← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2018:7168

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Wrakingskamer Locatie Breda Procedurenummer: 352157 HA RK 18-235 Beslissing van 10 december 2018 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] verder ook te noemen verzoeker, raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam. 1Procesverloop Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit: het proces-verbaal van wraking tijdens openbare terechtzitting van 20 november 2018 van de meervoudige economische strafkamer van deze rechtbank, bestaande uit mrs. de Weert, Schild en van der Linden, belast met de behandeling van de hierna te noemen strafzaak; de op 27 november 2018 ingekomen schriftelijke reactie van die strafkamer; de eveneens op 27 november 2018 ingekomen schriftelijke reactie van mr. van Diem, officier van justitie; de voor de behandeling van dit wrakingsverzoek relevante processtukken in die strafzaak, waaronder het proces-verbaal van de terechtzittingen van 19 en 20 november 2018; de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 4 december 2018, waarbij zijn verschenen verzoeker en mrs. Schild en Van der Linden. Ofschoon daartoe uitgenodigd zijn mr. De Weert en mr. Van Diem, beiden met bericht van verhindering, niet verschenen; de door verzoeker overgelegde, ter zitting van de wrakingskamer voorgelezen, pleitnotitie. 2Het verzoek Het verzoek strekt tot wraking van mrs. De Weert, Schild en Van der Linden, leden van de meervoudige economische strafkamer van deze rechtbank, hierna ook te noemen de rechters, belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer 02/994503-

  1. De rechters berusten niet in het verzoek tot hun wraking. 3De feiten en de gronden voor de wraking 3.
  2. In de hiervoor genoemde strafzaak ( [naam] ) staat verzoeker samen met een viertal medeverdachten terecht ter zake van milieudelicten. Daarnaast heeft het openbaar ministerie tegen verzoeker een ontnemingsvordering ingesteld. 3.
  3. Na diverse in de zaak gehouden regiezittingen heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak door de rechters plaatsgevonden ter terechtzittingen van 19 en 20 november
  4. Blijkens het van die zittingen opgemaakte proces-verbaal heeft de verdediging van verzoeker (en overigens ook die van de medeverdachten) de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie opgeworpen. Dit verweer wordt, in ieder geval wat betreft de strafzaak van verzoeker, mede gebaseerd op het standpunt dat gelet op uit het strafdossier blijkende informatie, diverse (opsporings)ambtenaren zich als werktuig hebben laten gebruiken door een kartel (gevormd door [kartel] ) op het gebied van de recycling van [naam] . Deze ambtenaren zouden onder meer welbewust stukken (waaronder een MMA-melding, correspondentie en relevante informatie uit een strafdossier) uit het dossier hebben gehouden. Deze stukken zijn volgens de verdediging achtergehouden om te verbloemen dat de aanleiding van het onderzoek geen andere is geweest dan het handhaven van het kartelbelang van [kartel] Deze partijen werden, aldus de verdediging, immers bedreigd door de commerciële activiteiten van verzoeker op het terrein van het recyclen van [naam] Daarnaast zouden de betreffende ambtenaren meineed en valsheid in geschrifte hebben gepleegd. 3.
  5. Tegen deze achtergrond heeft verzoeker op de zitting van 20 november 2018 tegen het einde van het pleidooi van zijn raadsman de rechters verzocht om strafrechtelijke aangifte te doen van gepleegde strafbare feiten in het vooronderzoek, zoals die volgens hem blijken uit het dossier. 3.
