RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 18/4083 uitspraak van 21 november 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden beslissingen De beslissingen van de inspecteur in de brief van 7 mei 2018 betreffende omzetbelasting over de periode 1 januari 2013 tot en met 1 april 2013. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur A] en [inspecteur B] . 1Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar van 7 mei 2018; - verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het teruggaafverzoek; - verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de beslissing om geen ambtshalve teruggaaf te verlenen; - draagt de griffier op het in 2.13 vermelde formulier aan de inspecteur te zenden; - draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 te vergoeden. 2Motivering Samenvatting De beslissing van de rechtbank in deze zaak is hiervóór in juridische bewoordingen vermeld. De beslissing houdt in de kern in: de rechtbank kan de door belanghebbende verzochte teruggaaf van omzetbelasting niet verlenen. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende deze beslissing niet rechtvaardig zal vinden. Materieel gezien heeft belanghebbende immers recht op teruggaaf van omzetbelasting over de aanschaf van zijn zonnepanelen, maar toch kan de rechtbank die teruggaaf niet verlenen. Hieronder volgt de juridische onderbouwing van de beslissing. Deze onderbouwing is wat lang en mogelijk voor belanghebbende wat lastig te volgen. Dat komt mede omdat het niet direct duidelijk is hoe de ‘suppletie-aangifte’ van belanghebbende juridisch moet worden gezien. De rechtbank heeft onderzocht op welke manieren de suppletie-aangifte juridisch zou kunnen worden gezien. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat geen van de mogelijkheden kan leiden tot teruggaaf van omzetbelasting in deze procedure. Samengevat: De inspecteur heeft de suppletie-aangifte behandeld als een bezwaar tegen eigen aangiften van belanghebbende en vervolgens uitspraak op bezwaar gedaan. Bij het beroep tegen deze uitspraak op bezwaar bestaat echter geen belang, omdat niets op aangifte is betaald (zie 2.7). Als de suppletie-aangifte zou moeten worden gezien als een beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 4 juli 2015 over een eerder teruggaafverzoek over het jaar 2013, is dat beroep te laat (zie 2.8). Als de suppletie-aangifte wordt gezien als een nieuw teruggaafverzoek, dan is het verzoek te laat gedaan (zie 2.9.1-2.9.3). Als de suppletie-aangifte wordt gezien als een verzoek om ambtshalve vermindering, dan is de rechtbank niet bevoegd om een oordeel te geven over de afwijzing van dat verzoek (zie 2.10). Juridische onderbouwing Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op enig moment in de periode tussen 28 december 2012 tot en met 31 maart 2013 zonnepanelen aangeschaft. 2.2. Belanghebbende heeft eerder de omzetbelasting in verband met die aanschaf teruggevraagd. De inspecteur heeft het verloop van die procedure in het verweerschrift geschetst. Niet van alle onderdelen van dat verloop zijn stukken bijgevoegd. De beschrijving door de inspecteur is echter evenmin bestreden. De rechtbank gaat daarom van de juistheid van het volgende verloop uit: - De inspecteur heeft op 17 juli 2014 op verzoek van (de gemachtigde van) belanghebbende aangiftebiljetten omzetbelasting uitgereikt over het tijdvak 28 december 2012 tot en met 31 december 2012 (hierna: tijdvak december 2012) en over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 (hierna: tijdvak 2013) - Op 12 augustus 2014 heeft belanghebbende de zogenoemde startersaangifte ingediend, waarbij in een afzonderlijk verzoek om teruggaaf van omzetbelasting wordt gevraagd voor het tijdvak december 2012 en voor het tijdvak 2013; - Deze verzoeken zijn bij beschikkingen van 10 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding; - Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Met dagtekening 10 juni 2015 zijn uitspraken op bezwaar gedaan. - Belanghebbende heeft geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking voor het tijdvak 2013; - Belanghebbende heeft wel beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking voor het tijdvak december 2012. Dit beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 26 april 2016 ongegrond verklaard (hierna: de eerdere uitspraak van 26 april 2016). Naar de rechtbank begrijpt is hiertegen geen hoger beroep ingesteld. 