RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 17/1617 uitspraak van 24 augustus 2018 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen VOF [belanghebbende], gevestigd te [plaats belanghebbende] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft een gebruikte personenauto van het merk en type Suzuki Swift 1.6 Sport VIN eindigend op [vin] (hierna: de auto) in een andere lidstaat gekocht en in Nederland doen registreren. Voor de auto is € 1.926 op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. 1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak van 24 januari 2017 het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen per fax van 6 maart 2017, op dezelfde dag ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333. 1.4. De inspecteur heeft een geschrift met de titel ‘verweerschrift’ toegestuurd met bijgevoegd ‘de stukken uit het bezwaardossier’. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 28 juni 2017. Nadat partijen zijn uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting, heeft de inspecteur een stuk met de titel ‘Aanvullende gronden van verweer’ ingediend. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 9 mei 2018. 1.5. Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018 te Eindhoven. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de ter zitting verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak aan partijen toegezonden. 1.6. Na de zitting heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank. Voor het geval van verwijzing hebben partijen op de zitting van 25 mei 2018 er reeds mee ingestemd dat een nadere mondelinge behandeling door de meervoudige kamer niet nodig is. Partijen zijn over de verwijzing ingelicht bij brief van 26 juni 2018. In deze brief heeft de rechtbank eveneens de uitspraaktermijn verlengd met zes weken. Bij nadere brieven zijn partijen geïnformeerd over verdere verlenging van de uitspraaktermijn. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende heeft op 1 april 2016 aangifte willen doen voor de Bpm ter zake van de registratie van de auto. De auto heeft als datum eerste toelating (DET) 21 augustus 2012. Volgens deze aangifte bedroeg het te betalen bedrag aan Bpm € 438. De Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: de RDW) heeft na het keuren van de auto deze de status van ‘Wachten op keuring’ (WOK-status) gegeven. De auto was op dat moment aangemerkt als een schadevoertuig in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet 1994 (“voertuig dat ten gevolge van een beschadiging niet langer deugdelijk van bouw en inrichting is”). 2.2. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de aan de auto gegeven WOK-status de in 2.1 vermelde aangifte ingetrokken. 2.3. Belanghebbende heeft op 20 juni 2016, nadat de zogenoemde essentiële gebreken (zie 4.2) aan de auto waren hersteld, opnieuw aangifte voor de Bpm gedaan nu naar een bedrag van € 1.967. Daarop heeft belanghebbende het in 1.1 vermelde bedrag (€ 1.926) voldaan. 3Geschil 3.1. Tussen partijen is uiteindelijk alleen nog in geschil of: artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling (hierna UR) Bpm verenigbaar is met het Unierecht; het historische tarief van voor 1 juli 2012 dient te worden toegepast; belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en een teruggaaf van Bpm. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4Beoordeling van het geschil Is artikel 8, derde lid, van de UR Bpm verenigbaar met het Unierecht? 4.1. Artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2016; hierna: de Wet) luidt als volgt, zover van belang: ‘1. Met betrekking tot gebruikte personenauto's, (…) wordt het bij de personenauto, (…) behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, berekend met inachtneming van een vermindering. 2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto's en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. (…) 10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. (…). 4.2. Artikel 8, derde lid, van de UR Bpm (tekst 2016) luidt als volgt: ‘Indien een gebruikt motorrijtuig essentiële gebreken vertoont waardoor met het motorrijtuig niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, wordt de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, niet vastgesteld dan nadat deze gebreken zijn hersteld. Van essentiële gebreken is in elk geval sprake zolang het motorrijtuig blijkens een vermelding in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet [toevoeging rechtbank: het kentekenregister, het register genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994], bestemd is voor sloop of wacht op keuring.’ 4.3. Artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) luidt: ‘De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.’ 4.4. In het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822 is het volgende overwogen inzake de heffing van Bpm ter zake van ingevoerde schade-auto’s: “2.4.1. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, BNB 2017/148, is het vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 110 VWEU zich verzet tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerd gebruikt motorvoertuig in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd gebruikt motorvoertuig (hierna: referentievoertuig). Producten als auto’s zijn gelijksoortig in vorenbedoelde zin wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Om te voorkomen dat een heffing discriminerend is, moet een reële waardedaling van het tweedehands motorvoertuig in aanmerking worden genomen, dan wel een waardeschatting van dat motorvoertuig die in het algemeen de werkelijke waarde zeer sterk benadert. 