  6. De rechters hebben, zoals blijkt uit het proces-verbaal van wraking tijdens de openbare zitting van 20 november 2018, na beraadslaging op dit verzoek als volgt beslist. “De voorzitter deelt mee: Over het verzoek reeds nu aangifte te doen van gepleegde strafbare feiten in het vooronderzoek overweegt de rechtbank het volgende. Naar de rechtbank begrijpt doet u een beroep op de verplichting van artikel 162 Wetboek van Strafvordering waarin is bepaald dat de rechtbank onverwijld aangifte dient te doen van de strafbare feiten — met de opsporing waarvan zij niet is belast — die zij constateert, onder neer in het in artikel 162 Wetboek van Strafvordering, onder a genoemde geval dat van ambtsmisdrijven als bedoeld in titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Van een ambtsmisdrijf is sprake -zo bepaalt artikel 44 Wetboek van Strafrecht- indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. Wij hebben goed naar u geluisterd en van u begrepen dat u van opvatting bent dat er vele omstandigheden in dit dossier zijn aan te wijzen die tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat in het onderhavige dossier ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden in het onderzoek [naam] strafbare feiten hebben gepleegd. Anderzijds hebben wij de officier van justitie gehoord, die ziet de zaken anders en stelt zich op het standpunt dat in het onderzoek weliswaar wellicht vergissingen zijn begaan en fouten zijn gemaakt, maar dat de vraag of sprake is geweest van strafbare feiten een vraag betreft die nauw samenhangt met de vaststelling van de feiten en het beroep op niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het is de rechtbank gebleken dat bij u nadrukkelijk de vrees leeft dat strafbaar gedrag van ambtenaren onbestraft zal blijven. De rechtbank is het met u eens dat het van groot belang is dat strafbaar gedrag van opsporingsambtenaren als bijzonder kwalijk moet worden beschouwd en onderzocht zou moeten worden. Bij de vaststelling hiervan zullen en moeten wij ook het dossier zorgvuldig nalopen op de feiten en omstandigheden die ter onderbouwing van uw standpunt door u en uw raadsman naar voren zijn gebracht. Er is in dit verband heel veel door u en uw raadsmat1 naar voren gebracht. De rechtbank wil hierover graag zorgvuldig beraadslagen. Dat vergt in dit geval een nadere nauwkeurige analyse van het dossier. Gelet daarop kunnen we nu niet beslissen op het verzoek wat u hebt gedaan ter zitting maar zullen we dat meenemen in raadkamer. “. 3.
  7. Uit het proces-verbaal van wraking blijkt verder van het volgende verloop van de zitting: “Verdachte verklaart: U heeft in het begin van de zitting gezegd dat iedereen het dossier goed heeft doorgenomen. Ik ga ervan uit dat de rechtbank dat ook heeft gedaan en op grond daarvan toch tot de conclusie moet komen dat er strafbare feiten zijn gepleegd door [kartel] en consorten, [namen consorten] . Ik wil dat de rechtbank daarvan aangifte doet. Als de rechtbank dat nu niet doet, is de rechtbank onvoldoende onafhankelijk. De voorzitter deelt mee: Kunt u dat uitleggen? Ik heb zojuist uiteen gezet dat de rechtbank wil nadenken over het omvangrijke dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht en dat samenbrengen. De rechtbank wil dat bekijken met grote nauwkeurigheid en dat alles nog eens op een rijtje zetten. Waarom bent u van mening dat de rechtbank niet onafhankelijk is? Verdachte verklaart: Er moet aangifte worden gedaan van de strafbare feiten die zijn gepleegd. De rechtbank had daar al aangifte van moeten doen. Hoe kan ik vertrouwen hebben als de rechtbank dat nalaat en nu nog dingen moet bestuderen. De voorzitter deelt mee: Wat is de consequentie van uw gebrek aan vertrouwen in de rechtbank? Verdachte verklaart: Dat ik de rechtbank wraak. De voorzitter deelt mee: Op welke gronden wraakt u de rechtbank? Verdachte verklaart: Dat kan ik zo niet zeggen. Ik heb daar zo een gevoel bij. U houdt mij voor dat ik op grond van de wet dien aan te geven op welke gronden mijn wraking berust. De gronden zijn dat er een kartel is dat onderzocht moet worden. [namen consorten] leggen verklaringen af die tegenstrijdig zijn, laten dingen bewust weg en ondertekenen documenten die zij niet zelf hebben opgesteld. Er is sprake van meineed en valsheid in geschrifte. Wij zitten hier en worden bestraft voor zaken die we hebben gedaan, waarom zij niet? Zij moeten zich ook verantwoorden. De voorzitter deelt mee: Als ik u goed begrijp is de grond dat [kartel] en de andere partijen niet worden bestraft voor feiten die zij hebben begaan. Verdachte verklaart: Dat klopt. Alles moet worden meegenomen. Nadat dit proces-verbaal aan verdachte is voorgehouden, verklaart verdachte: Ten aanzien van de strafbare feiten die zijn gepleegd, had ik naast [kartel] , [namen consorten] ook [3e naam consorten] genoemd. De consorten in het kartel zijn [consorten kartel] , zijnde de aandeelhouders van [bedrijf] . “ 3.