2.3. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3127, BNB 2018/76 (hierna: het arrest BNB 2018/76) heeft belanghebbende een biljet ‘suppletie omzetbelasting’ ingediend over het eerste kwartaal van 2013 (hierna: de suppletie-aangifte). Dit biljet is op 29 december 2017 door de Belastingdienst ontvangen. Het biljet vermeldt een terug te geven bedrag van € 970, mede als gevolg van een aangegeven bedrag aan voorbelasting van € 1050, dat op de aanschaf van zonnepanelen ziet. 2.4. De inspecteur heeft in zijn brief van 7 mei 2018 de suppletie-aangifte aangemerkt als “een bezwaar tegen eigen ingediende aangiften omzetbelasting” en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding (hierna: de uitspraak op bezwaar). De inspecteur heeft vervolgens de aangifte beoordeeld als “een ambtshalve verzoek om teruggaaf” op grond van artikel 65 van de AWR en beslist dat niet aan het verzoek kan worden tegemoetgekomen (hierna: de ambtshalve beslissing). Geschil 2.5. Belanghebbende stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte is en dat hij recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is en dat de rechtbank niet bevoegd is om te oordelen over de ambtshalve beslissing. Beoordeling 2.6. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende materieel gezien recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting in verband met de aanschaf van zonnepanelen (zij het dat de inspecteur vindt dat een deel betrekking heeft op het jaar 2012 en niet op het eerste kwartaal van 2013). De inspecteur stelt zich echter op het standpunt dat, kort gezegd, formele regels in de weg staan aan het verlenen van teruggaaf. 2.7. De inspecteur heeft de suppletie-aangifte aangemerkt als een bezwaar tegen eigen aangiften omzetbelasting. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand liggend in een geval als hier. Ten eerste, bezwaar tegen de eigen aangifte is als zodanig niet mogelijk, alleen bezwaar tegen de voldoening op aangifte. Ten tweede, belanghebbende heeft niet eerder over het eerste kwartaal van 2013 omzetbelasting op aangifte voldaan. Met andere woorden: bij afwezigheid aan voldane omzetbelasting heeft een bezwaar geen zin, want er valt niets terug te krijgen. Dat neemt echter niet weg dat er wel een uitspraak op het (vermeende) bezwaar is gedaan en dat er beroep is ingesteld. De rechtbank moet daarover dan beslissen. Die beslissing luidt dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang (er valt niets terug te krijgen dat eerder door belanghebbende op aangifte is voldaan). 2.8. Het ligt evenmin voor de hand om de suppletie-aangifte aan te merken als een rechtsmiddel tegen de eerdere uitspraak op bezwaar van 4 juni 2015 betreffende de afwijzing van het verzoek om teruggaaf over het tijdvak 2013. De suppletie-aangifte geeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit de bedoeling van belanghebbende met de suppletie-aangifte was. Het zou belanghebbende overigens ook niet geholpen hebben. De suppletie-aangifte zou dan namelijk als een beroep moeten worden aangemerkt, en dat beroep zou als uitgangspunt niet-ontvankelijk zijn wegens overschrijding van de beroepstermijn. 2.9.1. De rechtbank heeft de inspecteur ter zitting voorgehouden dat de suppletie-aangifte (ook) zou kunnen worden gezien als een nieuw verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur heeft voor dat geval ter zitting aangevoerd dat er al een eerder verzoek is gedaan waarop onherroepelijk is beslist, en dat dit tweede verzoek (bij de suppletie-aangifte) te laat is gelet op de termijnen van artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). Partijen hebben verzocht dat de rechtbank een oordeel geeft over de juistheid van dat standpunt. De rechtbank acht het mogelijk om in deze procedure het gevraagde oordeel te geven: uit proceseconomische overwegingen wordt aangenomen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.