rechtbank acht die verklaringen ook geloofwaardig. Op basis van die verklaringen begrijpt de rechtbank het volgende. De provincie wilde het aantal woningen zo klein mogelijk houden. De NV daarentegen moest wel voldoende woningen kunnen bouwen wilde het project voor haar rendabel zijn. Met het oog op beide belangen is aan de hand van de hoogte van de ingeschatte kosten bepaald hoeveel woningen de NV mocht bouwen. Bij die kosten is rekening gehouden met een heffing van eenmaal leges voor de vergunning tot bouw van het aantal te bouwen woningen. 4.5.5. Gelet op het in 4.5.4 vermelde acht de rechtbank aannemelijk dat beide contractspartijen bij het sluiten van de Overeenkomst ervan zijn uitgegaan dat eenmaal leges zou worden geheven. Dit betekent echter niet dat belanghebbendes beroepsgrond slaagt. De vraag is namelijk of bij het sluiten van de Overeenkomst contractspartijen ervan zijn uitgegaan dat in een later stadium nog zodanige wijzingen aan het bouwplan van één of meer woningen zouden plaatsvinden, dat een (aanvraag van een) tweede vergunning nodig zou zijn. Indien dat niet het geval is, valt de kwestie van een aanvraag van een tweede aanvraag buiten het voorwerp van de Overeenkomst. Alsdan kan reeds daarom niet worden gezegd dat de Overeenkomst in de weg staat aan de heffing van leges. Indien contractspartijen er wel van zijn uitgegaan dat er mogelijk nog zodanige wijzigingen aan het bouwplan van een of meer woningen zouden plaatsvinden dat een (aanvraag van een) tweede vergunning nodig zou zijn, rijst de vraag of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.