2.4.2. Het voorgaande geldt onverminderd bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte schadeauto. Een dergelijke auto moet worden vergeleken met een vergelijkbare schadeauto die door een handelaar op de Nederlandse markt wordt ingekocht. Wanneer de handelaar een dergelijke inkoop doet, zal de nog op de desbetreffende schadeauto rustende bpm gelijk zijn aan een gedeelte van de oorspronkelijke bpm dat evenredig is aan de door de handelaar betaalde inkoopsom. Deze op die schadeauto rustende bpm is niet hoger door het eventuele herstel van de schade of de eventuele marge die de handelaar bij de verkoop ervan realiseert. 2.4.3. Wanneer er niet of nauwelijks gegevens zijn over inkoopprijzen van geregistreerde gebruikte personenauto’s met schade die niet kan worden beschouwd als schade die bij normaal gebruik ontstaat, moet een waardeschatting worden gehanteerd die de werkelijke waarde van dergelijke personenauto’s zo goed mogelijk benadert. Die waardeschatting kan plaatsvinden door op de handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig zonder schade in mindering te brengen de geraamde waardevermindering die redelijkerwijs aan de schade is toe te rekenen.” 4.5. Vast staat dat de auto bij invoer essentiële gebreken had als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de UR Bpm waardoor met de auto niet kon of mocht worden deelgenomen aan het verkeer in Nederland. 4.6. De inspecteur legt artikel 8, derde lid, van de UR Bpm zo uit dat bij de in dat artikel bedoelde vermindering geen rekening mag worden gehouden met (de waardevermindering als gevolg van) essentiële gebreken, of anders gezegd dat de vermindering moet plaatsvinden naar de staat van het motorrijtuig nadat deze gebreken zijn hersteld. Belanghebbende bestrijdt deze uitleg als zodanig niet, maar voert aan dat artikel 8, derde lid, van de UR Bpm onverbindend is wegens strijd met artikel 110 VWEU. De kern van het betoog van belanghebbende is dat doordat geen rekening mag worden gehouden met (de waardevermindering als gevolg van) essentiële gebreken, in strijd wordt gekomen met de jurisprudentie van het HvJ waaruit volgt dat voor de registratiebelasting over een ingevoerd voertuig rekening moet worden gehouden met de waarde(daling) van het voertuig op het moment van registratie. De inspecteur bestrijdt dit betoog. Ten eerste heeft de inspecteur aangevoerd dat er geen binnenlandse markt is voor auto’s met essentiële gebreken. Ten tweede voert de inspecteur aan dat toepassing van artikel 8, derde lid, van de UR Bpm er juist toe leidt “dat door eerst het herstellen van de essentiële gebreken, de juist vergelijking kan worden gemaakt.” Na herstel kan de auto immers pas worden vergeleken met de beschikbare referentie-auto. Een en ander past ook bij de opzet van de Bpm, namelijk aansluiting bij de toelating tot het Nederlandse wegennet: zolang een auto een WOK-status heeft, mag de auto niet worden toegelaten tot het Nederlandse wegennet. 4.7. De inspecteur heeft in verband met het tweede onderdeel van zijn verweer onder meer gewezen op een onderdeel van een passage uit een memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2014/2015, 34002, nr. 3, p. 64). Deze passage luidt als volgt: “De voornaamste wijziging van artikel 10 van de Wet BPM 1992 houdt in dat de mogelijkheid tot gebruik van een taxatierapport voor de waardebepaling wordt beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiks-schade en voertuigen die, vanwege de geringe mate waarin deze voertuigen in Nederland verhandeld worden, niet voorkomen op in de handel algemeen toegepaste koerslijsten voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland (koerslijst). Een eigenaar van een voertuig dat ten gevolge van schade niet deugdelijk van bouw en inrichting is (schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet 1994), kan echter voor de waardebepaling in de BPM geen gebruik maken van taxatierapporten aangezien een dergelijke voertuig niet geregistreerd kan worden in het kentekenregister. Hierdoor kan het belastbare feit, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet BPM 1992 zich niet voordoen. Mocht met een dergelijk niet-geregistreerd voertuig toch gebruik worden gemaakt van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, doet zich het belastbare feit van artikel 1, zesde lid, van de Wet BPM 1992 voor en wordt het te betalen bedrag aan BPM vastgesteld door gebruikmaking van de forfaitaire tabel of een koerslijst (en dus niet op basis van een taxatierapport). Dit geldt uiteraard niet voor voertuigen die al in het kentekenregister zijn geregistreerd en al eerder vanwege die registratie betrokken zijn geweest in de heffing.” 4.8. De rechtbank volgt niet het – voor het eerst ter zitting gevoerde – betoog van de inspecteur dat op de binnenlandse markt geen handel plaatsvindt in auto’s met essentiële gebreken. Dat laatste ligt namelijk voorshands niet in de rede. De inspecteur heeft zijn betoog verder niet onderbouwd, maar uitsluitend gebaseerd op een uitlating van de gemachtigde van belanghebbende op een andere zitting dat er geen vergelijkbare referentie-auto’s zijn in het geval van een auto met essentiële gebreken. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat daarmee niet is bedoeld dat er geen binnenlandse markt is voor auto’s met essentiële gebreken, maar alleen dat gegeven de schade bij zo’n auto een exact vergelijkbare referentie-auto niet te vinden is. 4.9. De rechtbank is verder van oordeel dat indien artikel 8, derde lid, van de UR Bpm zo moet worden uitgelegd als de inspecteur voorstaat, deze bepaling niet verenigbaar is met het Unierecht. Er is geen aanleiding om de in 4.4 vermelde jurisprudentie over schadeauto’s niet ook toe te passen op ingevoerde auto’s met essentiële gebreken. Een essentieel gebrek is immers een specifieke schade waardoor het gebruik van de weg niet meer is toegestaan. Daaraan doet niet af (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.