  8. Ter gelegenheid van de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek heeft verzoeker dit toegelicht, waarbij hij -samengevat- zich op het standpunt stelt, dat de rechters, althans de voorzitter, bij aanvang van de zitting op 19 november 2018 heeft meegedeeld het strafdossier goed te kennen, wat zich volgens verzoeker niet laat rijmen met het standpunt dat de rechters alvorens op het verzoek tot het doen van strafrechtelijke aangifte te beslissen, eerst het dossier nader willen bestuderen. Volgens verzoeker blijkt uit het dossier klip en klaar dat sprake is van strafbare feiten, wat maakt dat de rechters daarvan onmiddellijk aangifte behoren te doen. Uit de omstandigheid dat de rechters dit weigeren, kan in de opvatting van verzoeker niet anders volgen, dan dat zij die strafbare feiten willen toedekken. Van een onafhankelijke en onpartijdige behandeling door de rechters van zijn strafzaak kan derhalve geen sprake meer zijn. 4Het standpunt van de rechters 4.
  9. In hun schriftelijke reactie stellen de rechters, na een uiteenzetting van de strekking en het verloop van de aan hen voorliggende zaak, zich op het standpunt dat de door verzoeker gewraakte overweging met betrekking tot zijn verzoek tot het doen van strafrechtelijke aangifte, op generlei wijze bij hem de schijn van vooringenomenheid heeft kunnen wekken. 4.
  10. Bij gelegenheid van de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek hebben mrs. Schild en Van der Linden, ook namens mr. De Weert, bij dit standpunt volhard. 5Het standpunt van het openbaar ministerie 5.
  11. Blijkens de van het openbaar ministerie ingekomen schriftelijke reactie, hebben de rechters hun weigering om al tijdens de behandeling ter terechtzitting een oordeel te geven over mogelijk gepleegde strafbare feiten door opsporingsambtenaren in het onderhavig dossier, correct en zorgvuldig gemotiveerd. 5.
  12. De door verzoeker aangevoerde wrakingsgrond dat [kartel] wegens verboden kartelafspraken en de betrokken verbalisanten wegens meineed en valsheid in geschrifte bestraft moeten worden, kan in de opvatting van het openbaar ministerie niet leiden tot de conclusie dat sprake is van feiten en omstandigheden die (kunnen) duiden op (een schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid. 6De beoordeling en de gronden daarvoor 6.
  13. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van rechters in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtszoekende dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd. 6.
  14. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter(s), ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. 6.
  15. De enkele omstandigheid dat de rechters hun beslissing op het verzoek van verzoeker om tegen in de strafzaak van verzoeker betrokken verbalisanten strafrechtelijke aangifte te doen van volgens verzoeker uit het dossier blijkende strafbare feiten, hebben opgeschort tot hun (finale) beoordeling van de zaak en dit verzoek dan ook in raadkamer daarbij willen betrekken, levert geenszins een zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor onder 6.
  16. genoemd. 6.
  17. Dit oordeel, dat moet worden aangemerkt als een procesbeslissing, is volstrekt begrijpelijk, aangezien het verzoek van verzoeker niet alleen, zoals de rechters hebben aangevoerd, om een nadere bestudering van het (omvangrijke) dossier vraagt, maar tevens direct verband houdt met het door de verdediging opgeworpen verweer van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en zelfs mogelijk, in het geval de rechters tot het oordeel van ontvankelijkheid van het openbaar ministerie mochten komen, met de uiteindelijke bewijswaardering in de zaak. 6.
  18. Dit maakt dan ook dat, wanneer de rechters op het verzoek van het al dan niet doen van strafrechtelijke aangifte meteen op de zitting zouden beslissen, zoals verzoeker uitdrukkelijk wenst, zij daarmee op hun definitieve oordeel over de zaak vooruitlopen. Het is daarom volkomen verklaarbaar dat zij hun beslissing op het verzoek willen betrekken op hun in raadkamer te vormen definitieve oordeel in de zaak. Daaruit kan geen schending volgen van het vereiste van een impartial tribune. 6.
  19. Nu geen andere wrakingsgronden zijn aangevoerd, behoort het wrakingsverzoek te worden afgewezen. 8De beslissing De rechtbank - wijst het verzoek tot wraking af; - bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met het hiervoor onder
  20. genoemde parketnummer zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van het verzoek. Deze beslissing is gegeven op 10 december 2018 door mrs. Peters, Kool en van de Sande, in tegenwoordigheid van de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken. --

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.