RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 17/2407 uitspraak van 3 augustus 2018 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [plaats belanghebbende] ( België ), belanghebbende, en de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 21 februari 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de op zijn naam gestelde beschikking van 7 december 2016 waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [woning] te [plaats woning] (hierna: de woning), voor het kalenderjaar 2016 is gewaardeerd op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2018 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar, [verweerder] en [verweerder] (taxateur). Na de zitting heeft de rechtbank bij brief van 29 juni 2018 het onderzoek heropend en vragen gesteld aan belanghebbende. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 10 juli 2018 gereageerd, van welke brief een kopie aan de heffingsambtenaar is gestuurd. Een nader onderzoek ter zitting is met toepassing van artikel 8:57 van de Awb achterwege gebleven. 1Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; draagt de heffingsambtenaar op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden. 2Motivering Kern van het oordeel 2.0. Zoals de rechtbank aan belanghebbende ter zitting heeft voorgehouden, is bij de rechtbank de vraag gerezen of de bestreden WOZ-beschikking wel terecht aan belanghebbende is afgegeven, en of belanghebbende dan wel de WOZ-waarde van de woning ter discussie mag stellen. De rechtbank is tot de conclusie dat dit niet het geval is. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hierna volgt een juridische onderbouwing van dat oordeel. In de kern komen de overwegingen op het volgende neer: Niet iedereen mag met betrekking tot een bepaalde woning een WOZ-beschikking krijgen. De Wet WOZ geeft regels wie daarvoor in aanmerking komen. Anderen komen niet in aanmerking. De wet bepaalt dus eigenlijk welke personen zijn aan te merken als belanghebbende bij een WOZ-waarde. Er is in dat opzicht sprake van een ‘gesloten stelsel’ van belanghebbenden. De rechtbank is tot de bevinding gekomen dat, gelet op deze regels in de Wet WOZ, belanghebbende niet in aanmerking komt voor een WOZ-beschikking voor de woning [woning] te [plaats woning] . Belanghebbende is geen eigenaar van de woning en ook geen gebruiker van de woning in 2016. Ook is niet gebleken dat belanghebbende in zijn individuele belang wordt geraakt door het gebruik van de WOZ-waarde op basis van een wettelijk voorschrift. Belanghebbende heeft echter wél een WOZ-beschikking gekregen. De rechtbank is van oordeel dat niet op deze fout mag worden voortgeborduurd. Dit zou in strijd komen met het ‘gesloten stelsel’ van belanghebbenden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen procesbelang is. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Juridische onderbouwing Feiten en procesverloop 2.1. Belanghebbende en mevrouw [naam ex-echtgenote] (hierna: de ex-echtgenote) waren onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Bij akte van huwelijkse voorwaarden van [datum akte] 1990 is (onder meer) overeengekomen dat na ontbinding van het huwelijk ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde, gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien er tussen de echtelieden algemene gemeenschap van goederen zou hebben bestaan. 2.2. Belanghebbende en de ex-echtgenote woonden voorheen in de woning aan de [woning] te [plaats woning] (hierna: de woning). De ex-echtgenote was eigenaar van de woning. 2.3. Belanghebbende is per 27 augustus 2014 uit de woning vertrokken. De ex-echtgenote is in de woning blijven wonen. De woning is op 20 juli 2017 door de ex-echtgenote verkocht voor € 650.000. 2.4. Het verzoek tot echtscheiding is op 29 januari 2015 ingediend. Bij vonnis van [datum vonnis] 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de echtscheiding tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenote uitgesproken. 2.5. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2016 op grond van artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van de woning, per waardepeildatum 1 januari 2015, vastgesteld voor het kalenderjaar 2016 op € 821.000. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelastingen eigenaren, afvalstoffenheffing, watersysteemheffing ongebouwd, watersysteemheffing gebouwd, watersysteemheffing ingezetenen en verontreinigingsheffing woningen voor het kalenderjaar 2016 (hierna: de aanslagen) bekend gemaakt. Voornoemde beschikking en de aanslagen zijn op naam gesteld van de ex-echtgenote. De aanslagen zijn betaald door belanghebbende. 2.6. De ex-echtgenote heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor genoemde vastgestelde WOZ-waarde. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde verminderd tot € 670.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. Het bedrag van de vermindering van de aanslagen is teruggestort op de bankrekening van belanghebbende. Door deze storting is belanghebbende bekend geworden met de verlaging van de WOZ-waarde. Belanghebbende heeft daarop aan Sabewa Zeeland verzocht om een eigen WOZ-beschikking. 2.7. Met dagtekening 7 december 2016 is onderhavige beschikking (hierna: de beschikking) aan belanghebbende afgegeven. Op de beschikking staat vermeld dat deze is afgegeven ter uitvoering van artikel 26 van de Wet WOZ. De bij de beschikking vastgestelde WOZ-waarde is (nog steeds) € 670.000. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de WOZ-waarde op de oorspronkelijk vastgestelde waarde van € 821.000 dient te worden vastgesteld. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. Geschil 2.8. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 821.000. De heffingsambtenaar persisteert in de door hem bij beschikking vastgestelde waarde. Had belanghebbende een WOZ-beschikking mogen krijgen? 2.9. De rechtbank is verplicht om zelf (“ambtshalve”) na te gaan of een beroep ontvankelijk is. Indien er geen procesbelang is, is een beroep niet-ontvankelijk. Hier rijst de vraag of er een procesbelang is. Die vraag komt op omdat de vraag is of belanghebbende een WOZ-beschikking voor de woning had mogen krijgen. 2.10. In de artikelen 24, 26 en 28 van de Wet WOZ is bepaald aan wie een WOZ-beschikking kan worden afgegeven. De rechtbank heeft beoordeeld of belanghebbende op grond van één van die artikelen een WOZ-beschikking voor de woning had mogen krijgen. 2.11. In artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ is bepaald dat de bekendmaking van een WOZ-beschikking geschiedt door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak (krachtens eigendom, bezit of beperkt recht) en de degene die degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak (al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht) gebruikt. Nu belanghebbende op 1 januari 2016 geen eigenaar was en geen gebruik maakte van de woning, kon de WOZ-beschikking niet op grond van artikel 24 van de Wet WOZ aan hem worden afgegeven. 2.12. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wet WOZ, voor zover hier van belang, kan een WOZ-beschikking worden genomen ten aanzien van degene die in de loop van het kalenderjaar de hoedanigheid verkrijgt van degene als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ (zie 2.11). Op grond van dit artikel is onderhavige beschikking ten aanzien van belanghebbende genomen. Belanghebbende is echter niet in de loop van het kalenderjaar (alsnog) eigenaar of gebruiker geworden van de woning. Artikel 26, eerste lid, van de Wet WOZ is daarom niet van toepassing op zijn situatie. De heffingsambtenaar heeft dat ter zitting ook erkend. 2.13. In artikel 28, eerste lid, van de Wet WOZ, voor zover hier van belang, is bepaald dat ook ten aanzien van degene die aannemelijk maakt belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak op diens verzoek een WOZ-beschikking kan worden genomen. Van een belang is sprake als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.